Een geboren balling; Herinneringen aan Graham Greene

De schrijver Graham Greene overleed vorige week op 86-jarige leeftijd in Geneve. Hij was net als ik een geboren balling, schrijft Anthony Burgess, die hem een aantal keren ontmoette maar beslist niet zijn beste vriend was.

Ik ontmoette Graham Greene voor het eerst in 1957. Ik was net terug uit Malakka, en een vriend van hem in dat pas onafhankelijk geworden protectoraat had me gevraagd wat zijden overhemden voor hem mee te nemen die speciaal waren gemaakt in Kuala Lumpur. Ik bracht die langs bij zijn flat in Albany en bleef daarna bij hem lunchen. Later ging het gerucht dat er in de manchetten van die zijden overhemden opium was genaaid, maar volgens mij was dat niet waar. Greene en ik waren allebei een groot liefhebber van opium, zodat we in het Verre Oosten ruimschoots aan onze trekken kwamen. Daarnaast waren we beiden katholiek, maar dat was geen vergelijkbare verslaving - het oude marxistische geschamper ten spijt. Het was op een vrijdag, en dus lunchten we met vis. Eerst schonk hij een straffe martini-cocktail voor me in. Hij bezat in die tijd de omvangrijke verzameling miniatuurflesjes whisky die hij kort daarna zou laten figureren in Our Man in Havana. Maar die waren voor de sier en mochten niet worden aangesproken.

Ik had zo juist mijn eerste roman gepubliceerd, Time for a Tiger, en Greene vroeg me beminnelijk zijn exemplaar te signeren. We werden destijds beiden uitgegeven door Heinemann, en Greene had dat exemplaar ongetwijfeld cadeau gekregen. Hij vond mijn verhalen uit Malakka onderhoudend, maar verweet ze een gebrek aan diepgang. Voor hem stond vast dat hij de enige levende schrijver was die de vraagstukken van mystiek en politiek wist te behandelen die oplaaien in dat soort gebieden waar dictators opstaan en blanken naar de bliksem gaan. Over mijn latere werk had hij geen afgewogen oordeel. Hij las het niet omdat het hem niet aansprak, of misschien was het wel andersom.

In mijn latere omgang met hem zou ik me bewust worden van een zekere argwaan. Dat had iets met godsdienst te maken, denk ik. Hij was een bekeerling tot het katholicisme, net als zijn vriend Evelyn Waugh, en was zich ongetwijfeld bewust van de kloof die een bekeerling scheidt van een geboren katholiek als ikzelf. Ik behoorde tot een andere cultuur, meer continentaal dan Brits, en miste zowel Waugh's starheid als Greene's betweterij. Waugh was de beste bekeerling van de twee, en diens theologische bezwaren tegen The Heart of the Matter, volgens mij nog altijd Greene's beste boek, waren op briljante wijze raak. Het leed geen twijfel wie van beiden de beste hersenen had.

PINKY

Greene werd sterk geboeid door de zonde - terwijl Waugh die alleen maar verafschuwde - en hij had ergens het idee dat het heiliger was te zondigen dan alleen te doen wat goed was. In zijn eerste katholieke roman, Brighton Rock, schiep hij een merkwaardige tegenstelling tussen een seculier gedragssysteem waarin het goede een beetje stoeit met het verkeerde, en een eschatologische code waarin goed en kwaad in oorlog zijn. Het kwaad had iets nobels, en de katholieke gangster Pinky, met zijn onwaarschijnlijke uitspraak 'Credo in unum Satanum', is om met Eliot te spreken tenminste 'man genoeg om verdoemd te worden'. Greene is nooit gediend geweest van mijn bezwaren tegen zijn ethische verdraaiingen. Hij werd niet graag gecorrigeerd. In The Human Factor deed hij wortelen in een jachtschotel uit Lancashire en hoewel hij die vergissing in een latere editie beloofde recht te zetten, heeft hij dat nooit gedaan. In een andere roman gebruikte hij 'Gibraltese' in plaats van 'Gibraltarian', en dat was een fout die niet had mogen voorkomen. Maar ik had hem er niet op moeten wijzen. Hij had lange tenen in die dingen.

