Aardig voor onszelf

Dit land is soms een beetje verwarrend. De werknemers van BAT in Amsterdam hielden hun sigarettenfabriek bezet, uit protest tegen sluiting. De werknemers bij Hoogovens raadpleegden zichzelf over 'acties'. Maar hun voorzitter Johan Stekelenburg snoot donderdag op het VNO-congres in Den Haag zijn neus in een rode zakdoek en stal de show. Tussen de bedrijven door verklaarde hij naar algemene tevredenheid dat de klassenstrijd achter ons ligt.

Hij zat op de eerste rij met de andere mannen die in dit land aan de touwtjes trekken: de werkgevers die niet meer overleggen willen en de ministers die daar volstrekt rustig onder blijven. Het zijn de bestuurders die Stekelenburg wekelijks, soms dagelijks tegenkomt, in Den Haag, in Hilversum en onderweg naar het volgende overleg: Ruud Lubbers, Onno (“Ik heb er een paar weken omheen gedraaid voor ik dat voluit durfde zeggen”) Ruding, Cees van Lede, Koos Andriessen en nu de nieuwe VNO-voorman Alexander Rinnooy Kan. De overleg-economie klapte voor de consensus-democratie en gaf zichzelf tegelijkertijd straf.

Presentatie en inhoud bij de werkgevers liepen nogal uiteen. De geestigste sprekers zeiden niet altijd het meest. De FNV-voorzitter maakte een knap gebruik van zijn rol als verstekeling in ondernemersland. Hij vertelde dat zijn achterban soms niet meer begrijpt hoe het kan dat hij af en toe met Van Lede in een auto wegrijdt (“Ik ben een voorstander van halverend autogebruik”) en citeerde uit een eigen toespraak van vier jaar geleden.

Die ging ook over 'nieuwe evenwichten' (net zoals de toespraak van de nieuwe VNO-voorzitter), maar heette bovendien 'in een solidaire samenleving'. Het klonk dierbaar gedateerd en ongevaarlijk. Als u nu de blokkade tegen verdere verkorting van de arbeidstijd opheft, vroeg de moderne vakbondsleider op de valreep, dan kunt u met ons verder prima uit rijden.

Voor de minister-president was het niet de eerste of de belangrijkste toespraak uit zijn loopbaan. Misschien deed hij het ook een beetje expres, die wat achteloze voordracht. Hij wil niet de indruk wekken dat vijfendertighonderd niet-christelijke werkgevers voor hem een thuiswedstrijd betekenen. Lubbers zei het dus allemaal niet zo begeesterd, maar hij zei het wel.

Dit was zijn memo aan het land. Het is uit met meer geld verdelen. Als er meer wordt verdiend, hebben we dat hard nodig om onze vuile omgeving drastisch aan te harken. De pensioenfondsen zitten te suffen op een bedrag ter grootte van tachtig procent van ons nationaal inkomen, in Duitsland is dat zes procent. Met andere woorden: heren institutionele beleggers, we komen er aan.

En ten slotte hekelde de premier de algemene verslaving aan subsidies. “Er is voor de overheid maar een manier om minder uit te geven en dat is minder uitgeven. Dat gaan we ook doen, door minder uit te geven.”

De nieuwe VNO-voorzitter sloot in zijn analyse van de moeizame besluitvorming in dit land wonderwel aan bij wat de minister-president had gezegd. Rinnooy Kan signaleerde een wantrouwende samenleving, met actiegroepen van een persoon, die elkaar en hun inkomensplaatje nauwlettend in de gaten houden. “Na de gehoorzame burger van de jaren '50 en de mondige burger van de jaren '70, hebben we nu de berekende burger van de jaren '90 gekregen.”

We moeten een nieuw evenwicht tussen vrijheid en solidariteit voor dit land zien te vinden, zei Rinnooy Kan, Stekelenburg misschien verrassend met die klassiek kapitalistische doelstelling. De manier waarop zal de werknemers misschien minder direct bevallen.

In plaats van paternalistische machtsuitoefening door de overheid ziet Rinnooy Kan meer in “sturingsmechanismen die collectieve zelfbeheersing afdwingen”. Voorbeelden: de eerste ziektekosten verhalen op werknemer en werkgever, de collegelden voor (gewenste) technische studies verlagen.

Het was nauwelijks toevallig dat tegelijkertijd in Rotterdam een congres plaatsvond over Podiumkunsten en Publiek, dat sterk in het teken stond van de bezuinigingen die ook voor toneel, muziek en aanverwante kunsten in de lucht hangen. Als uitvloeisel van de Tussenbalans moet voor 1991 nog 5,2 miljoen gulden worden bezuinigd op incidentele kunstsubsidies, waarvan 1,45 miljoen op eenmalige podium-projecten.

Aan subsidies gaat een kwart van de rijksbegroting op. Het is daarom niet verwonderlijk dat Lubbers het land opnieuw de wacht aanzegde.

Tussen de andere bedreigde subsidiesoorten is de kunstwereld buitengewoon zuinig en bescheiden. Aan podiumkunsten wordt 0,2 miljard (200 miljoen) besteed. Een kleinigheid naast de 9,1 miljard voor volkshuisvesting en 3,7 miljard voor openbaar vervoer - de twee grootste posten, waar het kabinet het eerst de tanden in heeft gezet.

Ook naast jeugdzorg, reclassering, bejaardenoorden, asielzoekers, e.d. (samen goed voor 9,1 miljard) is de financiele ruggegraat voor de schone kunsten een kleinigheidje. Maar omdat de Nederlandse gezelschappen op dit gebied gemiddeld voor tachtig a negentig procent afhankelijk zijn van subsidies, is iedere ingreep direct voelbaar en heeft verhoging van de toegangsprijzen weinig effect op de totale begroting.

De verzamelde kunstenaars en politici in Rotterdam hadden twee rapporten op schoot, waarin gedeeltelijk tegenstrijdige impressies stonden vervat over de mogelijkheden om meer publiek of meer geld of beide aan te trekken. Maar zeker is dat het nog steeds de geverseerde burgers in de vier grote steden zijn die het meest profiteren van zwaar gesubsidieerd kunstgenot. Pas daar op de uitlatingen van Lubbers en Rinnooy Kan toe, en rijdt mee de cul de sac in. Meer profijtbegsinsel betekent een afscheid van de sociale - en geografische spreidingsidealen. Goedkopere kaartjes kost nog meer geld van Wim. Die moet al zo veel geld met Ruud, Johan, Onno en Alexander zien te vinden op pijnlijker projecten, zoals ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.

De minister van financien heeft van zijn ambtenaren een eigen analyse gekregen die zeer concreet is over doel en illusie bij dans-, toneel- en muzieksubsidies. De kunstwereld zal nog heel wat moeten mimen wil daar alles blijven zoals het met moeite was.