Verregaand leugenachtig

Wie een verzekering afsluit moet de verzekeringsmaatschappij nauwkeurig op de hoogte stellen van alle omstandigheden die voor de maatschappij van belang zijn om de aard en de omvang van het risico te beoordelen. Dat is logisch want de aard en de omvang van het risico zijn bepalend voor de hoogte van de premie. Wie een dak van stro heeft, betaalt meer premie voor de brandverzekering dan degene die onder pannen zit. En de premie voor een buskruitfabriek is vermoedelijk hoger dan die voor een hoedenatelier.

Er zijn ook risico's die helemaal niet of nauwelijks te verzekeren zijn. Zo zal iemand die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte moeilijk dekking kunnen vinden voor ziektekosten die daarmee verband houden.

In de wet staat dat een verzekering 'nietig' is (ongeldig) wanneer bij het aangaan daarvan relevante omstandigheden verzwegen worden. Dat is een zware straf. Het gevolg kan bij voorbeeld zijn dat iemand zijn ziektekosten niet vergoed krijgt, ook al hebben deze niets te maken met de verzwegen ongeneeslijke ziekte. In de praktijk blijkt dat niettemin de verleiding groot is om af en toe iets te 'vergeten' of mooier voor te stellen dan het in werkelijkheid is. De verzekeringsmaatschappijen proberen dit tegen te gaan door uitgebreide vragenformulieren voor te leggen aan iedereen die een verzekering wil afsluiten. Wie niet invult wordt niet verzekerd, wie verkeerd invult betaalt premie voor een 'nietige' verzekering, zo is de gedachte. En dat is weggegooid geld.

Maar ook dit systeem blijkt niet waterdicht te zijn. Een van de moeilijkheden is dat verzekeringsmaatschappijen zich op grote schaal bedienen van tussenpersonen, die al of niet in dienst zijn van de maatschappij. De tussenpersoon krijgt provisie voor iedere verzekering die hij afsluit. En dan ziet u het al gebeuren. Een fidele, klantgerichte tussenpersoon die het strooien dak of de levercirrose wegwuift als een onbelangrijk detail dat voor de maatschappij niet van belang is, verdient meer dan zijn zwaartillende collega. Illustratief is een geval dat kort geleden tot een arrest van de Hoge Raad leidde.

Meneer en mevrouw stappen naar een verzekeringsagent - werknemer van een verzekeringsmaatschappij - met de bedoeling een verzekering af te sluiten op elkaars leven. Zij worden vriendelijk ontvangen. Op de vraag of ze nog iets onder de leden hebben antwoordt mevrouw: 'Nee, alleen leukemie'. 'Oh', zegt de agent en schrijft op: 'Toen zij twee jaar oud was is de milt weggehaald'. (Dat was ook zo.) 'Verder geheel gezond'. (Dat was dus niet zo). 'En die leukemie dan?' vraagt mevrouw angstig. 'Maakt u zich niet ongerust mevrouw, dat zit wel goed', glimlacht de vriendelijke agent, en mevrouw voelt zich al genezen.

Opgelucht zet zij haar handtekening naast die van meneer onder het formulier.

Twee jaar later is mevrouw dood. Meneer claimt de in het vooruitzicht gestelde 75.000 gulden. De rechtbank ziet daar niets in en wijst de vordering af, maar het gerechtshof denkt er in hoger beroep anders over. De verzekeringsmaatschappij wordt geacht te weten wat aan de agent-werknemer is meegedeeld. Dus van verzwijging is geen sprake. Dat lijkt mij juist. Maar dan komt iets verrassends. Meneer en mevrouw hebben een formulier ondertekend waarop een 'verregaand leugenachtige'

verklaring stond. Dat is schandelijk. Meneer krijgt dus geen 75.000 gulden maar 37.500 gulden!

Geen verzwijging dus, wel een verregaand leugenachtige verklaring. Voor deze inventitiveit van het Hof kan men slechts bewondering hebben. De maatschappij laat het er niet bij zitten en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Meneer hoort niets te krijgen! Maar meneer doet bij de Hoge Raad ook een duit in het zakje. Hij wil het hele bedrag van 75.000 gulden. Men kan zich voorstellen hoe de edelhoogachtbare heren en dames van de Hoge Raad hebben zitten genieten van dit stukje rechtsdogmatiek. Is het nu alles of niets, of heeft het Hof gelijk? Het Hof heeft in principe gelijk, zegt de Hoge Raad. Juist is dat de maatschappij via haar werknemer wist wat zij weten moest. Als zij dan toch de verzekering afsluit zijn de gevolgen voor haar risico. Aan de andere kant hebben meneer en mevrouw door hun 'verregaand leugenachtige' verklaring de 'pre-contractuele goede trouw' geschonden. Daarmee hebben zij zoveel verwarring gesticht bij de acceptatie-afdeling van de maatschappij dat meneer naar redelijkheid en billijkheid geen aanspraak kan maken op een volledige uitkering. En als het Hof zegt dat het de helft moet zijn dan is dat mooi uitgerekend. Met het cijferwerk houden wij ons niet bezig.

    • P. van Schilfgaarde