Greene was een geboren balling, zo was altijd mijn indruk. Dat hadden we gemeen, iets wat niet los stond van ons beider geloof. Het voerde ons allebei naar het Middellandse-Zeegebied, hem naar Antibes, mij naar Italie en daarna naar Monaco. In zekere zin waren we buren. Ik betreurde zijn levenswandel, want hij woonde samen met de vrouw van iemand anders, maar naarmate hij ouder werd ontwikkelde hij een hoogst persoonlijke versie van het katholicisme, waarin zelfs ruimte was voor de vermoedelijke afwezigheid van een opperwezen. Het meest verontrustend aan hem vond ik zijn vermogen een onstoffelijk systeem te verzoenen met een stoffelijk. Het communisme was voor hem de politiek die aansloot bij de katholieke mystiek. Hij is daarover expliciet in zijn The Comedians: het communisme heeft dan misschien wel bloed aan zijn handen, maar dat is beter dan de kom waarin Pontius Pilatus ze waste. In mijn ogen ontliep hij bepaalde complexe morele vraagstukken door naar streken te reizen waar het probleem om de goede maatschappij te stichten overgesimplificeerd was. Het was niet zo moeilijk om aan de kant van de revolutionairen te staan wanneer hun taak was een goddeloze dictatuur te verdrijven. Haiti, Panama, Argentinie vormden zijn uitverkoren achtergronden voor tamelijk simplistische menselijke drama's, die dikwijls werden opgelost op een manier die op mij als sentimenteel overkwam. Waugh had zich altijd van sentimentaliteit onthouden. Greene kon, althans figuurlijk, huilen als het Christuskind met zijn hoofd in het gore stro werd geduwd of er rinkelend een medaillon van het lijk van een zondaar viel.

RUE PASTEUR

Onze laatste ontmoeting vond elf jaar geleden plaats. We troffen elkaar in zijn flatje in de rue Pasteur. Ik was veel benieuwder naar zijn literaire dan naar zijn theologische wortels. Wat die laatste betreft was ik nog altijd van mening dat hij een jansenist was die verderf zag in de natuurlijke orde, maar dat werd met klem door hem ontkend. Hij las nog altijd 'lichte theologie' (zoals James Joyce het genoemd zou hebben), maar hij nam me voor zich in doordat hij veel van zijn tijd besteedde aan lezing van het werk van Ford Madox Ford, die hij net als ik als een van de beste en meest verwaarloosde schrijvers van deze eeuw beschouwde. Maar zijn voorliefde voor Ford leidde tot nieuwe onmin tussen ons. Voor de Bodley Head had hij Parade's End geredigeerd, en daarbij - in mijn ogen onvergeeflijk - de slotroman van dat vierluik geschrapt. De botheid waarmee hij Fords eigen geringschatting van Last Post serieus meende te moeten nemen, was zowel merkwaardig als kenmerkend. Zijn literaire oordelen waren niet betrouwbaar: dat gaf hij toe.

De Edwardiaanse tijd die Ford vereerde was Greene's literaire Ithaca. Hij had diepe bewondering voor Conrad en zag zich tot op zekere hoogte als Conrads opvolger - doorvorser van 's mensen drijfveren onder uitheemse luchten. Maar hij besefte dat hij verkozen had een genre te dienen dat inferieur was aan Nostromo en The Heart of Darkness. Zijn romans waren in dubbel opzicht populair. Ze verkochten goed en werden doorgaans middelmatig verfilmd. Ook maakten ze gebruik van beproefde intrigemiddelen en durfden ze niet de weidsheid aan die volgens Ford en Conrad nodig was voor een panoramische levensvisie. Greene erkende dat geen van zijn romans 'groots' was. Hij aanvaardde het oordeel van het Nobel-comite dat hij te populair was voor het eerbetoon dat van oudsher gaat naar hen die het verdienen maar die slecht verkopen. Op zijn vijfenzeventigste zei hij tegen me dat hij uitkeek naar een grotere prijs dan de Nobelprijs. Welke? De dood.

