Leo Perutz tussen Wenen en Tel Aviv; Niemand hoort mijn mooie Duits

“Ich bin fur Europa ein forgotten writer”, schreef de joods-Oostenrijkse schrijver Leo Perutz in 1946 vanuit Tel Aviv, waarheen hij na de Anschluss was geemigreerd. In de jaren twintig was Perutz een van de bekendste Duitstalige schrijvers, al vonden sommige critici zijn romans te 'inhoudelijk'. Perutz' meeslepende historische roman Der Marques de Bolibar (1919) is nu opnieuw vertaald.

Leo Perutz: De Marques de Bolibar. Vert. Nelleke van Maaren. Uitg. De Arbeiderspers, 219 blz. Prijs (f) 39,90.

Op 10 september 1938 verlaat het passagierschip 'Marco Polo' de haven van Venetie met als bestemming Haifa. Kijkend naar de kustlijn tot die achter de horizon verdwijnt leunt een stevig gebouwde man met een groot kaal hoofd, waaraan een zwarte bril met zwaar montuur opvalt, tegen de reling. Hij pakt zijn notitieboekje en schrijft: 'Koel afscheid van Europa'. Leo Perutz (1882-1957), bekend joods-Oostenrijks schrijver van goed verkopende historische romans, reist met tegenzin naar Palestina; hij spreekt geen Ivriet en zionist is hij ook al niet, maar door de Anschluss van zijn land bij Hitler-Duitsland is emigratie onvermijdelijk geworden. Zijn boeken worden verbrand en de eerste de beste slagersjongen met een hakenkruis op zijn arm zou hem met een tandenborstel de straat mogen laten schoonpoetsen.

In Tel Aviv krijgt de familie Perutz vrij snel een woning toegewezen die men in oktober al kan inrichten met de uit Wenen overgekomen meubelen. Perutz weet dat hij geluk gehad heeft; enkele van zijn vrienden en vriendinnen ontkomen met veel meer moeite aan de nazi's.

Al gauw hoort hij dat een van zijn beste vrienden in Dachau is omgekomen. Een uitvoerige correspondentie moet Perutz uit het isolement verlossen waarin hij terecht is gekomen. Kennissen die in Zuid-Amerika een goed heenkomen hebben gezocht, Annie en Hugo Lifczis, krijgen gedaan dat enkele van zijn romans in het Spaans verschijnen, wat een hele troost is voor een schrijver die al enkele jaren door het verbod op zijn boeken niet meer van de pen kan leven. Net als vroeger in Wenen frequenteert hij in Tel Aviv koffiehuizen, hij schrijft graag te midden van veel lawaai omdat hij zich dan goed kan concentreren.

Tot zijn grote verbazing staat in mei 1939 een vertaling van een van zijn oude romans, Zwischen neun und neun (1916), in feuilleton in het in Tel Aviv gedrukte arbeidersdagblad. Niemand heeft hem hiervoor toestemming gevraagd. Even koestert Perutz de hoop dat hij nu in Palestina de draad van zijn schrijversbestaan weer kan opvatten, maar het blijft bij een publikatie. Ook in Europa lukt het niet meer. “Er bestaat geen groter ongeluk voor de mens dan plotseling in zijn eigen verleden terecht te komen. Pas goed op dat je niet omkijkt naar wat voorbij is want dan ben je verloren” - daarvoor wordt al in het vroege verhaal Das Gasthaus zur Kartatsche (1907) gewaarschuwd. Perutz zelf kan echter alleen nog maar in het verleden leven. Het heden heeft hem niets meer te bieden. Moedeloos schrijft hij in 1946 aan zijn oude vriendin Gerty Hanemann: “Ich bin fur Europa ein forgotten writer.”

SCHERVEN

Het contrast met de jaren twintig zou niet schriller kunnen zijn. In 1919 publiceerde hij een bestseller die voor het toneel werd bewerkt en binnen tien jaar twee keer werd verfilmd, Der Marques de Bolibar.

