De Penelope van Willem Jan Otten; Het was missen op het eerste gezicht

Willem Jan Otten: Paviljoenen. Uitg. Van Oorschot, 46 blz. Prijs (f) 19,90.

Een man en een vrouw, nog niet zo lang getrouwd, liepen door de duinen. Ze wandelden over een boomschorspad, richting zee. Er stond niet veel wind, en toen de wind even ging liggen zei de man tegen zijn vrouw dat er iets ontbrak. Ze liepen door, door het stuifzand van de duinen, en keken uit op de zee, 'die wiegde in haar graf'. Ze zwegen, maar al zwijgende beseften zij allebei dat juist de gedachte dat er iets ontbrak hen verbond en hen maakte tot een paar. Ze daalden af naar het strand en lagen daar, onder het paviljoen, 'en er was alleen een zandbankver geruis'. Dit moment, deze uren, de 'uren van hun voorgenomen maaksel, toen nog niets begon, geen hand haar knie verschoof': het zijn de uren die de vrouw zich later zal herinneren.

Deze vrouw heet Penelope, en deze man Odysseus, en hun duinwandeling speelde zich af op het Waddeneilandachtige eiland Ithaka, niet lang voordat Odysseus scheep zou gaan naar Troje. Hun zomeridylle is te vinden in een gedicht uit de nieuwe bundel Paviljoenen van Willem Jan Otten. Je zou denken dat hier aan het strand een kind verwekt werd ('hun voorgenomen maaksel'), maar er is meer en waarschijnlijk zelfs heel iets anders aan de hand. Het gedicht draagt de komische en dubbelzinnige titel 'Penelope's eisprong'. Daarmee kan verwezen zijn naar Penelope's vruchtbaarheid, maar ook naar haar eigen 'geboorte' om zo te zeggen, haar eigen sprong uit het ei - en ik denk dat het hier om die laatste betekenis gaat.

Odysseus was de man die voelde dat er iets ontbrak en hij, de 'onbegonnen bruidegom', verdween. Hij vertrok naar Troje en hij werd 'de weefselman' wiens avonturen door Penelope op haar weefgetouw verbeeld werden. Hij werd, zoals Otten aan het slot van zijn gedicht zegt, 'hij werd wat ontbrak' en daarmee werd hun verhouding pas compleet en daarmee verkreeg Penelope pas haar ware identiteit: zo werd zij een mister, iemand die iemand mist, een vrouw die leeft bij de gratie van het missen.

Dit lijkt mij binnen de Penelopelogie en de Odysseusuistiek een nieuwe en psychologisch verrassende analyse van hun verhouding. Zij is in verschillende variaties terug te vinden in de eerste, titelloze afdeling van de bundel - en trouwens ook in de andere twee afdelingen, want bijna alle gedichten zijn van een zeker Penelopeisch gemis doortrokken. 'Zij was zozeer met hem een paar- dat zij er raar van werd' heet het in het eerste gedicht, en daar is het Penelope zelf die ingrijpt. Zij voelt zich 'de prepenelope' die ernaar haakt om zichzelf, om Penelope te kunnen worden, en die dan ook haar man beveelt: Sta op, zei zij, en ga ter Odyssee.

Van geluk komt kou, leven van idee. Ga weg, dan word ik buik om jou.

Ga weg, verwek in mij Penelope. En in een ander gedicht zegt zij: 'Ik wilde jou en dat ik missen zou- wist ik al voor het begonnen was.- Jou willen is je missen. Het was missen- op het eerste gezicht.' Pas met een ontbrekende, verwegge Odysseus kan zij zichzelf zijn: 'Haar wijze van wezen was dat iets ontbrak.'

MODERN

Dit is, hoewel ingewikkeld, ook erg sensationeel, zeker in vergelijking met het traditionele beeld van Penelope als de trouwe, seksloze, onbestorven weduwe die zich in haar paleis verbergt achter een weefgetouw. Ottens Penelope is sensueel en geestig en je zou haast zeggen meer van deze tijd. Zij laat niet, zoals bij Homerus, haar identiteit geleidelijk samenvallen met de haar opgelegde rol - zij zorgt er juist voor dat haar toekomstige rol samenvalt met wat nu al haar identiteit is. Hier is niet het antieke noodlot aan het woord, en hier regeert niet de duistere wil van de goden. Hier besluit een jong, modern echtpaar dat het voor hen beiden beter is om uit elkaar te gaan, niet omdat ze ongelukkig zijn, maar omdat ze weten dat missen het verlangen vergroot, en dat in gedachten met iemand samenvallen opwindender en veelomvattender kan zijn dan in het echt. Geluk leidt maar tot kou, zegt Penelope in het eerste gedicht; een idee leidt pas tot leven, en daarom moeten zij voor elkaar tot ideeen worden.

