Waarom werd Jan Brandts Buys in Nederland niet gespeeld?; Op hemelsblauwe wijs

Worden Nederlandse componisten in eigen land ondergewaardeerd? De componist Jan Brandts Buys (1868-1933) is in het buitenland bekender dan in Nederland. Zijn komische opera Die Schneider von Schonau (1916) werd hier slechts twee keer opgevoerd. In buitenlandse theaters stond de opera al meer dan duizend keer op het programma. “De kwaliteit van de Zutphense componist moet hier kennelijk telkens opnieuw worden bewezen.” Op 19 april wordt in muziekcentrum Vredenburg een concertante uitvoering van Die Schneider gegeven.

door Paul Luttikhuis

Over Nederlandse componisten die in het buitenland geroemd worden, mag ik graag lezen. Enig gevoel van trots kan ik daarbij niet onderdrukken. Neem bij voorbeeld Jan Brandts Buys (1868-1933), geboren in Zutphen. Van hem werd in 1958 ter gelegenheid van zijn 25ste sterfdag een imposant borstbeeld onthuld in het Mozarteum in Salzburg; een Nederlandse componist opgenomen in de galerij der groten in een Oostenrijks muzikaal heiligdom. Er was een herdenkingsconcert en de Oostenrijkse radio besteedde aandacht aan zijn opera's, waarvan bepaalde passages door sommige Oostenrijkers nog uit het hoofd meegezongen konden worden.

Ik zal het nog sterker vertellen. Jan Brandts Buys woonde en werkte sinds 1892 in Wenen en bezocht daar onder meer Edvard Grieg, een goede vriend van zijn vader. Hij speelde voor de Noorse componist in diens hotel een fragment uit de symfonie waaraan hij werkte. Toevallig passeerde Johannes Brahms de hotelkamer. De oude componist luisterde aandachtig en sprak na afloop lovende woorden over wat hij had gehoord. Samen met Brahms bezocht Brandts Buys later een vrouwenkapel in het Prater.

In het Berlijnse tijdschrift Die Musik behandelt musicoloog Richard Specht in 1910 de jonge Weense toondichters van dat moment. Hij begint natuurlijk met vernieuwers als Zemlinsky, Schonberg en Schreker.

Daarna volgen een aantal componisten die volgens Specht 'mit Lust und Geschmack zur Kultivierung unseres musikalischen Lebens beitragen'.

Tot die groep rekent hij Jan Brandts Buys. Hij beschrijft de Nederlander als een componist met voorliefde voor 'ein schwarmerisch-romantisches Schwelgen', dat wel eens door te grote zakelijkheid wordt verstoord. Zijn kamermuziek en zijn opera Das Veilchenfest getuigen volgens Specht echter van groot vakmanschap. De componist zou zichzelf misschien moeten dwingen tot meer compactheid en eenvoud in zijn stijl om de soms te breedsprakige aanpak wat in te tomen. Daarmee zou hij zeker zijn muzikale zeggingskracht verder vergroten.

Vergelijk hiermee de zure toon van Sem Dresden in zijn boekje Het Muziekleven in Nederland (1923): “Hetgeen hij componeerde, in aantal tamelijk veel, is vloeiend en goed geschreven, 'aangenaam' om te hooren en dankbaar om voor te dragen. Daardoor - men is nu eenmaal geneigd zich het meest te interesseeren voor dingen die de bestaande orde niet verstoren en angst voor de toekomst wordt door instinctmatigen onwil gesterkt - is zijn contact met Nederland vrij sterk gebleven. Er is van allerlei te noemen, liederen, kamermuziek, werken voor piano, voor orkest enz. en zelfs opera's.” Let op dat zelfs, wat zou Dresden daarmee bedoeld hebben?

Het contact van Brandts Buys met Nederland was toen al helemaal niet sterk meer, zoals blijkt uit een brief die de componist in 1922 schreef, met een licht Duits accent, aan familie in de Achterhoek.

Brandts Buys denkt erover om naar Nederland terug te keren: “Dikwijls was ik dicht in de buurt. Maar tenslotte heb ik me altijd weer gedacht: je past er niet meer heen. De grootste zwarigheid bestaat in het gevoel, dat alles mij helemaal vreemd is geworden; in mijn gedachten ziet er alles zo uit als toen ik als jongen Holland verliet.

