Beeld globale bedrijf steeds helderder

ROTTERDAM, 13 APRIL. De globale 'transnationale' onderneming, die zich steeds minder aantrekt van nationale grenzen of overheden en zijn plaats van vestiging slechts selecteert op basis van economische efficiency, blijft in kringen van managementsgoeroes en macro-economen een onderwerp van vurig debat.

De Japanner Kenichi Ohmae, chef van McKinsey in Tokio, gooide vorig jaar de knuppel in het hoenderhok met zijn uitdagende boek The borderless World. Daarin toonde hij zich een onstuimige apologeet van deze 'transnationals' die zijns inziens opereren in een globale wereldeconomie waarin technologie, kapitaal, informatie en talent vrij rondstromen. In deze 'interlinked economy' worden globale bedrijven gaandeweg 'statenloos', aldus de Japanner, dicteren globale financiele markten steeds meer het nationale monetaire beleid en verliezen betalingsbalansen aan betekenis. 'Wij worden in snel tempo een wereld waarin slechts telt dat IBM concurreert met DEC en Fujitsu', oordeelde Ohmae.

Onzin, kaatste de Harvard-professor Michael Porter terug in zijn monumentale boek The competative Advantage of Nations. Volgens Porter blijft het succes van een internationaal opererend bedrijf sterk afhankelijk van de kwaliteit van zijn thuismarkt. Dus de nationale wortels van een globaal bedrijf moeten niet worden doorgesneden, zoals Ohmae propageert, maar juist worden gecultiveerd. Want zij blijven bepalend voor het prestatieniveau, hoe internationaal en globaal zo'n onderneming ook gaat opereren.

In de strijd om de gunst van de critici won professor Porter met zijn ideeen op punten van Ohmae, die nogal eens werd beticht van slecht gefundeerde futurologie. Toch maakte Porter het zijn aanhang afgelopen februari niet gemakkelijk toen hij in een toespraak voor het Internationale Economische Forum in Davos een meer relativerende toon leek aan te slaan. Zo verzekerde hij zijn gehoor van topmanagers en politieke leiders dat de verschillende takken van bedrijvigheid binnen een globale onderneming niet noodzakelijkerwijs in hetzelfde land als het moederbedrijf hoeven te worden gevestigd. Mits zo'n afzonderlijke bedrijvigheid zich wel concentreert in een land. En dan nog kunnen bepaalde innovatie-activiteiten van zo'n tak van bedrijvigheid naar andere landen worden verspreid om van bepaalde voordelen te profiteren. Met andere woorden, de aanvankelijk zeer scherpe verschillen van inzicht tussen Porter en Ohmae over de transnationale onderneming kregen meer het karakter van accentverschillen.

Eerder dit jaar gaf de eveneens van Harvard afkomstige professor Robert Reich met zijn boek The Work of Nations een nieuwe impuls aan de discussie. 'Wie zijn wij?', vraagt Reich zich af. 'Zijn wij IBM, Motorola, Whirlpool en GM? Of zijn wij Sony, Thomson, Philips en Honda?' Hij wijst er op dat Amerikaanse bedrijven vaak overzee produceren, daar rijkdom genereren, hun produkten vervolgens afzetten in de Verenigde Staten en daarmee de Amerikaanse betalingsbalans belasten. Omgekeerd zijn er steeds meer buitenlandse bedrijven die in de Verenigde Staten produceren, daar rijkdom genereren, hun produkten exporteren en daarmee de Amerikaanse betalingsbalans gunstig beinvloeden. 'Wie zijn wij dus?', zo vraagt Robert Reich zich nogmaals af. Zijn antwoord luidt: 'De Amerikaanse arbeidskracht, het Amerikaanse volk, maar niet noodzakelijkerwijs de Amerikaanse onderneming'.

Reich concludeert daarom dat 'Amerika's concurrentievermogen het best kan worden gedefinieerd als het vermogen van Amerikanen om waarde toe te voegen aan de wereldeconomie, ongeacht de nationaliteit van het bedrijf dat hun werk biedt'. Hij beveelt de regering daarom aan geen geld te steken in industriebeleid - dat voor een aanzienlijk deel toch ten goede zal komen aan burgers van concurrende naties - maar in onderwijs, training, onderzoek en infrastructuur. 'Want Amerika moet een goede plaats worden voor elke globale onderneming die getalenteerde werkers zoekt om aan de slag te gaan'.

Het beeld van de transnationale onderneming met activiteiten, aandeelhouders, managers en verantwoordelijkheden verspreid over de wereld, is misschien nog wat vaag en prematuur maar komt toch steeds meer uit de verf. Dat blijkt niet alleen uit hooggeleerde theorieen maar ook uit feiten. Zo besloot het toch al zeer internationaal georienteerde IBM eind vorig jaar het volledige hoofdkwartier van een van zijn zes produktiedivisies met al zijn besluitvormingsbevoegdheden te verkassen van Amerika naar Engeland. De honderdtwintig topmanagers van de divisie communicatiesystemen -jaaromzet tien miljard dollar - steken in de loop van dit jaar de Atlantische Oceaan over. Vier maanden tevoren verhuisde Hewlett-Packard het hoofdkwartier van de produktiegroep 'personal computers' van Californie naar Frankrijk.

Beide computergiganten traden daarmee toe tot de selecte club van 'echte' transnationale bedrijven waartoe al concerns behoren als Procter & Gamble, Unilever,NCR, Ericsson, Electrolux en Nestle. Dat laatste concern besloot afgelopen februari nog de decentralisatie van zijn globale structuur verder te vergroten door het voltallige 'product-management' te verplaatsen van het Zwitserse hoofdkwartier naar dochterbedrijven in de hele wereld. 'Nestle's polycentrische karakter zal het concurrentievermogen van de onderneming verder versterken', zo lichtte president Helmut Maucher van het voedingsconcern deze draconische ingreep toe.