De nominatiekunst

'Hoe gaat het nu in zijn werk als zo'n jury aan het nomineren is?' Dat wordt me de laatste tijd weleens gevraagd door mensen die veel belangstelling hebben voor literatuur maar niet tot de ingewijde kringen der nominateurs horen.

Ze denken dat ik daar betere contacten heb. Na dat bevestigd noch ontkend te hebben, begin ik iets te vertellen over mijn eigen ervaring als jurylid. Twee maal heb ik dat voorrecht gehad. De eerste keer was ik vastbesloten, de prijs te geven aan een oude vriend, tevens schrijver van de eerste orde. Een medelid liet zich door dezelfde overwegingen leiden maar was met iemand anders bevriend. De overige drie hadden blijkbaar geen vrienden die ook goed konden schrijven. Al vlug werd het duidelijk dat het een kwestie van volhouden tussen ons beiden zou zijn. Ik won en daarmee waren de toch al niet te beste betrekkingen met de concurrentie voorgoed bedorven. Als ik het had verloren zou ik het misschien hebben verzwegen, maar nu ben ik er tevreden over. Nog bijna iedere dag raak ik er meer van overtuigd dat die prijs bij de beste terecht is gekomen.

'Denkt u dat het bij de nominering voor de AKO Prijs ook zo in z'n werk is gegaan?' luidt dan de volgende vraag. Tja! Ik weet het niet.

Er is natuurlijk wel wat gelekt uit AKO-kringen maar dat ging vooral over de stachonovietenarbeid die de heren zich hebben getroost.

Daarover alles gelezen hebbend, schoot het me te binnen dat het volgend jaar adviesbureau McKinsey er eens bijgehaald moest worden.

Maar dat is niet zozeer een literaire kwestie als wel een organisatorische; in zekere zin meer vorm dan inhoud. Zoals bij alle prijsuitdelingen waaraan geen exact meetbare prestatie ten grondslag ligt, gaat het in dit geval om het ondoorzichtige, de gewijde sfeer van hocuspocus die ook om de Sixtijnse Kapel hangt als er een Paus wordt gekozen. Er is dan wel een juryrapport, maar dat bestaat uit altijd dezelfde gewichtige gemeenplaatsen, die dan weer zus, dan weer zo geordend worden. Jureer de jurys, zou ik met een variant op Marx willen roepen.

Hoe gebrekkig het op het ogenblik dus ook in z'n werk gaat, de AKO Prijs heeft het voordeel van de nominaties. Daarmee kan veel meer worden gedaan: dat systeem kan de grondslag worden van een televisiespektakel waarbij de literatuur of zelfs de beschaving in het algemeen voor de verandering eens niet het loodje legt. Het komt eenvoudig hierop neer dat de juryleden een aantal punten tot hun beschikking staat, zestig, om het niet te moeilijk te maken. Die verdelen ze over de zes genomineerden. Tot zover lijkt het op het Euro Songfestival: Come in, Luxembourg, maar dan in zuiver Hollands. Het verschil is dat ieder jurylid bij de verdeling van zijn punten een korte verklaring moet geven.

Op deze manier zal blijken dat er voor ieder van de zes genomineerden wel iets te zeggen valt; men vermijdt dat aan het einde van de feestelijke zitting vijf schrijvers met ongeneselijke verbittering naar huis gaan en dat hun boeken van het ene uur op het andere gediskwalificeerd zijn. De uitverkorene gaat weliswaar met de vijftigduizend gulden strijken maar niet met de totale publieke eer.

Die is namelijk in de loop van de stemverklaringen genuanceerd tussen alle zes genomineerden verdeeld, en zo hoort het ook want anders waren ze niet genomineerd.

Nog een voordeel: als er goed is genomineerd zullen de kandidaten voor de prijs elkaar in talent en genie niet veel ontlopen. De ontwikkeling van de puntenverdeling moet natuurlijk op een soort thermometer te zien zijn. Dit garandeert een oplopende spanning waarbij men in die eetzaal op den duur geen hap meer door de keel zal krijgen. Dat belooft al eersteklas televisie.

Maar het beste komt nog. Het publiek kan de gang naar het onherroepelijke van de bekroning van punt tot punt volgen en wordt dus niet voor een in hoge mate mysterieus voldongen feit geplaatst, zoals nu en bij alle bekroningen het geval is. En daarmee ben ik nog niet aan het eind.

Het allerbeste is dat het publiek de jury zal zijn van de juryleden. Op de hier aanbevolen manier zal duidelijk worden hoe een jury denkt, door welke oorspronkelijke inzichten de leden zich laten leiden, met welke vaardigheid ze dat allemaal onder woorden kunnen brengen voor de genadeloze camera die de vertegenwoordiger van het miljoenkoppig lezend volk is. Dat is, dunkt mij, pas de ware rechtvaardigheid, en misschien precies ook wat de AKO wil.