ACHTERKLAP ONDER TURKSE NEDERLANDERS

Roddel nader beschouwd door Marlene de Vries 63 blz., Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen (Leiden) 1990, f 10,60 (tel.: 071-273845 - 273850) ISBN 90 71042 38 3

Op straat praten met een jongen, met de klas gaan zwemmen, na het werk met collega's wat drinken; het zijn doodgewone activiteiten voor het gros van de Nederlandse meisjes maar niet voor hun Turkse leeftijdgenootjes in Nederland. De kans is groot dat wanneer zij door landgenoten 'betrapt' worden, er binnen de kortste keren venijnige roddels over hun de ronde doen. Roddels waarin hun zedelijkheid ter discussie wordt gesteld en waarin ze ervan beticht worden te vernederlandsen. Uit angst voor dergelijke kwaadsprekerij en voor de straffen die daarop volgen - varierend van berisping door landgenoten tot verstoting, van huisarrest tot slaag en uithuwelijking naar Turkije - houden de meeste Turkse meisjes zich koest en gedragen zich zoals van hun wordt verwacht.

De constatering van sociologe Marlene de Vries dat Turkse jonge vrouwen in Nederland veelvuldig slachtoffer van kwaadaardige roddel door landgenoten zijn en dat zij daardoor zowel maatschappelijk als prive drastisch in hun bewegingsvrijheid beperkt worden, is haar niet door iedereen in dank afgenomen. Niet voor niets begint zij Roddel nader beschouwd - het vervolg op Ogen in je rug. Turkse meisjes en jonge vrouwen in Nederland uit 1987 - met de volgende passage: 'Het lijkt een taboe te zijn om te beweren dat leden van de migrantengroepen mede belemmerd kunnen worden in hun emancipatie door factoren die gelegen zijn in de cultuur van de groepen zelf. Men kan zich afvragen welk doel men dient door hierover te zwijgen. Ik meen dat de roddel waarmee Turkse meisjes en jonge vrouwen in eigen kring worden geconfronteerd een dergelijke belemmerende werking heeft, zeker in zijn consequenties.'

In Roddel nader beschouwd heeft De Vries het blijkbaar heikele onderwerp aan een nadere, meer theoretische studie onderworpen. In een kleine zestig pagina's bouwt ze, zorgvuldig redenerend, het betoog op dat in december 1990 deel uitmaakte van haar dissertatie (Ogen in je rug was het andere deel). De centrale vraag: hoe groeps- en tijdsgebonden is het geroddel in de vorm waarin het onder Turkse meisjes en jonge vrouwen is aangetroffen, en welke omstandigheden bevorderen dat het als zo'n effectief wapen van informele sociale controle kan fungeren?

PARVENU'S

Geroddeld wordt er overal, maar de mate en de vorm waarin hangen samen met het karakter van de sociale groep. Marlene de Vries neemt als vertrekpunt voor haar betoog de opvattingen van de Britse functionalistische antropoloog Max Gluckman. Die stelt dat hoe exclusiever een groep is, des te meer er geroddeld wordt. Dat geldt voor professionele groepen zoals advocaten, artsen, antropologen. Dat geldt voor groepen mensen die zichzelf een hoge status toekennen waarvan ze parvenu's willen buitensluiten. En dat geldt voor groepen met een min of meer opgedrongen exclusiviteit, zoals mensen die om enigerlei reden in een minderheidspositie verkeren. De Turkse gemeenschap in Nederland behoort tot de laatste categorie. Roddel heeft in deze zienswijze de functie van het versterken van waarden en normen van een groep en het afstraffen van opvattingen en gedragingen die daar afbreuk aan zouden kunnen doen: 'Roddel houdt de cultuur bijeen,' stelt De Vries.