Van deze noodlotsroman verscheen onlangs bij De Arbeiderspers de Nederlandse vertaling als opmaat tot een Perutz-project. In De Marques de Bolibar bedrijft Perutz een vorm van archeologie van de ziel die zich tevreden stelt met het opgraven van scherven. Aan de lezer de taak om de pot te herscheppen. Enkele scherven ontbreken, leemtes moeten worden opgevuld; er ontstaan uiteenlopende reconstructies van het keramiek.

Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van Napoleons Spaanse veldtocht in 1812 en wordt verteld door de enige overlevende van die campagne, een luitenant wiens identiteit niet helemaal vaststaat. De man ontpopt zich als een uiterst onbetrouwbare verteller en blijkt tijdens het beleg van een stadje een dubbelzinnige rol te hebben gespeeld. Eigenlijk hoort de luitenant in de coulissen thuis, maar door toeval promoveert hij tot een van de hoofdschuldigen van de catastrofe die zijn eigen regiment treft. Een groepje officieren rondom de verteller raakt verstrikt in het eigen verleden door de verschijning van een vrouw die als twee druppels water lijkt op een vrouw die men vroeger met elkaar 'gedeeld' had. De officieren proberen de tijden van weleer te doen herleven, maar de vrouw is niet van plan hun spelletje mee te spelen. In hun frustratie hierover roepen de mannen hun ondergang over zichzelf af.

Een meeslepende avonturenroman met de nodige dubbele bodems is De Marques de Bolibar zonder meer, maar ook vertalingen van Der Judas des Leonardo (in 1959 postuum verschenen) en, naar ik hoop, Der schwedische Reiter, romans waarin gevoeliger snaren worden aangeslagen, zijn in het project opgenomen. In Nederland was de Nieuwe Rotterdamsche Courant er met de ontdekking van Perutz overigens vroeg bij; tussen 13 november en 21 december 1920 verscheen De Marques de Bolibar daarin als feuilleton.

Perutz was in de jaren twintig een van de bekendste Duitstalige schrijvers. De oplagen van de in die tijd toch al grote Berliner Illustrierten Zeitung stegen door de voorpublikatie van Wohin rollst du, Apfelchen. Het boek dat hij als zijn beste beschouwde, Der schwedische Reiter (1936), mocht in Duitsland echter al niet meer verkocht worden. Gelukkig verscheen in 1938 een Nederlandse vertaling, maar daar verdiende Perutz weinig aan.

PRIKKELDRAAD

In Tel Aviv droomt hij elke nacht van Wenen, een Wenen waar hij steeds verder van vervreemd raakt, en werkt hij aan twee romans tegelijk die zich afspelen in het Europa van eeuwen geleden. Aan een vriend schrijft hij in 1942: “Ik ben hard aan het werk, zeker, maar voor wie en voor wanneer? Heel andere dingen zal de wereld na de oorlog horen en lezen dan ik hier achter geestelijk prikkeldraad onder kwellingen produceer, verzin en in mooi Duits opschrijf. Met niemand kan ik over werkproblemen en ideeen praten.”

Zijn voorgevoel bedriegt hem niet; na de oorlog durft zelfs zijn vroegere Weense uitgever Zsolnay het niet aan om het Oostenrijkse en Duitse publiek met Perutz' prachtige, in Palestina voltooide roman Nachts unter der steinernen Brucke te confronteren. De reden is dat een deel van het boek zich in het Praagse getto afspeelt en belangrijke rollen weggelegd zijn voor de legendarische rabbi Low en de joodse geldschieter Meisl. Zsolnay vermoedt dat men aan zulke 'joodse' verhalen in Duitsland nog niet toe is. Enkele oude romans worden weliswaar herdrukt, maar dat gebeurt op zo'n incidentele basis dat je het het Duitse publiek nauwelijks kunt aanrekenen dat het Perutz over het hoofd ziet.

