Wittgenstein

Krol stelt op een gegeven moment in zijn artikel in het CS van 29 maart 'Kon Wittgenstein wel schrijven', dat de regels volgens welke het taalspel gespeeld wordt, deel uitmaken van de werkelijkheid.

Dit is een onjuistheid. Taalspelregels in Wittgensteiniaanse betekenis hebben geen enkele basis. Ze worden door niets uit de werkelijkheid gerechtvaardigd. De taalspelregels zijn autonome regels. Regels worden toegepast op de werkelijkheid, dit vereist training en oefening: het is een vaardigheid. Regels zijn hier grammaticaregels. Hun functie is a priori vast te stellen wat een zin heeft en wat geen zin heeft. Met andere woorden: zij zijn een voorwaarde om de werkelijkheid (of een taalspel) binnen te gaan. Die werkelijkheid is een verzameling taalspelen. Aan elk spel liggen andere regels ten grondslag. Men zou Wittgensteiniaans meta-grammaticaal kunnen concluderen: 1. De werkelijkheid is complex en in haar geheel niet te doorgronden.

2. Elk systeem dat bedoelt de werkelijkheid weer te geven (af te beelden) is een zwakke afspiegeling van de werkelijkheid.

3. De werkelijkheid leert zich kennen door middel van verscheidene taalspelen. Hoe meer taalspelen men beheerst, hoe meer zicht men heeft op die werkelijkheid.

Krol wil non-fictie antwoorden van Duffy's boek 'De wereld die ik aantrof'. Dit kan niet. Daarvoor zijn biografieen. Duffy stelt heel duidelijk dat hij een roman heeft geschreven. Een roman is altijd autonoom, ook een historische roman of een (in dit geval) filosofische roman. Een roman is een spel en hij heeft geen zin in de werkelijkheid. (zinloos als wiskunde).

De vraag 'Kon Wittgenstein schrijven' als schrijver, is onzin. Wittgenstein wilde geen schrijver zijn. Wittgenstein wilde het taalspel van het leven schrijven. Na de Tractatus besefte hij na jaren dat hij niet over 'dingen' gesproken had, waarover nog wel wat te zeggen was. Hij had 'in discussie met zichzelf' te veel onzegbaar gelaten. Het steeds weer opnieuw schrijven van zijn aantekeningen moet geinterpreteerd worden als volgt: hij kon niet precies (lees: perfect) verwoorden wat hij bedoelde te zeggen; hij kon het taalspel niet op de werkelijkheid leggen.

Naschrift Gerrit Krol 1. Als ik in plaats van “vormen die regels een deel van de werkeljkheid” had geschreven “geven die regels vorm aan een deel van de werkelikheid”, was mijn bewering duidelijk geweest. De eerste formulering, dat geef ik toe, laat zich maar al te gemakkelijk lezen als “maken die regels deel uit van de werkelijkheid”, zoals De Water mijn woorden citeert.

2. Duffy kan wel beweren dat hij een roman heeft geschreven, maar dat neemt niet weg dat die roman gaat over zaken die ons ook op een andere manier bekend zijn. Als een romanschrijver het over 'Amsterdam' heeft, dan heeft hij het over iets dat zonder die roman ook bestaat. Een roman is dus helemaal niet zo autonoom als De Water denkt - en in veel literatuurtheorieen beweerd wordt. Mijn laatste roman, die duidelijk geinspireerd is op het havenstadje Delfzijl, heb ik in Grootzijl laten spelen. Daarmee verschafte ik mezelf wat meer vrijheid en werd de roman iets autonomer dan wanneer ik de plaats Delfzijl was blijven noemen. Als Duffy de hoofdpersoon van zijn roman niet Ludwig Wittgenstein had genoemd maar bijvoorbeeld Winkenstein, of Mayer, of Hoekstra, dan was zijn roman in toenemende mate autonomer geweest dan nu.

3. Mijn vraag of Wittgenstein wel schrijven kon, veronderstelt enig gevoel voor humor. De Water bestempelt die vraag op strenge toon als onzin. Want: Wittgenstein wilde helemaal geen schrijver zijn. Ook dat was nog een vraag voor mij, die door De Water negatief is beantwoord.

Hij wilde dat niet. Blijft het feit dat Wittgenstein zeer veel geschreven heeft met het oogmerk het gedrukt en uitgegeven te krijgen.

Dat hij het vervolgens telkens weer 'niet goed genoeg' vond, kan men toeschrijven aan zijn perfectionisme, maar evenzeer aan een voor iemand die zijn gedachten aan het papier toevertrouwt, hinderlijke wispelturigheid.