Schatrijk worden in je tuinstoel; De fantasie van Julio Cortazar

Julio Cortazar: Reis om de dag in tachtig werelden. Vert. door Barber van de Pol. Uitg. Meulenhoff, 319 blz. Prijs (f) 55,-

Reis om de dag in tachtig werelden van Julio Cortazar is niet het verslag van een tocht, maar een koffer vol paperassen; een bonte verzameling van verhalen, anekdotes en essays. Het is een boek met een rug maar met tachtig gezichten waarin op fabelachtige wijze door ruimte en tijd wordt gereisd. En zoals dat hoort hebben de reizen hun visuele sporen achtergelaten; in dit geval geen wildgroei van labels en stickers maar een wonderlijke verzameling van illustraties die de teksten verlevendigen en becommentarieren.

Het boek, dat mooi vertaald is door Barber van de Pol, is geschreven in Saignon, een dorpje in de Provence, waar Cortazar een huisje bezat, tijdens een van de vele werkvakanties die hij daar doorbracht.

Regelmatig loopt Adorno, de wilde poes, door het boek, of komen er vrienden op bezoek. Van hier uit onderneemt Cortazar zijn 'reis om de dag'. Hij beschrijft hoe men door het territorium van Perq reist in wagens op hobbelige wielen; hoe de vingers van Thelonious Monk op safari gaan over de toetsen van zijn piano; hoe je een schaduw kunt kleden; hoe de geur van lichte tabak hem terugvoert naar een genotvolle nacht; hoe een meisje op het dorpsplein haar fiets berijdt; hoe een fletse man, Gomez genaamd, een vierkante meter land koopt om zijn tuinstoel neer te zetten en vervolgens schatrijk wordt.

Een historisch document is de prachtige beschrijving van een concert door Louis Armstrong omdat daarin voor het eerst de cronopio's verschijnen, de beroemde fabelwezens: “Een wereld die was begonnen met Picasso in plaats van ermee te eindigen, zou een wereld uitsluitend voor cronopio's zijn, en op alle hoeken zouden de cronopio's de hoela en de tralala dansen terwijl Louis boven in een lantaarnpaal, urenlang grote stukken stroopzoete, frambooskleurige ster uit de hemel zou losspelen, tot dolle pret van de kinderen en de honden.”

Het mooiste verhaal heet simpelweg 'De Reis'. Het speelt zich af in een stationnetje waar een echtpaar verstrikt raakt in de voorbereidingen. Tijdens het uitstippelen van de reis, de tijden, de overstappunten, halen ze de plaatsnamen door elkaar. Het wordt allemaal heel verwarrend. Aan het eind van het verhaal gaan ze toch nog met de goede kaartjes op weg. Er is niets gebeurd en er is niets fout gegaan, maar de lezer blijft achter met een gevoel van onheil, twijfelend of zij ooit hun reisdoel zullen bereiken.

BONT TAPIJT

Cortazar typeert zelf het boek als een 'wandeling van de kameleon op het bonte tapijt' en als een verzameling “uitnodigingen tot een verplaatsing waarin het gewone niet meer geruststellend is omdat niets gewoon is als je het aan een stil, gestaag onderzoek onderwerpt.” Die uitnodigingen tot een verplaatsing worden vaak heel verleidelijk gedaan. Vriendelijk worden we uitgenodigd om plaats te nemen in het voertuig van het verhaal dat de eerste alinea kalm aflegt en dan ineens, whoosh, suizen we door de dalen en over de heuvels van het verhaal dat een achtbaan blijkt te zijn.

In het verhaal 'Over handschriftkunde' bedenkt een man dat het met de lijnen van een handschrift misschien net zo gesteld is als met de groeven van een grammofoonplaat. Neem bij voorbeeld het handschrift van Napoleon. Al wat je hoeft te doen is met de punt van een pen de lijnen van zijn handschrift af te tasten om zijn karakter te vertolken en zijn lotsbestemming deelachtig te worden. En hopla, daar verschijnt de adelaar van Austerlitz in het moderne Parijs. Binnen de kortste keren zorgt zijn charisma voor een legertje van aanhangers dat almaar groter wordt. Verbijsterd zien de autoriteiten hoe de opstand uitbreekt en hoe de Keizer de hoofdstad op stelten zet.

In het verhaal 'De diepste streling' wordt in de eerste alinea heel nonchalant opgemerkt: “Het is waar, hij had tot dan toe geen enkel probleem gehad en al leek dat het allermerkwaardigst, eigenlijk piekerde hij alleen over het feit dat zijn ouders en zussen niet in de gaten hadden dat hij overal tot zijn ellebogen in de grond zat.”

