James Conlon neemt afscheid met trage Derde van Mahler

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. James Conlon m.m.v. Marjana Lipovsek (alt), Rotterdams Jongenskoor en damesleden Toonkunst. Programma: G. Mahler: Derde symfonie. Gehoord: 11-4 Doelen Rotterdam. Herhalingen: 12 en 14-4.

James Conlon, sinds 1983 chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, begon gisteren in De Doelen aan zijn laatste serie concerten in die functie. Op het programma stond de Derde Symfonie van Mahler. Conlon, die zal worden opgevolgd door Jeffrey Tate, blijft in Rotterdam wel terugkomen als gastdirigent.

Het afscheid van een dirigent is een frequente gebeurtenis in de historie van het Rotterdamse orkest. Meer plichtplegingen dan wat extra bloemen en een naar Rotterdamse begrippen hartelijk applaus waren er dan ook niet na afloop. Niettemin was James Conlon, na Eduard Flipse's verblijf van 32 jaar, de dirigent die het langst in Rotterdam dirigeerde. Franz Paul Decker, Jean Fournet, Edo de Waart en David Zinman hielden het korter. En al was de hulde van zaal en orkest uiterlijk bescheiden, de toekomstige Keulse Generalmusikdirektor leek er toch enigszins door aangedaan.

Conlon was in de afgelopen acht jaar dan ook uitgegroeid tot een typisch Rotterdams verschijnsel. Hij heerste in De Doelen, zette zich sterk in voor behartiging van de ambitieuze belangen van zijn orkest, maar bleef in de rest van het Nederlandse muziekleven een buitenstaander, die ook niet de indruk wekte daarin graag verandering te brengen. Buiten Rotterdam werkte Conlon alleen voort aan een al op jonge leeftijd begonnen internationale carriere, in andere Europese landen en in zijn geboorteland Amerika.

Conlon had zich kennelijk voorgenomen om deze keer van Mahlers Derde Symfonie iets heel bijzonders te maken en hanteerde vrijwel constant trage tempi - daartoe wellicht geinspireerd door Haitinks vorig jaar mei indrukwekkend langzaam genomen Tweede Symfonie. Het resultaat was echter minder overtuigend dan bij Conlons imponerende uitvoeringen van de Derde in 1986. Anders dan Haitink weet Conlon het gebrek aan tempo te weinig op te laden met extra spanning en vervoering. Als geheel was de uitstraling van deze Derde mij te leeg, te kaal, te objectiverend en te droog.

Het eerste deel leed ernstig onder verbrokkeling en soms merkwaardig hakkerige ritmes. Bovendien bracht Conlon met deze trage tempi regelmatig vooral de koperblazers hoorbaar in de problemen, al bleven de passages met de buiten de zaal geblazen trompetsolo fascinerend.

Ook in de solo van de alt Marjana Lipovsek werd de expressie enigszins ondergraven door die traagheid. Het meest eigenzinnig toonde Conlon zich in het slot-adagio. In plaats van een langzame opbouw naar emotionele climaxen, hield hij de muziek telkens lange tijd klein, om haar dan plotseling te laten uitbarsten tot scherpe contrasten met het voorgaande.

Daar waar de muziek zich verdichtte en Conlon het tempo even opvoerde, zoals aan het slot van het eerste deel, was het effect echter frappant en spectaculair. En de juist langzaam opengelegde 'cluster' in het eerste deel zorgde in de heldere Doelen-akoestiek voor een verbazingwekkend chaotisch pandemonium. In zijn Mahler-biografie beweerde Henry-Louis de la Grange dat de muziek van Mahler nooit 'klassiek' mag zijn en prettig om naar te luisteren. Nemen we deze stelregel als uitgangspunt, dan werd met deze Derde zeker aan de norm voldaan.