G.L. Durlacher en zijn medegevangenen; Mijn verlangen naar vergeten is verdwenen

G.L. Durlacher: De zoektocht. Uitg. Meulenhoff, 191 blz. Prijs (f) 29,90.

In zijn boek Strepen aan de hemel (1985) probeert G.L. Durlacher antwoord te vinden op de vraag waarom de geallieerden destijds de concentratiekampen niet bombardeerden. Durlacher zat als jongen vanaf juli 1944 tot de bevrijding in het Mannerlager Birkenau B II D. Door Mengele persoonlijk waren hij en achtentachtig andere jongens geselecteerd uit het aangrenzende Familienlager, waarvan iedereen ten dode opgeschreven was. 's Avonds als de bommenwerpers overvlogen keken de gevangenen hoopvol naar de hemel waar 'witte schapewollen draden'

worden getrokken. Boven het geschreeuw van de SS'ers uit “buldert het schijnbare onweer dat ons hart de kracht geeft om te blijven staan en een bijna onzichtbare grijns op ons gezicht tekent.”

Onderzoek leerde Durlacher later dat de geallieerden vanaf 1942 al op de hoogte moeten zijn geweest van het bestaan van de Duitse vernietigingskampen. Er waren talloze mogelijkheden geweest om hieraan niet alleen bekendheid te geven in de bezette gebieden maar ook om de Duitse kampen te bombarderen. Wat weerhield hen? Een van de minst onwaarschijnlijke antwoorden is dat de waarheid over die kampen zo verschrikkelijk en onbegrijpelijk was dat ook zij die er toen iets tegen konden doen maar liever de andere kant opkeken.

Het is een van de vragen die Durlacher naarmate hij ouder werd steeds meer bezighielden. De mogelijke antwoorden in Strepen aan de hemel waren niet bevredigend. Voor iemand die de ervaringen van Durlacher heeft, zijn er natuurlijk geen afdoende antwoorden.

Het verslag dat nu als De zoektocht is verschenen, kondigt zich al aan op de laatste bladzijde van Strepen aan de hemel: “De schokkende herinneringen die ik, dank zij begrijpende therapeuten, weer in mijn denken en voelen kon toelaten, vroegen om toetsing aan die van voormalige medegevangenen, middels mondelinge en schriftelijke verslagen.”

Dat zoeken naar mede-overlevenden van Auschwitz-Birkenau, bestrijkt de periode 1982 tot 1990. De tocht begint in het archief Yad Vashem in Jeruzalem “waar nog ontelbaar veel verslagen uit getto's en uit kampen in stoffige mappen wachten op een lezer die ze een stem wil geven -”. Aanwijzingen van de archivaris brengen Gerhard D., zoals Durlacher zichzelf in zijn boek opvoert, bij de mappen met getuigenverklaringen uit het 'Auschwitzproces' in Frankfurt van 1964.

Daar vindt hij de verklaring van Yehuda, die ook door de laatste selectie in Auschwitz-Birkenau heenkwam en het kamp overleefde.

Durlacher heeft geluk met deze vondst: Yehuda is een bekende Israelische beeldend kunstenaar en woont in Jeruzalem. Niet alleen is het voor Durlacher een indrukwekkende ontmoeting omdat hij een lotgenoot en oude bekende kan spreken, maar ook omdat Yehuda nog de namen en adressen van vijftien andere overlevenden kent.

CHRONIQUEUR

Een ervan is de historicus Dov, die aan een universiteit in de omgeving verbonden is. Ook hem bezoekt Durlacher en de drie mannen zijn het er zonder aarzeling over eens dat het hun taak is alles vast te leggen en door te geven. De belangrijkste vraag die ze zich daarbij stellen is volgens de eerste bandopname uit 1982 in de woorden van Dov: “Hoe komt het dat er van de groep jongens die de laatste selectie in het Familienlager Birkenau overleefde haast een vijfde de bevrijding haalde ondanks de onbeschrijflijke omstandigheden?”

De voorgeschiedenissen van de drie mannen zijn aangrijpend. Uren moeten ze hebben gepraat maar Durlacher geeft het gesprek sober en betrekkelijk beknopt weer. Na een suggestie van Dov neemt hij de taak op zich om vragenlijsten rond te sturen naar de voormalige medegevangenen en chroniqueur te worden van hun groep.

De tocht van Durlacher, op zoek naar de jongens die verder mochten leven 'in geleende tijd' voert tijdens een verblijf in Noord-Amerika vier jaar later langs Karel P. in Queens, Harry G. in Edison, New Jersey, Misha K. in Boston, Jindra in Buffalo, John eveneens in Buffalo en Robin in Toronto. De aanduiding met voornaam en, soms, eerste letter van de achternaam doet denken aan die voor gevangenen.

