Verdriet om een heks; De ongelukkige liefde van Valeri Brjoesov

Valeri Brjoesov: De vuurengel. Vert. en nawoord Jos van Damme. Uitg. De Wereldbibliotheek, 356 blz. Prijs (f) 39,50

Valeri Brjoesov leefde van 1873 tot 1924. Hij werd geboren in Moskou, studeerde aldaar geschiedenis, en richtte in Rusland de symbolistische beweging op. Hij was een uiterst vruchtbaar dichter, hij schreef ook essays, recensies, verhalen en romans. Het merkwaardige is dat het allereerste college dat ik ooit liep bij Karel van het Reve aan dit werkpaard gewijd was. Ik herinner mij nog goed hoe Van het Reve voordeed hoe Valerie Brjoesov een hand placht te geven. Helaas kan ik mij niet herinneren of Van het Reve ook iets vertelde over de roman De Vuurengel die thans in een vertaling van Jos van Damme bij de Wereldbibliotheek is verschenen.

De historische roman De Vuurengel verscheen voor het eerst in een tweedelige uitgave te Moskou in 1908. Je kunt je afvragen waarom het werk nu in Nederlandse vertaling verschijnt. Het boek heeft namelijk geen beste pers. In Kindlers Literatur Lexikon wordt ervan gezegd dat de roman inhoudelijk onder het gemiddelde niveau van zijn genre blijft. Voorts dat de 'kompilatie van motieven uit de Faust-sage, uit Goethe's Faust en eigen invallen van de auteur een serie bedenkelijke literaire passages oplevert'. Ook is Kindler van mening dat het werk 'geen afgerond tijdsbeeld' geeft en dat het vermoeiende in lascief-geaffecteerde taal geschreven liefdesscenes bevat.

Omdat Prokofjev deze roman omwerkte tot een libretto en vervolgens op dat libretto zijn prachtige opera De vurige engel componeerde, geven ook bijna al Prokofjevs biografen hun veelal weinig gunstige oordeel over Brjoesovs Vuurengel. Harlow Robinson bijvoorbeeld noemt het werk in zijn Prokofjev-biografie 'an overwrought picaresque tale of a sadomasochistic menage a trois'. Omdat ik uit alle Prokofjev-biografieen aldus een weinig gunstig beeld had gekregen van De Vuurengel begon ik het boek zonder enige verwachting te lezen. Vrij snel werd ik echter gepakt door het verhaal en ik kan niet anders zeggen dan dat ik het boek geboeid gelezen heb en er, ook al hadden die passages over Faust en de Mefistofeles zeker gemist kunnen worden, toch danig van onder de indruk ben geraakt. Het is namelijk heel mooi en levendig geschreven. Al wat Ruprecht, de hoofdpersoon die in de ik-vorm zijn verhaal vertelt, je meedeelt zie je voor je. Hij heeft, of liever Brjoesov heeft steeds goede beelden bij de hand en het mooie poetische taalgebruik verraadt toch de hand van een dichter. Uiteraard heb ik weinig op met al die kloppende demonen die deze roman bevolken, en ook de figuur van de vuurengel Madiel blijft bepaald schimmig, maar wat Brjoesov wel goed gelukt is, is de beschrijving van de half-ongelukkige liefde van Ruprecht. Door die beschrijving schemert de autobiografische achtergrond van dit werk heen. Brjoesov was namelijk verliefd op de Russische dichteres Nina Ivanovna Petrovskaja, die op haar beurt weer een verhouding had met de dichter Andrej Bjely.

Ook Bjely komt voor in de roman als graaf Heinrich. En Nina Ivanovna treedt in de roman op onder de naam Renata.

Welnu, op deze Renata wordt Ruprecht verliefd op het moment dat hij haar voor het eerst ziet. Maar zij denkt alleen aan haar Heinrich en duldt Ruprechts slechts naast haar als beschermer en helper. Ruprechts gevoelens voor Renata worden voortreffelijk geanalyseerd. Zijn wanhoop, zijn depressieve stemmingen, zijn momenten van groot geluk en zijn fatale gebondenheid aan Renata heeft Brjoesov kleurrijk en indringend beschreven en al lezend besef je steeds: dit berust op eigen ondervinding, hier beschrijft iemand zijn eigen lijden. Het is jammer dat Brjoesov de meesterlijke beschrijving van zo'n fatale gebondenheid verpakte in een veel te lang uitgevallen historische vertelling vol rimram over astrologie, mystiek, argonauten, dwaas bijgeloof en vol met kinderlijk aandoende uitweidingen over demonen die op ongelegen momenten contact zoeken via klopsignalen. Ook het slot van de roman, waarin Renata als heks veroordeeld wordt, maar sterft voor men haar heeft kunnen vonnissen, is veel te melodramatisch, maar ook daar schemert toch steeds dat autobiografische element door. Ook daar voel je dat Brjoesov zijn eigen verdriet om Nina Ivanovna, historisch verpakt, in het geheugen van de lezer brandt.

Wat de roman extra interessant maakt, is natuurlijk het feit dat een van de twee of drie grootste componisten van deze eeuw er een opera uit destilleerde. Wie de roman leest, begrijpt beter waarom Prokofjevs opera een nogal statische, fragmentarische en als drama weinig overtuigende indruk maakt. Hierbij dient wel aangemerkt te worden dat de muziek, hoe zou het bij Prokofjev ook anders kunnen, schitterend is. Maar het libretto is zwak en dat komt omdat Prokofjev te veel elementen uit de roman handhaafde, waaronder die kloppende demonen.

Prokofjev veranderde wel het slot. In de roman sterft Renata voor zij op de brandstapel gezet kan worden; in de opera staat Ruprecht op een balkon en hoort hij hoe de Inquisitor zegt: “Martel haar onmiddellijk, verbrandt de heks.” Daarna valt het doek. Allicht is dat dramatischer dan het slot van Brjoesovs boek, maar het is vreemd dat Prokofjev na die laatste woorden van de Inquisitor nog zes maten muziek geeft en dan dadelijk het doek laat vallen. Dat is een anti-climax. Toch vloeit die anti-climax ook weer voort uit het boek zelf. Had Brjoesov een bevredigend slot geschreven, dan zou Prokovjev dat hebben overgenomen, en was ons die anti-climax bespaard.

Vertaling en nawoord zijn van Jos van Damme. Het nawoord is boeiend en informatief; de vertaling kan ik niet beoordelen, want ik ken geen Russisch. Maar het Nederlands van Jos van Damme is sierlijk en poetisch. Soms lijkt het alsof de roman geschreven is door een bevlogen Maarten Biesheuvel.