- In de ogen der mensen ben ik natuurlijk vreselijk hoogmoedig, verwaand, zonderling enz.''

STRATEGIE

De vanzelfsprekendheid waarmee Brandts Buys in het buitenland in een adem werd genoemd met componisten van naam, staat in schril contrast met de behandeling die hij in Nederland kreeg. In 1903 schreef een recensent naar aanleiding van een liedrecital in het Weekblad voor muziek: “De liederen van Strauss en Wolf waren prachtig, doch ook de '6 Lieder von der Liebe' (im himmelblauen Ton) van Brandts Buys mogen er zijn...” Alsof hij zeggen wil: Hoe is het toch mogelijk dat een Nederlandse componist degelijke muziek schrijft? Die steeds terugkerende verbazing over Nederlandse muziek van goede kwaliteit verklaart waarom Brandts Buys in eigen land nauwelijks op echte waardering kon rekenen. De kwaliteit van de Zutphense componist moet kennelijk telkens opnieuw worden bewezen - alsof Denen om de paar jaar zouden moeten uitleggen dat Carl Nielsen een groot componist was, en alsof Engelsen hun Edward Elgar voor de buitenwereld moesten verantwoorden.

Een enkeling heeft het geprobeerd, zoals violist en muziekarchivaris Willem Noske, eenzame strijder voor de Nederlandse muziek uit de periode tussen Sweelinck en Diepenbrock. Noske ontwikkelde begin jaren zeventig een hele strategie om het werk van Brandts Buys in Nederland te propageren, waarbij hij radio, televisie (voor zijn opera's), concertzalen en platenmaatschappijen wilde inschakelen, en partituren, die nog steeds alleen sporadisch te vinden zijn in antiquariaten, opnieuw wilde uitgeven. Noske verzamelde alvast alles wat hij over de componist te weten kon komen. Dit artikel is voor het grootste deel gebaseerd op bronnen uit zijn uitgebreide Musica Neerlandica collectie.

Willem Noske heeft een interessante verklaring voor het mislukken van zijn strategie. Het Nederlandse muziekleven werd jarenlang overheerst door een 'uitvoerend klimaat'. In andere landen, bij voorbeeld in Oostenrijk, heerste daarentegen een 'scheppend muziekklimaat'. In Nederland vroeg het publiek: wie speelt er vanavond. In Oostenrijk: wat gaat er vanavond. Als reactie daarop ontstond Donemus, het documentatiecentrum voor Nederlandse muziek, maar dat houdt zich uitsluitend bezig met het eigentijdse repertoire. Het werk van overleden Nederlandse componisten valt nog steeds tussen wal en schip.

Noske heeft groot gelijk. Artikelen over negentiende-eeuwse Nederlandse componisten lijken meestal variaties op het thema van de vergetelheid, waarbij de schrijver probeert overdreven chauvinistische trots, misplaatst anti-chauvinisme en een zeker schuldgevoel met elkaar in harmonie te brengen. Ook ik wist tot voor kort niet veel meer, dan dat Brandts Buys de naam is van een bekende muzikantenfamilie van organisten, dirigenten, musicologen en componisten, uit de omgeving van Zutphen en Deventer. Een van hen, wist ik, heette Jan, geboren ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw en zoon van Marius Brandts Buys Sr., 'stadsmuziekmeester' te Zutphen. Jan was een uitstekend organist en pianist en verhuisde op latere leeftijd naar Oostenrijk, waar hij zich voornamelijk wijdde aan het componeren. Ik hoorde ooit een paar liederen en twee mooie serenades voor strijkkwartet: de zonnige Sizilianische en de impressionistisch beinvloede Romantische. Verder reikte mijn kennis niet.

BUITENLAND

Het speurwerk dat ik voor dit verhaal verrichtte, leverde niet veel meer op. Waarom wilde hij bij voorbeeld zo graag naar het buitenland?

