Een Boeddha, maar dol op dansen; Waar Pablo Neruda woonde en nog bewonderd wordt

“Ik ben maar een dichter en ik ben gekomen om te zingen voor jullie allemaal.” Dat schreef de Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Wat voor land brengt een dergelijke dichter voort? Barber van de Pol was in Chili, sprak mensen die Neruda gekend hebben, bezocht zijn geboorteplaats en keek rond in zijn buitenhuis aan de Grote Oceaan. “Je vindt hier overal hout en ijzer en bloemen, net als in zijn gedichten.”

Werk van Pablo Neruda is leverbaar bij De Arbeiderspers, o.a. Ik beken, ik heb geleefd in Prive-domein, prijs (f) 62,90. Bij de Wereldbibliotheek is verkrijgbaar van Matilde Urrutia: Mijn leven met Pablo Neruda, prijs (f) 36,-.

Na zijn dood in 1973 werd de Chileense dichter Pablo Neruda een martelaar voor wie met de derde wereld dweepten en een schrikbeeld voor de liefhebbers van het cerebrale. Hij was een dichter die in zijn houding en stijl, maar ook letterlijk, op papier, zei: “Ik ben maar een dichter en ik ben gekomen om te zingen voor jullie allemaal.”

Zelfs Roland Holst deed zoiets niet. Neruda was de man die een Ode aan de luiheid schreef en een Ode aan de lucht (“Verkoop u nooit, lucht”), lofzangen op geliefden en op vakbonden, canto's voor Chili en voor heel Latijns Amerika, een lawine van verzen met veel breedsprakigs, maar ook veel transparants en alleszeggends.

Wat is dat voor een land dat zo'n dichter voortbrengt? Passen zijn achtergrond en zijn werk zo bij elkaar als je vermoedt, of pakte hij Chili eenvoudig in? “Lo aman, lo adoran,” zegt de mevrouw bij wie ik in Santiago logeer. “Ze houden van hem, ze aanbidden hem.” Zij heeft hem gekend en zij adoreert hem. In haar huis hangt een doek dat hij uit Indonesie, waar hij diplomaat was, voor haar meebracht. Er hangt een foto van hem en een affiche voor een tentoonstelling van Delia del Carril, zijn tweede vrouw.

Er is net een arts op bezoek en ook zij heeft Neruda gekend. “Geen knappe man”, zegt ze. “Een soort Boeddha; niet toegankelijk.” Over een ding zijn de beide vrouwen het eens: Delia, die La Hormiguita (Miertje) werd genoemd terwijl ze niet eens een rits kon dichtmaken, was muy fina (elegant). Haar moeder hield salon in Parijs en Proust was daar vaste bezoeker.

Delia del Carrill was ruim twintig jaar ouder dan Neruda. Ze was een tijdloze schoonheid, maar toen hij achter in de veertig was, werd het leeftijdsverschil een probleem. Hij werd verliefd op Matilde Urrutia, die later zijn derde vrouw zou worden. “Geen vriendin van mij”, zegt mijn hospita stellig. En ze begint weer over Delia. “Ze kreeg een koe mee op reis, voor verse melk. Muy fina. Muy rica.”

FLEURIG

Santiago's Algemene Begraafplaats, een stad als Pere-Lachaise, is fris en fleurig op zomerse dagen. Elk graf ligt er op zijn eigen manier goed bij. Struiken en bloemen volgen elkaar op in grote afwisseling.

Er zijn rijke lanen, keurige middenstandsbuurten en machtige avenues. Salvador Allende Gossens, zoals hij voluit heet, heeft een eigen plein met een afstotend roze mausoleum. Een president moet representatief zijn tot in de dood. Bij de armen uit de sloppenwijken zie je geen struiken of planten met bloemen en dus ook geen vogels of schaduwrijke plekjes. Het is daar stil en vol en indifferent.

