De plons van een ballon

Met een groots gebaar heeft de jury de jaarlijkse AKO-steen weer in de vaderlandse letterenvijver geworpen.

Het gaf - om Annie Schmidt te parafraseren - een plons die men kon horen tot in de buurt van Apeldoren. Onmiddellijk begonnen de klaagzangen van de literatuurpagina's in de kranten op te stijgen. De koppen jammerden over uitholling en over de verwording van de prijs van sieraad tot ramp. Critici misten natuurlijk hun eigen lievelingen en morden over de dunte der nominaties, terwijl zoveel mooie, dikke literatuur terzijde was geschoven. Algemeen echter gonsde de verontwaardiging over het soort boeken dat is genomineerd: naast de oude, vertrouwde roman ook een journalistiek reisverslag, een biografie en een kinderboek! Arnold Heumakers stelde het in de Volkskrant zonder omwegen: “Het lijkt me hier niet de plaats om de discussie over de grenzen van het 'literaire proza' (zo heet de categorie waarop de AKO-prijs zich richt) nog eens opnieuw aan te zwengelen, maar duidelijk zal zijn dat met name deze nominaties elke discussie over het literaire klimaat bij voorbaat verstoren, want in dat klimaat tellen ze niet mee.” Uit de vaderlijke welwillendheid waarmee Verse bekken! van Anne Vegter wordt beschouwd leid ik af dat een kinderboek in genoemd literair klimaat toch nog meer niet meetelt dan de biografie en het reisverslag. Reinjan Mulder toonde zich in deze krant danig uit zijn humeur, waar hij op grond van het juryverslag concludeert: “Een paar verhaaltjes voor kinderen hoeven niet onder te doen voor een diep doordachte en doorwrochte roman.”

Wel is Verse bekken! volgens hem “op zichzelf een heel aardig boek”, met een “groot aantal leuke plaatjes”. Voor zijn geestesoog ontrolt zich echter een nachtmerrieachtige scene, waarin “dit tekstje van amper twintig bladzijden” zal worden uitgeroepen tot het beste boek van 1990. De passage die hij Vegter vervolgens tijdens het galadiner laat voorlezen zou de auteur ongetwijfeld nooit kiezen, want voor haar verrassende taal- en gedachtenkronkels is hij absoluut niet representatief.

Tom van Deel stelt in Trouw dat er met het boekje “niets mis” is. Het is “zelfs prachtig” en iedereen van acht tot tachtig moet het lezen. Warm aanbevolen dus voor elke volwassene onder de tachtig, maar van een volwassen literaire bekroning kan geen sprake zijn. Bij de weging van Adriaan van Dis' nominatie verderop in zijn artikel meent Van Deel dat daar toch iets aan blijft kleven van ongelijksoortigheid, “wanneer men er de produkten van de vrije verbeelding naast legt.”

En zulke produkten zouden Meijsing, De Martelaere en Thomese afgescheiden hebben. Maar Vegter dan? Wie een mysterieus mannetje een mooie verhouding met een graspol laat ontwikkelen en op straat zijn vers getrokken bekken laat uitventen, schreef naar mijn idee een produkt van de vrije verbeelding bij uitstek.

Arnold Heumakers ontdekt in Verse bekken! “absurde logica” en “grappige, vervreemdende effecten, die worden veroorzaakt door de verschuivingen in het taalgebruik.” Hij onderschrijft de verwantschap met Koolhaas, Vroman en Tellegen, om onmiddellijk daarna te komen tot wat voor hem blijkbaar 'des Pudels Kern' is: “Maar alle verwantschap sluit bij mij niet de ogen voor het verschil dat van Verse bekken!

toch in de eerste plaats een kinderboek maakt.'' Punt. Uit. Wat dat verschil dan is blijft in nevelen gehuld. Wat er mis is met Vegters boek is dat het een kinderboek is. Daar is een eigen hok voor en daar moet het in blijven.

Tussen de literatuur voor volwassenen en die voor kinderen loopt een niet precies te traceren en meestal niet onpraktische scheidslijn.

Sommige 'produkten van de vrije verbeelding' laten zich echter moeilijk definieren. Ze zijn ontstaan en wie ze mooi vindt, vindt ze mooi. Zo wandelen de sprookjes van Andersen, de versjes van Annie Schmidt, Alice in wonderland en Winnie-de-Poeh al decennia lang onbekommerd aan deze en gene zijde van de scheidslijn rond. Het is veel te veel eer om Verse bekken! in een adem met deze grootheden te noemen, maar geen criticus die zichzelf serieus neemt zal toch kunnen volhouden dat een boek de AKO-prijs niet waardig is, alleen omdat het dun is (de gemiddelde dichtbundel is niet veel dikker) en ook door kinderen te lezen. Zo deze nominaties iets verraden van de rimpelingen in de Nederlandse literatuur - wat Heumakers zo graag wil - dan is het dat er gemorreld wordt aan de grenzen tussen jeugd- en volwassenenliteratuur, nu eens niet zoals gebruikelijk vanuit het jeugdliteraire kamp maar vanaf de andere kant. Tegenover het verguisde AKO-nominatietje staat de Libris Woutertje Pieterseprijs, die vorige maand naar het voor een volwassen lezerspubliek bestemde Anderland van Paul Biegel ging.

Ik betwijfel overigens of de AKO-jury serieus overweegt om Anne Vegter op 21 mei de prijs te overhandigen, een twijfel die ook geuit is door alle boven geciteerde critici. Zonder de schitterende, gedetailleerde tekeningetjes van Geerten ten Bosch zou Verse bekken! niet zijn uitgegeven. De teksten ontlenen er mede hun samenhang en betekenis aan. En wanneer met een literatuurprijs ook het beeld bekroond zou gaan worden, dan zou in het volwassen land der letteren pas goed de pleuris losbreken. Daarmee heeft deze nominatie toch meer van een het kinderboek passend proefballonnetje dan van een steen, met het gewicht van de 'diep doordachte, doorwrochte roman'.