Overlevende: overal lijken en vlammen

ROME, 12 april - Alessio Bertrand, een 23-jarig bemanningslid uit Ercolano, is de enige opvarende van de veerboot die de ramp van woensdagavond heeft overleefd. In het ziekenhuis deed Bertrand, nog half in shock-toestand, zijn verhaal.

“We waren allemaal naar de wedstrijd aan het kijken in de televisiezaal, behalve de commandant en de officieren, die op de brug waren gebleven. Barcelona-Juve was bijna afgelopen. We waren aan het praten, grapjes aan het maken, en toen ineens een enorme klap. Ik ben gevallen en weer opgestaan. Er waren overal vlammen. Door de rook kon je niet ademen. Iedereen schreeuwde en probeerde te ontsnappen. Ik heb een deur geforceerd met de hulp van twee collega's, ik weet niet meer hoe ze heetten. Een was uit Castellammare, de andere was Sardijn. Twee jongens zoals ik. We zijn erin geslaagd eruit te komen, maar buiten was een andere hel. Vuur, rook, mist. Je kon niets zien en we wisten niet wat we moesten doen, waar we heen moesten gaan. We zijn gaan bidden: God, waarom wij? Laat ze ons komen redden, God, red ons. We hielden elkaar bij de hand vast. Toen hoorde ik dat ze het niet meer volhielden. Ik heb ze zien vallen. Ik heb ze door elkaar geschud. Toen ik begreep dat ze aan het sterven waren heb ik mond-op-mond-beademing proberen toe te passen. Dat had geen zin meer. Ze zijn gestorven, gestikt. En ik bleef alleen achter op de achtersteven, met allemaal vlammen om me heen. Ik kon niet meer ademen, heb een hele tijd gehuild. Ik riep in het niets, schreeuwde om hulp. Ik heb over de lijken van dode makkers gelopen. Er waren alleen maar lijken en vlammen. En toen kon ik niet meer schreeuwen. De rook drong mijn keel binnen. Ik raakte mijn stem kwijt en kon niet meer ademen. Ik heb me vastgegrepen aan de reling. Hij brandde in mijn handen, maar ik kon hem niet loslaten, het was mijn laatste hoop. Ik was daar, met mijn arm die zoveel pijn deed dat ik er gek van werd, en ik bad. De hulptroepen heb ik niet eens zien komen. Te veel mist. En bovendien verwachtte ik ze niet meer. Ik was daar al bijna twee uur, toen ik een stem hoorde. Spring, riepen ze. Maar ik was bang. Ik kon niets zien beneden. Ik was bang op een dek te vallen en dood te gaan. Ze bleven roepen, toen heb ik mijn broek uitgetrokken om niet zwaarder te worden en ben ik gesprongen. Het water was ijskoud, ondanks de vlammen die er overal waren. Toen heb ik handen gevoeld die me eruit trokken...”