Wie fronst bij zoveel kunstmatige liefde heeft het niet goed begrepen en hoort thuis in het kamp van de vrijers. 'De pappenheimers' noemt Otten ze, in een mooi gedicht dat hen mokkend aan het woord laat. Zij, de koningin, staat elke avond op de steiger uit te zien, als een 'brandaris van een lege zee', en wendt zich af van 'ons, valeurs en sorbet-eters': '- wat moeten wij- met zo een koppig beeld van missen op- ons Ithaka waar missen niet kunnende kopen is?' Nuchtere en ongeduldige taal van de vrijers is dit. Penelope ontvlucht hen als het ware in een serie mooie lange innerlijke monologen die zich licht en geestig en soepel over de paginagrens uitstrekken, waarin de zinnen op het ritme van de zee met veel lange ee's over de regels aanspoelen. We zien Penelope badminton spelen met een denkbeeldige Odysseus, we zien hoe zij in iedere aangespoelde jerrycan haar man herkent, en hoe zij droomt van het ontvangen, ooit eens, van een brief 'gestempeld Navel Van De Zee.'

Deze Penelope is de uitvergroting van een tweespalt die in al het werk van Otten terug te vinden is: het tergende verschil tussen vervoering en de vergeefse poging die vervoering later weer op te roepen. Er zit voor de denkende dichter die hij nu eenmaal is weinig anders op dan de momenten waarop het denken wegviel terug te denken, te omcirkelen, te beramen - om enkele van zijn werkwoorden te noemen. Vandaar al die aandacht voor herinneren, wegdoezelen en dromen, voor momenten waarop iets staat te gebeuren of juist afgelopen is, voor randen waarop gestuit wordt: daarachter strekt zich uit wat zich niet meer laat denken, alleen maar in het echt laat kennen: 'een windstil meer, een vlakte- onbetreedbaar, en weerspannig als een zeepbel.' Ottens Penelope heeft dit allemaal al vroeg ingezien, met bovenmenselijke wijsheid, en zij heeft van deze nood een deugd gemaakt. Haar leven is louter missen, zodat zij zich als een dichter of als een pornograaf kan werpen op het steeds maar weer in gedachten beramen van wie en wat zij mist.

Odysseus zelf komt er in die eerste afdeling dus niet aan te pas. Hij mag in de tweede afdeling eindelijk, ergens in het jaar tweeduizend, thuiskomen op een verlaten Ithaka, waar 'de paviljoenen finaal in zee gegleden zijn', waar op het strand een 'niet te troosten linker-adidas' ligt en waar van Penelope niet meer rest dan 'het steeltje van haar laatste peer.' In de derde afdeling figureert hij als 'de heer Penelope' temidden van andere beramers, onder wie Casanova, een Ankeveense in Peru, twee vierjarigen, een onanist en een koorddanser. De laatste, Broeder Zool, die beroepshalve heel zijn ziel in zijn zool legt, is de enige die echt weet waar hij met zijn beramingen op uit is: op 'het meisje in de lurex bustiere' aan het andere eind van de draad, hoog in de nok van de circustent. 'Hij heeft onze droom van tastbaarheid gedroomd', merkt de dichter bewonderend op, en hij heeft er vervolgens zijn werk van gemaakt. Wij, onder in de tent, kunnen er alleen maar met stijve nekken naar kijken, als in Plato's grot, als naar de afschaduwing van een idee.

Dat is het mooie, jaloerse besluit van een bundel met een hoog essayistisch gehalte, met een hoge dosis zuivere lyriek en van een ontroerende vergeefsheid. Deze poezie leeft, als Penelope, bij de gratie van het gemis. Want als het missen in poezie al opgeheven kan worden, dan is er wel weer een nieuw gemis: daar is het voorgenomen maaksel, de schrijver leest het over 'en staart want weet- mijn maaksel kom ik nooit meer in.'