Het ging hem in Nederland voor de wind. Vanaf zijn zesde componeerde hij al pianowerkjes voor jarige familieleden. Hij speelde voortreffelijk orgel en piano. Zo goed zelfs dat hij al op zijn twaalfde onvoorbereid de beroemde Poolse violist Henryk Wieniawski kon begeleiden toen diens pianist vlak voor een concert in Zutphen ziek werd. Hij werd als vijftienjarige benoemd tot vaste organist van de Broederenkerk, op voorwaarde dat hij niet in de naburige Walburgkerk zou spelen, omdat hij te veel luisteraars met zijn spel daar naartoe lokte.

Brandts Buys zou zonder probleem een plaats hebben gevonden in het Nederlandse muziekleven. Dat hij toch weg wilde, had volgens zijn broer Marius echter een duidelijke reden. In een in memoriam uit 1934 in het Orgaan van de Nederlandsche Toonkunstenaarsvereenigingen onthult hij slechts een tipje van de sluier (kennelijk leefden de 'schuldigen' nog). Jan wilde graag een paar jaar in het buitenland studeren, maar het geld daarvoor ontbrak. Dankzij de uit Zutphen afkomstige minister Mackay kreeg hij een kleine rijksstudiebeurs. Dit bedrag probeerde hij aan te vullen met een beurs van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Die werd hem echter geweigerd. “De werkelijke redenen van deze weigering hoop ik nog eens ter betere kennis van Nederlandsche muziektoestanden en dito musici voor de toekomst vast te kunnen leggen,” schrijft Marius. “In deze weigering ligt een van de redenen, waarom Jan zijn vaderland den rug toekeerde en naar middelen zocht om zich voor goed in het buitenland te vestigen.” Later bleek dat Jan de beoordelingscommissie van Toonkunst gewezen had op grote fouten in de examenopgaven, en dat zinde haar niet.

Brandts Buys studeerde uiteindelijk toch twee jaar aan het Raffconservatorium in Frankfurt. Hij schnabbelde wat bij met het maken van harmonisaties en voor- en naspelen bij Gezangen van de Hervormde Kerk. Daarna keerde hij terug naar Zutphen. Maar het buitenland bleef hem lokken. Niet alleen omdat Brandts Buys genoeg had van het kleinburgerlijke Nederlandse muziekleven. Het was ook zijn aard. In een brief aan zijn broer schreef hij later: “Mettertijd krijg ik iets van Ahasverus, ik vind nergens rust.”

Dankzij de muziekredacteur van Het Vaderland kon hij in 1892 naar Wenen vertrekken, als muziekcorrespondent voor de krant. Veel heeft hij niet geschreven, want al gauw verdiende hij zijn geld als pianist en als redacteur van de muziekuitgeverij Universal Edition. In november 1894 schrijft Brandts Buys aan zijn zus Marie: “Overigens ben ik voor de meeste muziek die hier in Weenen verschijnt zoo'n laatste revisor; en voor de grootste uitgevers zoek ik uit de vele zaken die ingezonden worden dat uit, waarmee zaken te doen zijn, wat niet bizonder prettig is, daar er massa's komposities komen zonder slot noch val.”

Een Nederlandse componist op 36-jarige leeftijd muziekbons te Wenen. Hij is niet meer teruggekeerd naar Nederland, 'het land waar ik altijd heen wil, maar dat voor mij gesloten is'. Jarenlang woont hij op verschillende plaatsen in de buurt van Wenen, altijd aan de rand van de stad, verwijderd van het dagelijkse muziektumult. In 1928 verhuist hij, met zijn vrouw Anna, voor het laatst, naar Salzburg waar hij in 1933 sterft. Hij leefde toen al vele jaren van de royalties die hij kreeg voor de uitvoeringen van zijn orkestwerken, liederen, pianostukken, kamermuziek en opera's.

KLUCHT

Komende vrijdag wordt in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht een concertante uitvoering gegeven van zijn meest succesvolle opera, Die Schneider von Schonau. Dit werk ging in 1916 in Dresden in premiere, een jaar later gevolgd door een opvoering in Wenen, met niemand minder dan Lotte Lehmann in de hoofdrol. De Nederlandsche Opera voerde het werk in datzelfde jaar uit, aan het begin van haar tweede seizoen. Een slappe Nederlandse vertaling, getiteld De Kleermakers van Marken, maakte echter van de komische opera een flauwe Volendamse klucht.