Vervolgens wordt dit gegeven snel en logisch uitgewerkt. Na een paar pagina's bevindt hij zich geheel onder de grond, en wel precies onder de schoenzolen van zijn verloofde die op een hoek van de straat ongeduldig op hem staat te wachten.

In een aantal heldere essays die in het boek zijn opgenomen gaat Cortazar dieper in op de verhouding tussen het gewone en fantastische.

Volgens hem bestaat er een soort gentlemen's agreement tussen de normale omstandigheden en hen die daarvan afhankelijk zijn: als jij mij niet in de war brengt dan zal ik jou niet ter discussie stellen.

Hij heeft daar zelf grote moeite mee: “Ik leef en schrijf in de bedreiging van dat terzijde-staan, die ware parallax, het feit dat je je altijd een beetje te veel naar links of naar achteren bevindt ten opzichte van de plaats waar je zou moeten zijn om te bewerkstelligen dat alles bevredigend stolt tot weer een nieuwe dag zonder conflicten.”

De vraag hoe je dit soort ervaringen kunt verwerken in verhalen wordt door hem uitvoerig behandeld in het essay 'Over het korte verhaal en omstreken'. Zijn vertrekpunt is een stelling van Quiroga: “Vertel het verhaal alsof het alleen van belang is voor de kleine kring van personages, waarvan jij er een had kunnen zijn.” Het idee van de kleine kring spreekt hem zeer aan, omdat het de gesloten vorm van het verhaal definieert, zijn bolvormigheid. En het idee dat de verteller een van de personages kan zijn, spreekt hem ook erg aan, omdat het betekent dat de narratieve situatie binnen in de bol moet ontstaan en zich in een beweging van binnen naar buiten moet ontwikkelen, en niet van buiten naar binnen als wanneer je de bol uit klei zou boetseren.

COULISSEN

Cortazar heeft zich altijd geergerd aan die verhalen waarin de personages in de coulissen moeten wachten terwijl de verteller details of verwikkelingen uitlegt. Wat een goed kort verhaal kenmerkt is zijn autarkie; het moet zich losmaken van zijn auteur zoals een zeepbel een pijp loslaat. Verhalen zijn levende wezens, complete organismen die ademen. Zij ademen en niet de verteller. De voor de hand liggende vraag “of er dan geen communicatie tussen schrijver en lezer plaatsvindt?”, is volgens Cortazar simpel te beantwoorden: “de communicatie werkt vanuit het verhaal en niet door middel van het verhaal.”

Wat ik vooral interessant vindt zijn de opmerkingen over de verhouding tussen het normale en het fantastische in een verhaal. Cortazar wijst met klem op de noodzaak om het fantastische in het normale te situeren. Want als dat te weinig gebeurt dan krijg je een makkelijk soort mysterie; een schurk die op het laatste moment door een uit de schoorsteen komende hand wordt gewurgd. En als het fantastische totaal niet wordt gesitueerd of ingebed in het normale dan krijg je een soort full-time vreemdheid die spanningsloos is bij gebrek aan contrast. De ontwikkelingen verliezen hun dwingende, onafwendbare karakter. De lezer voelt dat er net zo goed iets anders raars had kunnen gebeuren.

In beide gevallen is er niet genoeg sprake van een wederzijdse doordringing, een osmose van normale en fantastische gegevens. Het buitengewone eist een normaal tijdsverloop, het moet de boventoon gaan voeren zonder de gewone structuren waarin het geplooid ligt te vervangen.

In het boek staan een aantal fantastische verhalen die geslaagde uitwerkingen van deze gedachten zijn. Het mooist is wat dit betreft de autobiografische anekdote die hij vertelt in 'Nachten in Europa's ministeries'. Cortazar heeft jarenlang als free-lance vertaler voor Unesco gewerkt. Daarbij leerde hij de regeringsgebouwen van Europa kennen; vooral 's nachts als er nog rapporten of toespraken moesten worden vertaald. In de pauzes maakte hij vaak een wandeling door de verlaten gangen, neusde een beetje rond en rookte een sigaret. Eens liep hij zo door een rechtsgebouw in Helsinki en kon hij het niet laten om een verontrustend teken van gene zijde achter te laten.

Hij schrijft: “Terwijl ik opnieuw door de grote zaal liep, zag ik een kaartenbak op een bureau en ik opende hem: alle kaarten waren wit. Ik had een blauwe viltstift en voor ik wegging tekende ik vijf of zes labyrinten en stopte die bij de andere kaarten; ik vind het leuk me voor te stellen dat een stomverbaasde Finse ooit op mijn tekeningen is gestuit en er misschien een memorandum de ronde doet, dat er functionarissen zijn die vragen stellen, secretarissen die onthutst zijn.”