Edouard Saouma (FAO): armoe vervuilt Derde Wereld

Maandag begint in Den Bosch een internationale conferentie over landbouw en milieu. Centraal staat de vraag: hoe bedrijf je landbouw zonder blijvende schade voor grond, water of lucht. Een van de belangrijkse sprekers is Edouard Saouma, topman van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van VN. Een gesprek over de keuze tussen armoe en milieu.

ROME, 12 APRIL. Het dilemma is simpel te schetsen. Als je een boer in Brazilie vertelt dat hij geen bomen meer mag omhakken omdat dat slecht is voor het milieu, krijg je als antwoord: 'Ik moet toch leven. Moet ik dan mijn hoofd afhakken?'

Wie de boom wil behouden, moet ervoor zorgen dat de boer op een andere manier in leven kan blijven, suggereert Edouard Saouma, directeur-generaal van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. “Armoede is de oorzaak van negentig procent van de vervuiling in de ontwikkelingslanden”, zegt hij. Boeren die op een milieuvriendelijke manier werken, zouden daarvoor gecompenseerd moeten worden, omdat zij bijna altijd minder produceren.

Maandag begint in Den Bosch een conferentie over landbouw en milieu, georganiseerd door de FAO met steun van de Nederlandse regering, die onlangs Italie van de eerste plaats heeft verdrongen als de belangrijkste donor van de FAO. In een lang gesprek in zijn werkkamer op het FAO-hoofdkwartier, die uitkijkt over resten van het oude Rome, geeft de 64-jarige Saouma zijn visie op landbouw en milieu: de verschillen tussen arme en rijke landen, de rol van de grondstoffenprijzen, de mogelijkheden om daar in Gatt-verband iets aan te doen, het onlangs opgezette compensatiefonds.

Saouma: “Het is een unieke conferentie, een premiere, want het is voor het eerst dat er zo'n groot internationaal forum is om te praten over duurzame landbouw,” zegt hij. De nadruk in Den Bosch komt te liggen op de landbouw in de ontwikkelingslanden, en die heeft heel andere milieuproblemen dan de intensieve landbouw in het Westen. Het mestoverschot heeft slechts indirect raakvlakken met verwoestijning, de aantasting van het tropische regenwoud en overbegrazing.

“Neem het continent waar de landbouw het minst ontwikkeld is: Afrika,” zegt Saouma. “Volgens onze schattingen wordt daar ongeveer acht, negen kilo kunstmest per hectare gebruikt. In Europa is dat 250 kilo. Daarom is er nog flink wat ruimte voor veel ontwikkelingslanden voordat de hoeveelheid kunstmest die ze gebruiken, schade gaat veroorzaken.”

Ter vergelijking: een Nederlandse deskundige bij de FAO had eerder voorgerekend dat in Nederland, dat met tegen de 500 kilo kunstmest per hectare bovenaan de lijst van gebruikers staat, meer stikstof via de zure regen uit de lucht komt dan in Afrika op het land wordt uitgestrooid.

De reden van het lage kunstmestgebruik in Afrika is niet een hoger milieubewustzijn, maar minder geld. De kunstmest, die voornamelijk in chemische fabrieken in het Westen wordt gemaakt, is door de transportkosten in Afrika duurder dan in Europa.

“Je zou de prijzen moeten zien in nergens aan zee grenzende landen als Niger, Mali, Tsjaad,” zegt Saouma. “De producenten hebben steeds geweigerd de prijzen voor ontwikkelingslanden te verlagen, omdat het doorverkocht zou kunnen worden. Dat is de reden dat in Afrika kleine hoeveelheden kunstmest worden gebruikt.”

In ontwikkelingslanden wordt het land vaak op een andere manier te intensief gebruikt. Overbegrazing tast weidegrond aan, en ook planten boeren hun gewassen steeds vaker op grond die eigenlijk alleen maar geschikt is voor begrazing. “In sommige landen, in Afrika bij voorbeeld in de Sahel, is een ware strijd gaande tussen de herders en de boeren,” zegt Saouma. Hij vertelt dat vroeger in sommige Franse kolonies een scheidslijn bestond die was gebaseerd op regenval. Waar te weinig viel, mocht niets worden verbouwd, om de grond niet uit te putten.

Nu hebben de boeren in Afrika, in Latijns Amerika, steeds meer land nodig om meer te kunnen verbouwen, en na een paar jaar is het resultaat dat de volledige uitgeputte grond niet eens meer als weidegrond is te gebruiken, of dat de grond de rijkdom is verloren die hij had toen het nog tropisch regenwoud was.

