Die Fledermaus rukt bij Nederlandse Opera op naar de kersttijd

Voorstelling: Die Fledermaus van J. Strauss jr door de Ned. Opera en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Met o.a.: Walter Raffeiner, Julia Faulkner, Bodo Schwanbeck, Philipp Cieslewicz, David Kuebler, Jan Derksen, Hein Meens, Edith Schmid-Lienbacher en Karl Merkatz. Regie: Johannes Schaaf. Gezien: 12-4 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 15, 17, 20, 23, 25, 27-4; 1, 3, 5-5.

Met Die Fledermaus gaat het bij de Nederlandse Opera - in de tijd gezien - de goede kant op. Toen men bij de eerste serie voorstellingen in juni 1987 de zaal van het Amsterdamse Muziektheater binnenkwam, kon men daar hartje zomer een bibberende man op het podium zien staan die handenwringend probeerde te suggereren dat hij het stervenskoud had.

De reprise vindt nu plaats in de lente, al leek het dan gisteren een zomerse dag. En misschien brengt de Nederlandse Opera ooit deze kerstoperette nog eens in december en de Goede Vrijdag-opera Parsifal, waarmee vorig jaar september het seizoen werd geopend, in de Matthaus-tijd.

Iets van de bijzondere glans en luxe die deze produktie van Johannes Schaaf destijds had als opening van het Holland Festival is inmiddels vervlogen. Niet het Concertgebouworkest maar het Nederlands Philharmonisch Orkest zit nu in de bak en de plaats van dirigent Nikolaus Harnoncourt wordt ingenomen door Hartmut Haenchen. Opnieuw het Concertgebouworkest als begeleiding van een operette - voor wie daarop hoopte zingt men hier Glucklich ist, wer vergisst, was doch nicht zu andern ist.

De Wener Harnoncourt had zeer bijzondere opvattingen over de archetypisch Weense muziek van Johann Strauss. Vloeiende voortgang verving veelal scherpe contrasten, de wals- en hoempamuziek kreeg in zijn liefdevol gebrachte versie een bijzonder cachet: een beetje ordinair volksvermaak over schijnheiligheid en decadentie, maar dan wel tijdens de premiere superieur gebracht in aanwezigheid van koningin Beatrix, die zag hoe Adele zich voorstelde als koningin.

Bij Haenchen, die af en toe ook leuk meedoet aan de enscenering (“Sinds wanneer heb je talent nodig voor het theater?”, vraagt hij zich luidkeels af) klinkt Die Fledermaus degelijk en gewoon, zonder veel behaagzucht of languissant-verfijnde sfeer in het Duidu-slot van Bruderlein und Schwesterlein.

De goede vocale cast van destijds is geheel gewisseld, op Edith Schmid-Lienbacher na, nog steeds een stijlvolle Adele. David Kuebler is mij als de tenor Alfred te weinig zoetgevooisd. De rest doet zijn best. Jan Derksen maakt eindelijk zijn debuut in het Muziektheater, al heeft hij als Dr. Falke helaas vooral een spreekrol. Walter Raffeiner is een goede, wat ruige Eisenstein. Bij Julia Faulkner als Rosalinde zou men nog iets meer vocale presence wensen. En de Tolzer koorknaap Philipp Cieslewicz, veel beter zingend dan Helmut Wittek destijds, is als de vermoeide prins Orlovsky die alles al heeft meegemaakt, vermakelijk vroegwijs: 'Kon ik nog maar een keer jong zijn'.

De produktie van Schaaf is een wellicht hard bedoelde maar uiteindelijk toch nog te milde kijk op 'het demasque der samenleving'.

Het begin is ingenieus en leuk, diverse komische situaties zijn net niet helemaal op het randje van de goede smaak, sommige opmerkingen blijven na 117 jaar geestig ('Sie seh'n, ich kann auch gemutlich sein') maar de voorstelling verzandt tenslotte in de eeuwige langdradigheid van de derde acte.

De Einlage bestaat deze keer uit een scabreus variete-travestienummer met kerstengeltjes. Het lokte wat boegeroep uit, maar het is daarmee - naar de woorden van Orlovsky - zoals met de hele Fledermaus: ieder zijn smaak.