Al zijn ze meer dan veertig jaar geleden bevrijd, deze mannen zijn vaak ook nog gevangenen, niet van de nazi's maar van 'de last van het verleden'. Na de oorlog hadden velen geen familie meer, niemand ving hen op, ze zwierven van land naar land en werkten hard om te kunnen leven en vaak ook vergeten. Zelden konden en kunnen ze over hun ervaringen van gedachten wisselen met iemand. De gesprekken die Durlacher onderweg voert, zijn intens, de mannen openhartig. Altijd weer eindigen de praters in het heden alsof ze wakker worden. “Als zwemmers na een wedstrijd komen wij op adem aan de kant en kijken terug in het diepe”, schrijft Durlacher in het verslag van een van de ontmoetingen. En elders: “Als we de zitkamer binnenkomen kijken onze vrouwen naar onze gezichten alsof we mijnwerkers zijn die uit een bedolven schacht komen.”

Zo er een moment van twijfel was bij Durlacher of hij wel door moest gaan met vragen stellen over toen, dan is dat als hij op bezoek is in Boston. Misha K. is veel vergeten en lijdt daar niet onder. Durlacher kan hem er om benijden. Een ontmoeting met Elie Wiesel sterkt hem echter door te gaan met zijn chroniqueursarbeid. “Haast dwingend vraagt hij mij te schrijven, te beschrijven, hoe wij leven, hoe wij ermee leven. - Mijn verlangen naar vergeten is verdwenen.”

Tijdens het gesprek met Misha K. komt voor het eerst de reunie in Israel ter sprake. In mei 1990 komen de mannen samen in herdenkingscentrum Beth Theresienstadt in Israel. Daar voegen zich nog anderen bij de groep. Vijftien van hen staan op de foto die in het boek is afgedrukt.

HERRIJZENIS

Als op elke reunie staan ook hier de aanwezigen aanvankelijk onwennig tegenover elkaar. Hoe zullen ze de dag doorbrengen? Ongedwongen praten? Lezingen houden? Elk heeft zijn eigen voorkeur maar een formeel kader is om te beginnen misschien toch het best. De gedachten van Durlacher dwalen af als hij naar een verhaal zit te luisteren: “Wat willen wij hier bij elkaar? Zeker niet onze geheugens opfrissen.

Wij kennen de feiten. John raakt ze niet aan en beschermt zich met regels en vormen. Dov koelt ze af met wetenschappelijk bluswater en ik concentreer mij op het wonder van onze naoorlogse herrijzenis.” De mannen vertellen hun verhalen: “Toen Mengele ons in juli '44 selecteerde probeerde ik mijn broertje bij mij te houden, maar hij stuurde hem terug”, vertelt Ernst. En Michael H. begint met: “Ik was loopjongen van Mengele tijdens zijn werk in de ziekenboeg.”

Als Durlacher zelf de gelegenheid krijgt het woord te voeren stelt hij de vraag die hem al jaren bezighoudt: “Waarom zijn wij, juist wij, toen iedereen in Birkenaus Familienlager al ten dode opgeschreven was, door Mengele geselecteerd en weggevoerd naar het Mannerlager?” De een denkt dat de jongens na de oorlog moesten worden geruild tegen krijgsgevangenen, de ander vermoedt dat de Duitsers hen als gijzelaars hielden om het Sonderkommando, bestaande uit andere krijgsgevangenen, in bedwang te houden. Durlacher zelf oppert dat de commandant van Birkenau, Schwarzhuber, een joods vriendinnetje in het kamp had, evenals een Lageraltester in het Familienlager, Bachmann. De jodinnen drongen er bij de Duitsers op aan een aantal jongens te sparen. Omdat de autoriteit van Mengele in het geding was, wilde die de uiteindelijke selectie wel zelf uitvoeren. Zo zouden ze het overleefd hebben. Na deze woorden is iedereen stil. Een van de aanwezigen vertelt dat die vriendin van Bachmann zijn nichtje was. Bachmann heeft hem persoonlijk het familiekamp uitgesmokkeld, buiten de selectie om.

De nicht is nog in leven. Durlacher heeft de verhalen van zijn zoektocht chronologisch gerangschikt. De gebeurtenissen die aan de verhalen ten grondslag liggen zijn nauwelijks te bevatten, al weten we er het nodige van. De mensen die aan het woord zijn hebben de meest onvoorstelbare dingen doorstaan. Durlachers toon is ingetogen, soms zelfs ingehouden, maar toch persoonlijk. Hij registreert in alle situaties wat hij voelt en denkt, maar laat zich nergens gaan, al zou in veel gevallen niemand hem dat verwijten. Juist daardoor bereikt Durlacher het doel wat hem voor ogen stond toen hij de zoektocht begon: getuigenis afleggen opdat men niet vergeet. Zolang de onvoorstelbare wreedheden van de Tweede Wereldoorlog, bedreven in ons buurland door 'gewone' mensen, nog maar twee generaties geleden plaatshadden, kan er niet genoeg getuigenis worden afgelegd. Want het idee dat zoiets alleen toen en daar kon gebeuren mag geen vaste grond krijgen. Iedereen die de eerstkomende jaren roept dat dat herdenken maar eens afgelopen moet zijn of zich afvraagt wat het nut van oprakelen is, moet verplicht De zoektocht lezen.