Elke dag sterven honderd Koerden in Cukurca

CUKURCA, 12 april - In het voorportaal van de moskee van het Turkse dorpje Cukurca liggen, in dekens gewikkeld, de lijken van vijfentwintig Koerdische vluchtelingen, acht volwassenen en vijftien kinderen en baby's. Zittend met gekruiste benen voor een tafeltje met een opengeslagen koran, prevelt een oude man gebeden voor de doden.

Elke dag bezwijken er zeker honderd vluchtelingen aan honger, ziekte of uitputting. Vlak buiten het dorpje, dat plotseling het middelpunt is geworden van een invasie van zo'n 150.000 gevluchte Iraakse Koerden, worden de doden ter aarde besteld. Achter de moskee liggen alweer nieuwe lijken klaar. Plaatselijke vrijwilligers die de lijken wassen hebben moeite om het tempo bij te benen waarin de doden binnenkomen.

Vermoedelijk bevindt zich onder de doden van vandaag ook de vrouw die ik enkele uren eerder heb zien liggen op een brancard in het overvolle kliniekje van Cukurca. Volkomen roerloos lag ze daar, immuun voor het gehoest en gehuil van de vele baby's in de zaal. Het onderste deel van haar groene jurk was bruin geworden van de modder en daar onderuit staken haar ook met modder besmeurde voeten. Een man kon het niet langer aanzien. Hij haalde een paar nieuwe plastic schoenen tevoorschijn en voorzichtig paste hij om iedere voet een schoen.

De modder maakt het leven voor de vluchtelingen tot een hel. Na iedere regenbui moeten ze tot hun enkels door de glibberige pap. Kleine kinderen missen vaak de kracht om er doorheen te waden en tot wanhoop van hun moeders vallen ze steeds huilend in de kille brij.

Na iedere regenbui ook vormen zich okergele modderstroompjes die dwars door de meestal vloerloze tentjes van de Koerden lopen. Wanneer er een nieuwe regenbui losbarst, zoekt iedereen zo goed en zo kwaad als het gaat beschutting.

Ik vlucht een tentje binnen dat is gemaakt van dekens. Er ligt alleen een kind in klamme lappen te slapen. De ouders zijn kennelijk op voedseltocht. Al na een paar minuten lekt ons onderkomen als een mandje en we zijn we beiden in de kortste keren doorweekt.

Nog altijd zijn er vluchtelingen die het zelfs zonder de primitiefste tentjes moeten stellen. Vooral de nachten, wanneer de temperatuur dikwijls tot rond het vriespunt daalt, zijn voor hen een beproeving.

In hun doornatte kleren lijden ze vreselijke kou en van slapen komt niets.

Tot eergisteren behoorden ook ingenieur Mohammed en zijn familie tot deze onfortuinlijke groep. “Ik heb zeven nachten achtereen geen oog dicht gedaan”, zegt hij. Maar nu heeft hij een tent weten te bemachtigen en daardoor is het leven meteen een stuk aangenamer.

Mohammed, die trots vertelt dat hij in Engeland is gepromoveerd en in Irak een mooie villa bezat, leidt me naar een groepje peuters. Die hebben vandaag enorm geboft. Ze hoeven niet langer in de buitenlucht te slapen.

Pag. 4:

Elke dag honderd doden in Cukurca

Met 22 mensen slapen ze nu onder een op stokken gestoken lap plastic op een oppervlakte van amper zes vierkante meter. Er zijn alleen nog niet genoeg dekens. In elke deken worden verscheidene kinderen tegelijk gewikkeld.

's Nachts vallen de meeste doden. Het is voor de Koerden, die dachten na hun vlucht voor de moordlustige troepen van Saddam Hussein in Turkije een veilige haven te vinden, een vreselijke teleurstelling dat ze ook hier in levensgevaar blijven verkeren.

De hygienische toestand in de drie kampen om Cukurca is bedroevend. Door de regen worden de uitwerpselen van de vluchtelingen met name in het boven het dorpje gelegen grootste kamp snel over het hele terrein verspreid. Goed drinkwater is er nauwelijks. In een kleiner kamp, langs de rivier beneden Cukurca, is de toestand iets beter. Er is in elk geval veel stromend water.

Maar ongelukkigerwijs bevindt zich de enige bron met fris water vlakbij het strandje waar veel vluchtelingen hun behoefte doen. In een derde kamp meer naar het noorden is de toestand naar verluidt eveneens zeer slecht.

De weinige medicijnen die tot nu toe zijn aangekomen zijn net als het voedsel geheel willekeurig verdeeld, waardoor onoordeelkundig gebruik veel voorkomt. Ik zie een kleuter lopen met een hele strip pillen. Het verkeert kennelijk in de waan dat het snoepjes zijn.

Vooral dysenterie grijpt snel om zich heen. Velen lopen ook vreselijk te hoesten, deels door de kou en deels veroorzaakt door de rook die ze binnenkrijgen van de vuurtjes die ze stoken voor hun armzalige tenten.

