De schim van Harry Lime in Wenen

Reeds daags na het overlijden van Graham Greene was de Oostenrijkse televisie zo attent The Third Man uit te zenden, de film waarvoor hij een half mensenleven geleden het draaiboek schreef. Het is, zoals bekend, een documentaire-thriller over het naoorlogse Wenen, half verwoest, hongerend, met de bijbehorende corruptie en zwarte handel, die de vier bezettingsmachten - Russen, Amerikanen, Fransen en Engelsen - zonder veel succes trachtten te beteugelen.

Behalve een documentaire-thriller is de film ook een soort postume reisgids, die ons langs de weinige pittoreske locaties voert die niet door de geallieerde bombardementen waren verwoest. Je ziet het Reuzenrad, bij de entree van het Prater. En de Judengasse, waar de ongelukkige Anna en de hardnekkige Holly de handel en wandel van de onzalige Harry bespraken. En Palais Pallavincini waar Harry Lime (zogenaamd) werd doodgereden. En het Zentralfriedhof, waar hij (zogenaamd) werd begraven, totdat hij honderdtwintig scenes later, na een jacht door de kilometerlange riolen, op ditzelfde kerkhof - dit keer echt - in de diepbevroren bodem werd gestopt.

De Derde Man is in Wenen eveneens een toeristische attractie. Een van de dertig van gemeentewege georganiseerde wandelingen volgt 'de sporen van Harry Lime', onder leiding van een gediplomeerde gids. Dat kun je, tussen de Wiener Melange en de Wiener Sangerknaben door, niet laten schieten. Dus melden wij ons, veertig man-vrouw sterk, op de door de folders voorgeschreven plaats, waar een vriendelijke mevrouw te wachten staat om onze honderd schilling de man-vrouw te incasseren.

Het overbekende Reuzenrad, verklaart zij, zullen wij terzijde laten liggen. Wij gaan de riolen in, dezelfde riolen waarin Harry Lime ooit onder geallieerd kogelvuur crepeerde.

“Maar wees niet al te teleurgesteld”, waarschuwt de gids. “Je ziet eigenlijk niets. En het stinkt. Het stinkt verschrikkelijk.”

Per metro sporen wij naar de Friedensbrucke, drie haltes verder. Daar gaan wij inderdaad ondergronds, door de zaklantaarn van de gids bijgelicht, opdat wij niet met onze neus in de excrementen en damesverbanden zullen tuimelen. Is de mens eigenlijk wel bij zijn verstand? Hij betaalt honderd schilling, de alpenrepublikeinse tegenwaarde van (f) 16,50, om door een verzameling Weens afval te waren en uiteindelijk niets te zien en alles te ruiken. “Wat u nu ruikt is eigenlijk nog vrij fris, bij andere dagen vergeleken”, zegt de gids opgewekt. “Tijdens de opnamen van de rioolscenes was de stank zo onverdraaglijk dat Orson Welles, die zoals u weet de titelrol speelde, flauw dreigde te vallen en zich in een bepaalde shot door een Weense slager moest laten doubleren.”

Wat had die schurkachtige Harry Lime ook weer precies misdaan? wil een Engels meisje weten.

“Hij verkocht aangelengde penicilline aan de ziekenhuizen”, zegt de gids. “Met als gevolg dat de patienten stierven of op z'n minst krankzinnig werden. Echt gebeurd, hoor. Daar was door Graham Greene geen woord van verzonnen.”

Welles slaagde erin de slechts tien minuten, die zijn rol besloeg, een bandiet te portretteren van een haast humoristisch cynisme. En hij bedacht ter plekke bij het verlaten van het Reuzenrad, na door zijn vriend Holly op moraliserende wijze te zijn toegesproken, zijn beroemd geworden speech over de creativiteit van het kwaad. “Het Italie van de Borgia's was vergeven van terreur, moord en doodslag - en het was tegelijkertijd het tijdperk van Michelangelo en Leonardo da Vinci. Een land als Zwitserland kent op zijn beurt al vijfhonderd jaar vrede en democratie - en wat is het enige resultaat? De koekoeksklok. So long, Holly.”

Om zoiets te improviseren, midden in het winterse Wenen, terwijl de camera loopt, moet je inderdaad ten minste een geniaal kunstenaar zijn.

Wij sporen weer terug en belanden, via de putdeksel die voorkwam dat Harry Lime zou ontsnappen, bij hotel Sacher, bezijden de Opera. De Opera lag in 1948 ('Vanuit de parterre kon je de hemel zien'.) geheel in puin. Hotel Sacher was daarentegen gespaard gebleven en vormde het geallieerde hoofdkwartier. Vervolgens bezichtigen wij de pui van Palais Pallavincini en het portiek van de Oriental bar, waar de cast zich op artistiek verantwoorde wijze met chocoladelikeur vol liet lopen. Onze wandeling eindigt ten slotte op de Hohe Markt, bij de Josefsbrunnen, vlak bij de plaats waar Harry Lime zaliger nagedachtenis de riolen invluchtte.

Hebben wij nog een vraag, informeert onze gids. Ja. Hoeveel keer heeft zij zelf De Derde Man gezien?

“Een keer of veertig, denk ik”, zegt onze gids. “En als hij morgen op de WDR wordt vertoond zie ik hem weer. Je ontdekt elke keer wat nieuws, dan weer in de belichting, dan weer in de dialoog.”

De film staat in Wenen ongetwijfeld permanent op het bioscooprepertoire?

“Nee. De Derde Man was al vanaf de premiere tamelijk impopulair bij ons. De Weners zien liever een operette dan een portret van een stad die voor driekwart in puin is gebombardeerd.”

De ontvangst in de Weense kranten was toentertijd inderdaad tamelijk koel. De (communistische) Wiener Zeitung sprak zelfs over “een pamflet van het meest rabiate anticommunistische soort”, wat een komisch verwijt is tegen de achtergrond van Greenes salonbolsjewistische reputatie. In werkelijkheid spelen de Russen in de film een bescheiden en gematigde rol. Evenals trouwens de Amerikanen. Het zwaartepunt van de actie ligt bij de Britse majoor Calloway en de zijnen. David O. Selznick, de Amerikaanse partner in deze Anglo-Amerikaanse co-produktie, beviel dit allemaal maar weinig.

Hij eiste veertig veranderingen in het script benevens “een Amerikaanse schrijver die de dialoog dusdanig bewerkt dat deze vanuit een Amerikaans standpunt acceptabel wordt”. Het draaiboek van Graham Greene vond hij “bijna een schande” voor Amerika. “Ik zal het in deze versie niet tolereren - jullie kunnen allebei de pest krijgen.”

Dat waren dus Graham Greene en zijn regisseur Carol Reed. “Het is goed, meneer Selznick”, spraken zij geduldig, om zich vervolgens niets van 's mans hoerapatriottistische directieven aan te trekken.

Want tussen het Hollywood van David O. Selznick en het Wenen van De Derde Man lag gelukkig een hele oceaan benevens twee halve werelddelen.