Helemaal aan het eind, in de Calle Mejico, in een nis in een eindeloze muur, ligt Neruda, twee nissen onder Matilde. Kreten op de gevelsteen: “Ze kunnen je naam van de muur wissen maar niet uit het geheugen van je volk.” Het moet vaak zijn uitgewist en opnieuw opgekalkt.

Zoals hij dat zelf heeft gewenst zal Neruda na het verdwijnen van Pinochet worden begraven in zijn huis in Isla Negra, in zijn werkkamer, met uitzicht op zijn geliefde Grote Oceaan - aan gevoel voor dramatiek ontbrak het hem niet. Er wordt gezegd dat deze begrafenis er misschien al in 1991 van komt.

Een knap, oud vrouwtje met schitterende ogen komt op me af. Ze lijkt op Lala: een vertegenwoordigster van het betere vroeger. Ze vertelt over vroeger en over haar voorouders - een schrijver, generaals, ook een payador, een soort troubadour die nieuws en poezie in de dorpen bracht. Ze kijkt me strak aan en reciteert ongevraagd, misschien omdat ze wat geld wil hebben, een gedicht van Neruda over een vlinder.

De Pablo Neruda-Stichting is gevestigd in het huis waar Neruda met Matilde woonde, aan de voet van de San Cristobal-berg, in een rustige, doodlopende platanenlaan met lage huizen. Het huis wordt La Chascona genoemd, wat “de vrouw met de warrige haren” betekent. Matilde had dik, rood, krullend haar.Toen Neruda en Matilde alleen nog maar geliefden waren, woonde Matilde hier alleen en was dit hun ontmoetingsplaats. Als Delia, nog altijd Pablo's vrouw, in 1955 achter de waarheid komt en boos en verdrietig naar Argentinie vertrekt, vestigen Pablo en Matilde zich hier officieel als paar. Pablo ontwierp de indeling van de ruimte, de vormgeving van de deuren, ramen, plafonds, meubels, alles.

Het gedeelte waar de eetkamer was gevestigd kom je binnen door een deur waarop de letters P en M zijn verstrengeld. De tralies in het raampje ernaast vormen een zon met een kinderlijke stralenkrans. Alles in dit huis is vrolijk en kleurig. Het is duidelijk dat Neruda een obsessief verzamelaar was, maar hij is niet stijlvast, noch in zijn poezie noch in de manier waarop hij zijn huis inrichtte. Er hangen stillevens, abstracte schilderijen van zijn vriend Antunez, nu directeur van Museo de Bellas Artes in Santiago en stemhebbend lid van het bestuur van de Neruda-stichting, en werken van Siquieros en Diego Riveras, de Mexicaanse schilders met wie hij bevriend was. Alles in grote disharmonie naast elkaar.

In de woonkamer staat de lage tafel waar Neruda na zijn dood lag opgebaard. Er was veel verwoest in La Chascona, twee weken na de coup van Pinochet en het huis was net doorzocht alsof er een gevaarlijke gek woonde in plaats van een doodzieke dichter. In een bankje zitten opgetutte poppen die hij naast zich neerzette als hij in bad ging. Hij omringde zich graag met vrouwen. Er staan grote en kleine speeldozen.

Een amethist zit bij wijze van handtekening in een muur. Hoog in de tuin zijn de gastenverblijven die Neruda liet bouwen voor de vrienden die Matilde en hij ontvingen. Een gedeelte ervan wordt nu gevuld door vier bibliotheken. Een daarvan verzamelde hij in Parijs waar hij ambassadeur was, van het geld dat hij kreeg voor de Nobelprijs. Veel Franse, Russische en Amerikaanse schrijvers die hij in zijn jeugd las maar die hij toen, arm als hij was, alleen maar kon lenen. Toen Neruda doodziek met kanker uit Parijs naar Chili terugging, gingen de boeken in kisten mee. Elders is een bibliotheek met louter Latijns-Amerikaanse uitgaven. Er is een bibliotheek met Neruda-uitgaven, zowel in het Spaans als in vertaling. Het mooist is echter de gevarieerde bibliotheek die hier al was toen Neruda hier nog woonde. Een mevrouw doet catalogiserend werk.