Tot zijn dood in 1957 pendelt Perutz tussen Tel Aviv en Wenen. Hij wordt een reiziger tussen twee werelden, niet thuis in de Levant en evenmin in Europa. Weliswaar vertoont hij zich bij Weense tussenstops graag in zijn voormalige 'tweede thuis', het beroemde Cafe Herrenhof, maar zijn stamtafel wordt nu door anderen bezet. Vooraanstaande Herrenhofianen zijn omgekomen in concentratiekampen of gestorven tijdens hun ballingschap. De overlevenden moeten wennen aan de nieuwe Perutz. Hij schuifelt wat op de achtergrond en lijkt geen behoefte meer te hebben aan de soms arrogante optredens uit zijn glorietijd, toen hij in Herrenhof resideerde en als een vorst avond aan avond de gesprekstof bepaalde of zelfs mensen uit zijn omgeving weerde. Zo moesten kelners een keer tussenbeide komen om de publicist Soyka van Perutz' hals te trekken. Perutz had hem publiekelijk een oorvijg verkocht. Over de aanleiding werd druk gespeculeerd, maar waarschijnlijk gingen de heren tot handtastelijkheden over omdat ze daar gewoon zin in hadden. Men wist in dit koffiehuismilieu heel goed hoe men, wanneer daar behoefte aan bestond, de krant moest halen.

Nadat Soyka uit Herrenhof was gezet, merkte Perutz dat hij diens lorgnet had afgerukt, hij hield het althans in zijn hand. Het krantenberichtje waarin dit voorval in geuren en kleuren beschreven werd kreeg als toevoeging een oproep aan de heer Soyka, zijn lorgnet ter redactie te komen ophalen; Perutz had geen zin om het hem persoonlijk te overhandigen.

Bij zijn persoonlijke omgang voer Perutz blind op zijn intuitie. “Ook de beste vrienden staan alleen maar naast elkaar in hetzelfde landschap”, zegt de tragische figuur uit Das Gasthaus zur Kartatsche.

Voor Perutz zelf betekende vriendschap veel meer. Iemand die hij niet mocht kon nog zoveel zinnigs te melden hebben, hij had er geen oren naar. Perutz kon heel gul zijn talent rondstrooien. Hij ondersteunde verschillende aankomende schrijvers en deed hun anekdotes voor verhalen cadeau.

BIOGRAFIE

In een opzicht is de Leo Perutz van na de Tweede Wereldoorlog dezelfde als voorheen; hij weigert interviews te geven. Eerder uit bescheidenheid dan uit hooghartigheid. Hij is typisch een schrijver die achter zijn oeuvre onzichtbaar wenst te blijven. Een respectabel standpunt, maar toch kan ook in Perutz' geval de biografie een extra lichtstraaltje op het oeuvre werpen. Zo lijkt me dat de oorlog zo niet de moeder dan toch minstens de vroedvrouw van zijn oeuvre is geweest.

De verhalen zijn opvallend vaak in het soldatenmilieu gelokaliseerd. Der Marques de Bolibar kan gelezen worden als de neerslag van Perutz'

ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. In 1916 overleefde hij aan het oostfront ternauwernood een longschot. Nadat hij was opgelapt moest hij weer zijn uniform aantrekken, maar toen kreeg hij een veiliger baantje, dat van censor bij het bureau van de correspondentie der krijgsgevangenen. Hier ontmoette hij de jonge Egon Erwin Kisch, de 'razende reporter', die in de jaren daarna tot Perutz' intimi zou gaan behoren en die zeer lovend over Der Marques de Bolibar schreef. Perutz krijgt in de jaren twintig regelmatig een goede pers. Kurt Tucholsky prijst hem herhaaldelijk zo uitbundig aan dat hij zich hiervoor op een gegeven moment bij zijn lezers meent te moeten verontschuldigen.

