'Verkeerde aanpak Europese munt'

TILBURG, 12 APRIL. Europa pakt de vorming van een gemeenschappelijke munt verkeerd aan waardoor de kosten onnodig hoog zullen zijn. Dat is de boodschap van de Amerikaanse econoom prof dr. P.B. Kenen, adviseur van onder meer het Amerikaanse stelsel van centrale banken.

Kenen, die op uitnodiging van de Tilburgse hoogleraar prof dr. J.J.

Sijben gisteren in Nederland was voor de Bosman-lezing, kijkt als niet-Europeaan “verbaasd en verontrust” naar de Europese pogingen tot een munt en een overkoepelende centrale bank te komen. Kenen: “Dat er een Europese munt moet komen is duidelijk, maar bij de huidige aanpak zet ik vraagtekens. In de Europese discussie is ook weinig aandacht voor de gevolgen voor de wereldeconomie. En die zullen niet gunstig zijn als men op de ingeslagen weg verder gaat”.

Kenen: “De lidstaten doen er nu al alles aan de onderlinge wisselkoersen stabiel te houden om te bewijzen dat een volledige koppeling mogelijk is. Met de sterker wordende D-mark zag je enige tijd terug dat andere landen de rente gingen verhogen om de koers van hun munt te steunen”. Volgens Kenen remt de hoge rente onnodig de economische groei en verhoogt een rentestijging de schuldenlast van overheden, terwijl die in een aantal landen juist verkleind zou moeten worden.

Kenen: “De hoogste prioriteit zou op het moment moeten liggen bij het beter in evenwicht brengen van de economieen, waarbij je wisselkoersaanpassingen op de koop toe neemt. Op die manier laat je de landen de komende paar jaar economisch naar elkaar toegroeien, waarna je in een klap de gemeenschappelijke munt invoert”.

Volgens de Amerikaanse hoogleraar, ooit adviseur van president Kennedy, moet de introductie van een gemeenschappelijke munt niet te lang worden uitgesteld: “Als je wacht totdat economische indicatoren als inflatie en schuldenlast op hetzelfde niveau komen, gebeurt er nooit iets. Je moet de sprong binnen vijf jaar wagen en je zult zien dat de introduktie van de gemeenschappelijke munt de economische afstemming extra stimuleert. Belangrijker dan de economische indicatoren is het politieke klimaat, zoals de bereidheid van ministeries van financien de monetaire politiek over te laten aan de centrale banken. Als dat klimaat verslechtert, gaan je kansen verloren”.

Het Europees Monetair Systeem (EMS), het stelsel van onderling binnen een smalle marge schommelende valuta, is volgens Kenen succesvol en toch geintroduceerd op een moment (1978) dat het economisch niet voor de hand lag, maar politiek mogelijk was.

Kenen heeft moeite met de manier waarop de gemeenschappelijk munt beheerd gaat worden, zoals vastgelegd in de ontwerp-statuten voor een Europese Centrale Bank. Kenen: “Dat wordt de meest onafhankelijke centrale bank in de gehele wereld, met nog meer vrijheden als de Duitse Bundesbank die nu als de onafhankelijkste geldt”.

De statuten van zowel de Bundesbank als die van het Amerikaanse stelsel van centrale banken staan onder controle van de nationale parlementen. Uiteindelijk zijn de bestuurders dus aan het parlement verantwoording verschuldigd, en terecht meent Kenen: “Zoals je oorlogen niet alleen aan generaals moet overlaten, zo moet je geld niet uitsluitend door bankiers laten beheren. Maar het statuut van de Europese Centrale Bank mist dat toezicht omdat de inhoud vastgelegd zal worden in een EG-verdrag. Dat geeft de bank een ongekende vrijheid”.

Omdat de bank een samenwerking tussen de centrale banken van de lidstaten zou zijn, wordt wel de vergelijking getrokken met het Amerikaanse stelsel van centrale banken (Fed). “Die vergelijking gaat echter op veel punten mank” zegt Kenen. “Zo is de Amerikaanse Fed alleen een overkoepelend orgaan zonder eigen geldmiddelen. Alles wordt uitgevoerd via de deelnemende banken in het land. De Europese Bank wil eveneens via de bestaande centrale banken opereren, maar zal daarnaast ook uit eigen middelen acties ondernemen. Het is meer dan een vergaderplaats. Daarom zien Londen en Frankfurt zich zo graag als vestigingsplaats”.

Terwijl de munt dus uiterst centraal beheerd gaat worden, willen de lidstaten de begrotingspolitiek hoofdzakelijk op nationaal niveau voeren. Kenen: “Dat is begrijpelijk omdat de overheden hun monetaire politiek uit handen geven en dus de begroting overhouden om de economie te sturen. Des te moeilijker zal het worden de begrotingspolitiek te coordineren”.

Op mondiaal niveau verwacht Kenen een terugslag voor de mogelijkheden van monetaire politiek. Zoals op het moment de Europese besluitvorming wordt geremd door Duitsland dat bezig is met de opbouw van zijn eigen nieuwe structuren, zal in de toekomst Europa vooral met zichzelf bezig zijn. Kenen: “De eerste jaren na de creatie van een Europese munt zal Europa de prioriteit liggen bij de eigen monetaire stabiliteit en zich neerleggen bij grotere koerschommelingen ten opzichte van de dollar en yen. Dat is de prijs die de wereldeconomie zal betalen”.