Een klein gedeelte van de gastenverblijven is ingericht als een centrumpje waar tien jonge dichters, jaarlijks opnieuw uit te kiezen, wekelijks bijeenkomen om zich onder leiding van twee routiniers te beproeven in het schrijven. Deze bestemmingen zijn testamentair zo beschikt, hetzij door Neruda, hetzij door Matilde.

GEDEMPT

De architecten van het huis moeten wel eens wanhopig zijn geweest. Uit de ramen van de woonkamer halverwege de tuin moest de Andes te zien zijn. Uit de slaapkamer moest het geluid te horen zijn van de beekjes die vanaf het hoogste punt van de tuin naar beneden vielen.

Onmiddellijk na de coup van 1973 is het waterstelsel gedempt en het is niet meer hersteld. De eetkamer is smal en vrijwel helemaal gevuld met een tafel. Je komt er moeilijk uit als je daar eenmaal zit en dat was precies de bedoeling. Op een grote speeldoos ligt de plaat met de laatste wals die Neruda heeft gedanst, Deutsche Welle staat erop.

Neruda was dol op dansen. In een zijkamer verkleedde hij zich of bereidde hij een practical joke voor. Ook daar was hij dol op.

In een uitgebreid archief van 21 dikke dossiers - een biografie in beelden - zie ik hoe mijn hospita deel uitmaakte van Neruda's leven.

Ik zie Lala's gezicht toen ze jong was; ik zie hoe zij zich, net als Neruda, vermomde. “Heeft Lala je al verteld hoe Pablo vroeger tijdens het eten zijn been een keer tegen het hare wreef?” vraagt mijn gids lachend. Nee, dat heeft ze niet, maar ik begrijp hoe belangrijk de vriendschap voor Lala is geweest en hoe bijzonder misschien ook wel.

Ze heeft een mening over alles wat met hem te maken heeft. Ze kent zijn Twintig liefdesgedichten uit haar hoofd.

In het museum wordt Neruda-onderzoek gedaan; er is een handeltje in Neruda-ansichten en er wordt een bescheiden bulletin uitgegeven. Het huis straalt nog altijd veel vrolijkheid uit en op het terras zit je goed, ook al klateren er geen beekjes meer.

Ik zit op het strand van Isla Negra, bij het buitenhuis van Neruda en Matilde, en ik kijk naar de Grote Oceaan, de rotsen, de schuimkoppen waar hij naar terugverlangde als ambassadeur in Frankrijk. En al zie ik ze niet, ik voel de aanwezigheid van de schelpen en andere dingen van de zee waar hij van hield en die hij verzamelde. Het mooist in het huis, boven me, is een roze schelp die glimt van het paarlemoer. In de muur aan de overkant zitten vervaarlijk gebekte insekten achter glas en daar is ook de grootste vlinder die ik ooit heb gezien. Hij is bescheiden van kleur naast gifgroene en vermiljoene soortgenoten.

In en buiten het huis herinnert veel aan de zee beneden en ook aan Temuco, de regenachtige plaats waar Neruda is opgegroeid. Het dak moest gedeeltelijk van zink zijn, dan kon hij de regen horen, net als in zijn ouderlijk huis en dat zink en zeewater slecht samengaan, was geen bezwaar. Sommige plafonds zijn gebogen als de bodem van een boot, er zijn scheepjes in flessen, daar is het stenen paard van de fanfare in Temuco, getooid met drie staarten omdat drie vrienden bij de inwijding van het beest een ontbrekende staart bij zich hadden. Boven het bed hangt een gravure van Rotterdam. Cadeau gekregen van zijn eerste vrouw, een Nederlandse.