Daarna verdween Die Schneider in Nederland van het repertoire, in 1952 zond de AVRO het nog een keer uit op de radio, opnieuw in een Nederlandse vertaling. Tegenover die twee uitvoeringen in Nederland staan meer dan duizend voorstellingen van Die Schneider in buitenlandse theaters. Een recensent van het Zeitschrift fur Musik bericht in 1925 dat het publiek in Koblenz meer gecharmeerd werd door de opera van Brandts Buys dan door Verdi's Falstaff.

Die Schneider von Schonau, op een libretto van Bruno Warden en J.M. Welleminsky, is een goed voorbeeld van Brandts Buys' talent als componist. Helaas heb ik alleen een uittreksel van de partituur bemachtigd waarin het orkest is 'samengevat' in een pianopartij. Uit diverse kritieken blijkt dat Brandts Buys een uitstekende orkestrator was. Bij Universal Edition had hij een goede leerschool in het maken van 'piano-vertalingen' van bekende concerten en symfonieen - een gebruikelijke manier om orkestwerken bereikbaar te maken voor de huiskamer toen de grammofoon nog geen gemeengoed was. Voor het oordeel over Brandts Buys' instrumentatiekunst moeten we maar vertrouwen op een Duitse criticus die na de premiere van Die Schneider schreef: “De vloeiende lijnen waarin de muziek de handeling volgt, samen met de intieme, rijke en doorzichtige orkestklank en de frisse manier waarop de zangstemmen worden gebruikt, spreken een luisteraar heel direct aan.”

Uit het klavieruittreksel is af te lezen hoe de componist zijn werk heeft geconstrueerd. Brandts Buys houdt van een hechte vormgeving. De scenes hebben telkens een toonsoort, die als een toneelbelichting de sfeer van ieder muzikaal 'hoofdstuk' overheerst. Daarbinnen voegen korte modulaties of akkoordvreemde tonen als een soort spotlights hun eigen kleur toe aan de belichting. De componist lijkt zich de woorden van musicoloog Richard Specht in Die Musik te hebben aangetrokken. De stijl vertoont een grote compactheid en is zeker niet breedsprakig.

Het springerige hoofdthema in het korte voorspel, gebouwd op een fundament van twee kwarten, keert later in steeds wisselende vorm terug. De muziek, puntig, vaak komisch en bijna altijd eenvoudig, gaat met opzet niet veel dieper dan de oppervlakkige gedachten van de personages. De kleurrijke, soms scherpe akkoorden verraden de onderliggende betekenis of een dubbele bodem, of ze zijn een impuls voor de vaart in de handeling. De melodieen volgen ongekunsteld uit de tekst en stellen niet te hoge eisen aan de zangers, die daardoor hun acteertalent goed tot hun recht kunnen laten komen. Want veel hangt in Die Schneider af van de kwaliteit van het acteren, vooral van de timing. Vandaar dat de Duitsers het genre een 'komische Spieloper'

noemen.

BLINDEMANNETJE

In Die Schneider dingen drie kleermakers uit Schonau naar de hand van de rijke, jonge weduwe Veronika uit het naburige Liebenzell. In hun ijver vergeten ze de vierde gegadigde: de zwerver Florian. Deze losbol laat zich eerst een fraai kostuum aanmeten in een door hem bedachte wedstrijd: de kleermaker die het mooiste pak maakt, trouwt met Veronika. De strijd eindigt onbeslist, maar Florian is wel voor het eerst goed gekleed. Vervolgens laat hij de kleermakers blindemannetje spelen. Wie Veronika vangt mag haar huwen. Terwijl de kleermakers tastend rondgaan, sluipt Florian met Veronika de kerk in en trouwt met haar. Als ze het verraad bemerken, storten de kleermakers zich woedend op Florian. Maar nog net op tijd grijpt Christian, burgemeester van Liebenzell, in: Wer mutig nie Gewagtes wagt, Wer frohlich nie Gesagtes sagt, Wer unbekummert an sich glaubt Dem kranzt das Gluck zuerst das Haupt.