Wat maakt nu dat mensen hun oren ernaar laten hangen wanneer er over hen geroddeld wordt? Volgens Marlene de Vries zal iemand des te kwetsbaarder voor roddel en laster zijn, naarmate het hem of haar meer ontbreekt aan alternatieven op sociaal, economisch of politiek terrein. Veroordeeld tot de eigen groep kan men niet anders dan zich houden aan de gedeelde normen en waarden. De roddelaars moeten daarbij niet alleen beschikken over de macht van het woord, maar ook verdere sancties toe kunnen (laten) passen. In het geval van de Turkse meisjes gaat het vooral om straffen op het sociale vlak: ze verliezen hun reputatie, krijgen huisarrest, mogen niet meer naar school, moeten terug naar Turkije. Hun vaders en broers kunnen als gevolg van het reputatieverlies van een vrouwelijk lid van hun familie gestraft worden met economische sancties: het verlies van een baan in een etnische onderneming of het wegblijven van de Turkse clientele uit de eigen zaak.

Dat de roddel in Turkse kring vaak grimmig is, heeft volgens Marlene de Vries te maken met een bepaalde fase in het migrantenbestaan. In een poging de eigen Turkse cultuur hoog te houden, wordt er een psychologisch verbod op integratie opgelegd aan de leden. Men voelt zich bedreigd door de 'vernederlandsing' van leden van de eigen gemeenschap en probeert door middel van kwaadsprekerij en desnoods uitstoting het onvermijdelijke tegen te houden.

Want dat het onvermijdelijk is dat de Turkse gemeenschap desintegreert, daarvan is Marlene de Vries wel overtuigd. Kwaadaardige roddel met vergaande implicaties op sociaal en economisch vlak veroorzaakt bij de beroddelden onvrede. Dit zal er - zodra men meer mogelijkheden heeft binnen de grotere Nederlandse samenleving - toe leiden dat men zich openlijk gaat verzetten, van de eigen groep distantieert en dat men misschien zelfs wel helemaal niet meer als lid van de groep beschouwd wil worden. Wanneer dergelijke reacties vaker voorkomen, wordt het gezag van de roddelaars aangetast; de tot dan toe aanvaarde waarden en normen komen op losse schroeven te staan. Roddel krijgt een boemerang-effect: waar het eerst de groepscohesie bevorderde, werkt het nu ontwrichtend.

ALTERNATIEVEN

Bij de Turkse meisjes en jonge vrouwen onder wie zij onderzoek deed, constateerde Marlene de Vries het prille begin van zo'n ontwikkeling: ze gedroegen zich weliswaar nog conform de regels maar hun opvattingen waren al aan het veranderen. De meeste meisjes hadden ook de neiging om de omgang met landgenoten te beperken. Daarnaast wijst De Vries op meer structurele factoren zoals de toenemende diversificatie in opleiding- en functieniveau van Turken in Nederland, de sterkere ruimtelijke spreiding en de meer algemene maatschappelijke ontwikkeling van toenemende individualisering. Turkse meisjes en jonge vrouwen krijgen meer alternatieven op diverse levensterreinen; ze zijn niet langer overgeleverd aan de eigen kring. Roddel zal er altijd wel blijven, maar het aantal sancties dat het leven van de beroddelden kan verzuren, vermindert.

Marlene de Vries besluit haar betoog met de constatering dat de door haar voorspelde ontwikkeling vast niet gladjes en volgens een voorspelbaar patroon zal verlopen. In Nederland op een redelijk niveau geschoolde Turkse jongens en meisjes zullen eerder minder kwetsbaar voor roddel in Turkse kring worden, dan bijvoorbeeld zeer traditioneel ingestelde mensen die in Nederland een lage maatschappelijke positie innemen en die in een Turkse enclave bijeen wonen. Ook zijn er tegenkrachten die sterker kunnen worden: langdurige werkloosheid waardoor men terugvalt op het eigen circuit en een toenemende invloed van islamitische of nationalistische groeperingen. Naast de maatschappelijke tegenkrachten zullen er ook belemmeringen optreden op het persoonlijke vlak. Turken in Nederland verkeren in een overbruggingsfase tussen oude en nieuwe waarden; een fase die gekenmerkt wordt door verwarring, tegenstrijdige gevoelens en loyaliteitsconflicten. Ambivalentie en toenemende eenzaamheid zijn troef. Want wat is beter: gevangen in eigen kring of nergens thuis?