Maar hij mag dan gezegd hebben dat hij naar die laatste zegening (of vloek) verlangde, het leed geen twijfel of hij genoot van het leven - die lange, gezonde man met heldere ogen, minnaar van een aantrekkelijke Fran(c,)aise en van Franse wijn. Tot de geneugten van het leven behoorde het dagelijks rantsoen van tweehonderd woorden - niet meer, niet minder - in een minuscuul handschrift. Met trots (een trots die is overgedragen op de schrijver-held van The End of the Affair) sprak hij tegen me over het precieze aantal woorden dat hij op de titelpagina van een nieuw manuscript wist te vermelden. Tweehonderd woorden per dag liet de dag merendeels vrij om te leven. Leven kon betekenen: strijdbaar zijn. Het 'j'accuse' dat hij richtte op Jacques Medecin, burgemeester van Nice, bewees de vechtlust van een man die niet geneigd was onrecht te dulden. Hij betaalde duur voor wat werd opgevat als smaad, maar die betaling bestond alleen uit geld en dat had hij in overvloed, al uitte zich dat niet in een overdadige of genotzuchtige levensstijl. 'Il n'est pas facile', zei een vooraanstaand inwoner van Nice tegen me. En dat was hij ook niet. Ik vind het jammer dat onze verstandhouding stukliep op een lichtgeraaktheid die indertijd beneden zijn waardigheid leek, maar die eenvoudig een symptoom was van de naderende ouderdom.

DES DUIVELS

In een Frans televisieprogramma werd me een keer gevraagd hoe oud Greene nu was, en ik schatte zijn leeftijd een paar jaar te hoog. Des duivels was hij, wat te meer opviel door het contrast met het verfijnde kleine handschrift waarin hij me de huid vol schold. Later was ik tegen een verslaggever eens indiscreet over Greene's levenswandel. De woede culmineerde nu in een dringend advies me eens te laten nakijken. Maar dat het ging om een antipathie die niet gemakkelijk te analyseren was, besefte ik bij 'uitspraak van de week'

in een zondagsblad. Ik had een interview met hem gehad en hem de tekst daarvan ter inzage gegeven. Hij was daarmee akkoord gegaan maar zei nu in het openbaar: 'Hij heeft me woorden in de mond gelegd die ik in het woordenboek heb moeten opzoeken.'

Ik behield mijn behoedzame genegenheid. Het schrijven was hem lief en hij schreef goed. Ik heb hem nooit anders gerecenseerd dan bijna kruiperig lovend. Hoewel hij in het buitenland woonde en officieel dus niet voor hoge onderscheidingen in aanmerking kwam, ontving hij de Orde van Verdienste en herinnerde er bescheiden aan dat die ook was toegekend aan Henry James. Als het nodig was gaf hij altijd blijk van passende bescheidenheid en was hij zich altijd van zichzelf bewust als zondaar en als populair schrijver. Hij gaf toe dat hij het katholieke geloof wel eens uitbuitte voor sensationele doeleinden. Maar hij was er terecht van overtuigd dat het onrecht in de wereld alleen naar behoren kon worden beoordeeld 'sub specie aeternitatis'.

Ik heb hem eens gevraagd wat Auden bedoelde met de uitdrukking 'How Graham-Greenish' en waar Greeneland precies lag. Hij zag in dat zulk journalistiek steno getuigde van een verwerpelijke oppervlakkigheid - de verlopen balling die zich bedrinkt onder de palmen en van tijd tot een inheems bordeel bezoekt, in het besef te zijn verlaten door de wereld - of door God. De whisky-priester uit The Power and the Glory is zo iemand, maar als katholiek geestelijke is hij nog veel meer. De verrotte wereld van 'Greeneworld' is die van de gevallen mens, de vertwijfelde Adam die niet precies weet wat zijn zonde was maar wel degelijk overtuigd is van zijn schuld. En verlossing lijkt al helemaal niet aan de orde. Met andere woorden: Greene's thema was de erfzonde, een begrip dat in onze relativistische maatschappijen niet geliefd is.

Het verbazende was dat hij daar populaire romans van wist te maken. Die laatste keer dat we samen lunchten, vroeg ik hem wat hij het meest aan Engeland miste. 'De worst', zei hij. Er was niet genoeg brood in de Franse knoflookvariant. Hij stierf als een soort katholiek, een soort kosmopoliet, een zeer belangrijk schrijver en onmiskenbaar een Engelsman.

    • Anthony Burgess