Het verhaal is een parodie op Die Meistersinger. Christians wijze les aan het slot lijkt op die van Hans Sachs uit de opera van Wagner.

Brandts Buys schreef daarom aan het slot muziek in een soort goedmoedige karikatuur van Wagners stijl. Voor Marius Monnikendam was dat voldoende aanleiding om in zijn boek Nederlandse componisten van heden en verleden over deze opera te schrijven: “In dit werk wordt zulk een rijke tol betaald aan de Meesterzangers van Neurenberg -, dat deze opera even goed langs de zuidelijke Rijnoevers, dan te Zutfen - de plek waar eens de wieg van deze componist stond - ontstaan had kunnen zijn.”

Een fraai voorbeeld van Brandts Buys' lyrisch-schilderende gaven is het begin van de tweede akte, waarvan hier de muziek is afgedrukt (uit de partituur die in 1952 gebruikt moet zijn door de sopraan Aukje Karsemeyer-de Jong, die voor de AVRO de rol van Veronika zong. Alleen haar partij is voorzien van een Nederlandse 'vertaling'). De muziek is gecompliceerder dan in andere delen van de opera omdat zij Veronika's twijfels moet uitbeelden. De jonge weduwe zit tobbend in de tuin en moet bekennen dat ze eigenlijk van geen van de drie kleermakers houdt.

Even later zullen haar gedachten afdwalen naar de mooie Florian. De muziek is vanaf het begin instabiel. Er zijn vreemde elementen toegevoegd, tonen (ais en fisis) die niet passen in de toonsoort. Van een eenduidige toonsoort is in het hele fragment geen sprake, cis-klein wordt aangestipt, maar ook gis-klein, E-groot, B-groot. De zwalkende toonsoorten en de akkoordvreemde tonen die daaruit voortkomen, geven uitdrukking aan Veronika's onbestemde gedachten.

De emoties in de instrumentale introductie worden steeds heftiger, poco a poco crescendo. Het korte motief waarop dit voorspel is gebaseerd herhaalt zichzelf, steeds op een hogere toon (gis, b, dis, fis). Het hoogtepunt wordt bereikt als het doek opengaat. Het volume zwelt aan tot fortissimo, als een diepe zucht van Veronika, en er wordt fors gemoduleerd. Dan begint Veronika met haar wankelende melodie. Ze struikelt op de laatste lettergreep van 'entscheiden', waar ineens een bis verschijnt. Op 'Leiden' is ze terug bij de b, een overgang van majeur naar mineur die het contrast tussen 'Lust und 'Leiden' weergeeft en Veronika's grote verdriet verraadt. Bovendien maakt de componist zo een muzikale verbinding tussen de rijmwoorden en de zinsdelen. De melodie wordt springerig als Veronika vertelt over haar weifelende hart. Dat hart is ook te horen in het begeleidingsmotief in de linkerhand van de piano. Heel fraai zakt de orkestklank weer naar de diepte op de iets langer aangehouden eerste noot van 'hin... und her'. Een van de drie moet het worden, zingt Veronika en de muziek schiet in onrustige loopjes van hoog naar laag en terug. De a op 'ganz' vormt het muzikale hoogtepunt van het hele fragment. Dit is het belangrijkste woord. Veronika vindt de kleermakers weliswaar keurige en aardige heren, maar ze aarzelt juist omdat ze van geen van hen houdt met heel het hart. Nog een keer verandert de toonsoort dramatisch. Daarna zwijgt zelfs het orkest en in totale ontreddering prevelt Veronika een melodie zonder houvast: kannst du mir kein Zeichen senden was ich tuen soll.

De componist blijkt in dit fragment met zijn muziek de stemming, de betekenis van de woorden en de handeling heel subtiel te hebben geschilderd, zonder overdrijving en in een persoonlijke stijl.

Ik zal het nog een keer zeggen: deze prachtige muziek werd geschreven door Jan Brandts Buys: Nederlands componist, 1868-1933. Laten we afspreken dat we hem niet meer vergeten.