De literatuurwetenschap daarentegen negeert Perutz. Zijn boeken worden zo massaal gelezen dat ze dus wel datgene moeten missen wat de zogenaamde serieuze letterkunde, die misschien het best gedekt wordt door de karakterisering dat 'er niet staat wat er staat', zoveel minder verkoopbaar maakt. De publicist Alfred Polgar schrijft in 1924: “Perutz is geen literator. De inhoud van zijn boeken bestaat, om het zo maar eens te zeggen, uit pure inhoud.” Polgar bedoelt het niet zo denigrerend als het klinkt, maar wie zou zich na zo'n oordeel nog aan diepere gedachten over zulke 'inhoudelijke' boeken durven wagen?

De laatste jaren is in het spoor van de goed verzorgde heruitgave van alle romans bij de uitgeverijen Zsolnay en Rowohlt een Perutz-renaissance op gang gebracht die zelfs de literatuurwetenschap uit haar Doornroosjeslaap heeft gewekt. In de discussie mis ik echter aandacht voor wat ik zelf als een wezenlijk thema binnen zijn schrijverschap beschouw: het verlangen naar liefde, bij Perutz altijd met tragiek verbonden. Tegen beter weten in hopen zijn personages de opheffing van hun eenzaamheid bij een ander te vinden. In de roman St.

Petri-Schnee (1933) wordt van de hoofdpersoon verwacht dat hij ontkent ooit een verhouding met een bepaalde vrouw te hebben gehad. Herroept hij zijn verhalen niet, dan zal hij ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. De vrouw om wie het gaat oefent eveneens druk op hem uit; wanneer hij zijn beweringen niet intrekt beschadigt hij haar reputatie. De liefde moet ontkend worden zodat zij op een ander niveau, in het rijk der fantasie, eventueel kan voortbestaan. Dat is een schamele troost: de vrouw wordt er niet werkelijk mee gediend omdat zij hoogstwaarschijnlijk ongelukkig getrouwd is met een ander, en de eenzaamheid van de hoofdpersoon wordt door zijn opofferingsgezindheid alleen maar versterkt. Laat ik er meteen bij zeggen dat mijn benadering aan allerlei intrigerende aspecten van St.

Petri-Schnee geen recht doet. Zo laat ik bij voorbeeld de subtiel in de roman verwerkte kritiek op totalitaire systemen buiten beschouwing, terwijl die hoogstwaarschijnlijk een rol speelde bij de slechte ontvangst die het boek in het kort daarvoor nazi-bruin geworden Duitsland ten deel viel.

DOKTERSROMAN

Doordat Perutz de tragische liefde zo in het centrum van zijn werk plaatst lijkt hij soms gevaarlijk dicht het genre van de doktersroman te naderen. De grens met de triviale literatuur overschrijdt hij echter nooit. Soeverein mikt hij op het sentiment, zonder zelf sentimenteel te worden. Lijken zijn figuren soms een beetje bleek, dan is dat toch alleen zo voor lezers die gewend zijn aan psychologische romans waarbij de analyse tegelijkertijd meegeleverd wordt en die de voorgekookte oordelen van de schrijver voor eigen conclusies aanzien.

Perutz laat het analyseren volledig voor rekening van de lezer. Onbekommerd fabuleert hij er op los; hij geeft zich over aan zijn invallen, wat hem wel eens op de kritiek te staan komt dat hij 'anekdotisch' schrijft, en creeert een spanning die voortduurt wanneer het boek uit is.

Perutz stierf in 1957 tijdens een verblijf in Oostenrijk. Zijn graf ligt in Bad Ischl, dezelfde plaats waar onlangs Hilde Spiel ten grave werd gedragen. Spiel was vanaf haar jeugd een bewonderaarster van Perutz' romans. Naar aanleiding van zijn overlijden schreef zij dat met hem 'een dichter, verhalenverteller en fantast, een relict van het grootse oude Oostenrijk' heenging. Perutz was inderdaad een man van het verleden. Zijn oeuvre, dat nu in Nederland eindelijk weer voor een groter publiek toegankelijk wordt gemaakt, toont aan hoe vruchtbaar en zinvol een omgang met dat verleden kan zijn.