Net als in La Chascona is ook hier elk voorwerp persoonlijk verworven of ontworpen. De tafel waaraan hij schreef is een stuk zelfgejut grenen; de zware stoelen met smeedijzeren poten zijn opgekocht van een schip in Puerto Montt, de havenstad in Zuid-Chili van waar vrachtboten naar Patagonie gaan. Het meeste is bijzonder, soms heel kostbaar, zoals de oude globes en de sterrekijker. Andere dingen hebben alleen particuliere waarde. De schouw is overdadig opgetut met lapis lazuli en andere stenen, als afgezanten uit het hele land.

Niets in dit huis is er zomaar. Alles getuigt van een overgave aan de liefde en de hebzucht, niet getemperd door normen van anderen. Het huis ademt vrijheid uit maar het heeft ook iets beklemmends, iets al te persoonlijks.Daar is de salon met de verzameling boegbeelden en engelen als uit de Sixtijnse kapel, en het blauwe matroosje dat als een piraat een verrekijker voor zijn oog houdt.

NIEUW-FRANKRIJK

Temuco, een dagreis per trein vanaf Santiago, was vorige eeuw nog het wilde westen van Chili. Er woonde - Bruce Chatwin vertelt het in On Patagonia en ook het kleine Araucaanse museum gewaagt ervan - een Fransman die zichzelf had uitgeroepen tot koning van 'Nieuw-Frankrijk'; zo noemde hij het gebied waar geen handelaar of toerist kwam want de Indianen die er woonden, waren berucht. De megalomanie van de Fransman was aanleiding voor de Chileense regering om dit gebied te pacificeren.

Hier woonde Neruda als kind, toen Temuco nog een pioniersdorp was. Zijn vader was machinist op een trein die macadam tussen de spoorrails stortte, anders spoelde alles weg door de overvloedige regens. Je vindt hier overal hout en ijzer en bloemen, net als in zijn gedichten.

Ik merk weer hoe hij zich de dingen toeeigende en ze op zijn manier bezielde. Waar Neruda kwam, werd de wereld nerudiaans.

De huizen waarin hij als kind heeft gewoond, zijn nu afgebrand. Niets herinnert rechtstreeks aan hem. Er is een school naar hem genoemd en iedere taxichauffeur weet te melden dat hij 'hermosisimo' (heel mooi) schreef. Op de markt is zijn hoofd in relief op hout, koper of leer te koop. Dat is heel wat voor een dichter. In het fotoarchief van La Chascona heb ik gezien hoe hij in een vol stadion uit eigen werk voorlas toen hij in 1950 na twee jaar afwezigheid om politieke redenen terugkwam in Chili. Hij is populair.

Temuco is nog steeds een pioniersstad, een stad zonder verleden, zoals vrijwel heel Chili zonder veel verleden is. Niets is oud. In tegenstelling tot de Argentijnen lijken de Chilenen geen moeite te doen om ter compensatie een kunstmatige traditie te verzinnen. Hier geen gaucho's, geen overdaad aan verwijzingen naar de nationale helden.

Voor mij is het verleden van Chili de poezie van Neruda. Overal waar ik kom, schieten mij dichtregels te binnen. Soms herken ik iets uit zijn memoires. Ik zie een uithangbord voor analfabeten, en een sleutel die geen twijfel laat over de aard van de winkel eronder.

Het regent vandaag niet. De vulkanen houden zich koest; de aarde beeft niet. Het is windstil. Vandaag is dit een stad zonder veel beweging, op het saaie af. In zijn boek met herinneringen Adios, Poeta laat Jorge Edwards zien dat Neruda, het idool van zijn jeugd, na zijn ommezwaai niet erg veranderd is, ook niet in zijn werk. De mythes en roddels hebben zijn leven overspoeld, maar dat was vroeger al zo. De Chileense jongens en meisjes die Neruda aanbaden, hoorden dat hun voorbeeld nooit las en alleen boeken van zichzelf bezat. Edwards was opgelucht (het staat er!) toen voor het eerst Neruda's deur voor hem openging en hij voor de grootste bibliotheek stond die hij ooit had gezien, vol met boeken van derden.