Op weg naar het hooggelegen kamp kom ik voortdurend jonge kerels tegen die hun zieke vader of moeder ondersteunen op het modderige paadje naar de kliniek van Cukurca. Anderen dragen bleke kinderen op hun arm.

Wellicht als gevolg van het slechte weer maken de meeste mensen een apathische indruk. Bij velen is de wil om zich te verzetten tegen hun miserabele lot al zichtbaar gebroken.

Ook de voedselsituatie blijft bijzonder slecht. In het grootste kamp boven Cukurca hebben de meesten nauwelijks iets te eten. “Gisteren hebben we met mijn hele familie elk een aardappel gegeten. Vandaag heb ik tot nu toe alleen een kopje thee gehad”, zegt een man aan het einde van de middag. Voor veel anderen bestond het menu de afgelopen dagen louter uit een paar biscuitjes en wat water uit een naburige bron. Weer anderen hebben alweer drie dagen niets gehad.

WILLEKEUR

De distributie van het weinige voedsel dat er is geschiedt volstrekt willekeurig. Op een pleintje voor het gemeentehuis van Cukurca vormt zich een lange rij Koerden, die onder toezicht van Turkse militairen gewillig wachten tot ze aan de beurt zijn. Er is echter geen enkele administratie van wie wat krijgt. De vluchtelingen zijn nog steeds niet geregistreerd, waardoor niemand weet hoeveel Iraakse Koerden er nu precies bij Cukurca de grens zijn overgekomen. De kans dat leden van dezelfde familie twee keer voedsel krijgen en anderen niets, is groot. “Je moet er echt voor knokken om wat te krijgen en veel mensen kunnen dat niet”, zegt de man wiens familie gisteren slechts een aardappel per persoon wist te bemachtigen.

Vertwijfeld vragen de vluchtelingen zich af, waar de toegezegde hulp uit het rijke Westen blijft. “Gewoonlijk duikt het Rode Kruis onmiddellijk op bij elke brandhaard in de wereld, maar in de negen dagen dat ik hier zit heb ik nog steeds geen enkele vertegenwoordiger van het Rode Kruis gezien”, zegt ir. Mohammed. Bij een bezoek aan Cukurca gisteren trof ik slechts een handvol vrachtauto's met hulpgoederen aan van de Franse hulporganisatie Medecins sans Frontiere.

En eenzelfde aantal auto's van de Turkse Rode Halve Maan, de tegenhanger van het Rode Kruis in islamitische landen. De meeste hulp komt nog steeds van de plaatselijke Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije. Overal zijn er inzamelingscomites opgezet voor hulpgoederen en, hoewel niet rijk, geven de Turkse Koerden met gulle hand. Sommige vrouwen aarzelen niet om een groot deel van hun bruidschat in geld en goederen voor het goede doel af te staan.

Waarom de hulp van elders zo langzaam op gang komt is niet duidelijk. Zeker, de vluchtelingen zitten in een bijzonder moeilijk toegankelijk gebied, waar vrachtauto's regelmatig stranden op modderige weggetjes.

Maar met behulp van helikopters zou er snel veel hulp kunnen worden aangerukt. Het Turkse leger, de meest voor de hand liggende instantie om helikopters ter beschikking te stellen, lijkt echter vooralsnog meer geinteresseerd in de handhaving van de orde dan in het welzijn van de vluchtelingen.

De duizenden militairen in het gebied beperken zich ertoe om de Iraakse Koerden in hun “kampen” te houden. Zonodig doen ze dat met harde hand. Verscheidene vluchtelingen hebben naar verluidt een tochtje buiten het kamp zonder toestemming vooraf met de dood moeten bekopen. Een helpende hand heb ik de Turkse militairen de Koerdische vluchtelingen nog geen keer zien reiken. Wel werkt het leger met grijpers en bulldozers op bescheiden schaal mee om de wegen naar de kampen begaanbaar te maken.

Turkmenen Wie wel op steun van de Turken kunnen rekenen zijn de uit Irak gevluchte Turkmenen, die oorspronkelijk van Turkse afkomst zijn. Deze werden in een afzonderlijk kamp bij het plaatsje Semdinli ondergebracht, waar de Turken hen voedsel gaven. Intussen zijn vrijwel alle 30.000 Turkmenen verhuisd naar de plaats Kayseri in het midden van Turkije.

Steeds weer vragen de vluchtelingen, die zichzelf via meegebrachte radiootjes op de hoogte houden van het nieuws, op verwijtende toon waarom het Westen Saddam Hussein zijn gang heeft laten gaan tegen de Koerden. Al tijdens de luchtbombardementen op Irak kondigde Saddam aan dat hij de Koerden tot papier zou vermalen, omdat hij hun inspanning voor de oorlog te gering achtte, vertelt ir. Mohammed. “Waarom deed het Westen niets om dat tegen te gaan?” vraagt hij. “Velen denken dat wij een onafhankelijke staat willen. Maar die hoeven we helemaal niet. We willen thuis alleen niet in een gevangenis wonen. Altijd krijgen we van anderen te horen wat we moeten doen. Waarom kunnen we eindelijk niet eens met rust gelaten worden en in vrede leven?”