Een andere vervuilingsbron in de landbouw in ontwikkelingslanden waar Saouma op wijst is de aquacultuur: stukken land, soms uitgegraven, soms omringd door een dijk, die onder water worden gezet om vissen uit te zetten. In Thailand worden circa honderdduizend hectare gebruikt voor de garnalenteelt. Om het land 'schoon' te maken worden pesticiden gebruikt. Bovendien wordt het water al snel zuurstofarm, wat ook weer tot vervuiling leidt. Een aantal zuurstofpompen zou hier al veel oplossen.

Een van de hoofdoorzaken van de strooptocht naar land in ontwikkelingslanden, ook al is het maar een paar jaar te gebruiken, is volgens Saouma naast de snelle bevolkingsgroei de lage prijs voor de gewassen. Hij wijst erop dat Australie de afgelopen jaren een enorme schuld heeft opgebouwd omdat het zijn hout en zijn schapen niet meer kwijt kan tegen een goede prijs, en ook de prijzen voor andere exportprodukten als suiker, graan en vlees zijn gedaald.

“Als Australie, dat te boek staat als een rijk land, al zulke problemen heeft, hoe moet het dan wel niet zijn in de landen van Afrika en Latijns Amerika?” vraagt Saouma. En nogmaals: “Armoede is een van de hoofdoorzaken van milieuproblemen in ontwikkelingslanden.”

Saouma zal in zijn openingstoespraak maandag veel aandacht vragen voor de noodzaak het verwachte produktieverlies door een milieuvriendelijker manier van landbouw bedrijven op de een of andere manier te compenseren. Zonder dat zullen veel Derde-wereldlanden de schade aan het milieu voor lief nemen. “Sommige ontwikkelingslanden zeggen: geef ons de vervuiling en het geld maar, en nemen jullie dan onze armoede zonder vervuiling”, aldus Saouma.

De Wereldbank heeft onlangs een fonds hiervoor opgericht, de Global Environment Facility, met een gepland budget van drie tot vijf miljard dollar. Het fonds moet binnenkort operationeel worden, maar Saouma zegt nu al dat veel meer geld nodig is. “Het is een druppel water in de zee”.

Bij die beoogde financiele steun zou het principe 'trade not aid' moeten gelden, aldus Saouma. “Als je de armoede wilt bestrijden die schade veroorzaakt aan het milieu, moet je de landen in staat stellen een grondstof te exporteren en daar een goede prijs voor te krijgen.

Dat is beter dan een check te geven: Unctad heeft nooit iets opgeleverd.''

Op de vraag of de milieuproblematiek een rol zouden kunnen spelen in de GATT-onderhandelingen waarin de regels voor de wereldhandel worden vastgelegd, zegt Saouma dat zoiets moeilijk te realiseren zou zijn.

“Een handelsakkoord dat aandacht besteedt aan het milieu zou een bijzonder goed middel kunnen zijn,” zegt Saouma. “Maar de GATT kan geen gendarme zijn en controleren of zaken zijn geproduceerd in een gebied waar schade is toegebracht aan de natuur. Het idee om de handel in die grondstoffen te verbieden die voortkomen uit een duidelijke en kennelijke aanslag op het milieu is mooi maar moeilijk te realiseren.

We zouden moeten onderzoeken hoe het een conditio sine qua non van de GATT kan zijn dat geen handel mag plaatshebben tussen landen als de omstandigheden van produktie nadelig of schadelijk zijn voor het milieu.''

De Verklaring van Den Bosch die de conferentie zal opleveren, is een van de bouwstenen voor de grote conferentie over ontwikkeling en milieu die de Verenigde Naties volgend jaar juni in Rio de Janeiro organiseren. In Den Bosch praten de landbouwdeskundigen onder het voorzitterschap van voormalig minister van landbouw Braks die het voorstel voor de conferentie heeft gedaan. Het is de bedoeling dat in Brazilie staatshoofden en regeringsleiders zich buigen over de ontwikkelingsproblematiek in het algemeen, waarvan de landbouw slechts een onderdeel is.

Saouma zegt te hopen dat Den Bosch als een bescheiden opwarmer kan dienen voor Rio de Janeiro. “Het belangrijkste van de conferentie is dat mensen zich bewuster worden van de problemen, van de noodzaak om niet alleen maar te mikken op ontwikkeling door intensieve produktie, intensieve landbouw”, zegt hij. “We moeten weten dat we de basis voor ontwikkeling aan het vernietigen zijn en dat we schade veroorzaken voor de komende generatie en de generatie daarna. Met al die kunstmest zijn we de grond aan het drogeren.”