De moeder van Sinterklaas

Zoekend keek zij langs de trappen Om te zien wie daar zo huilde, En ziedaar: ineengedoken, Half verscholen in het duister, Snikkend of zijn hart moest breken, Zat een heel klein Sinterklaasje Zielsverloren bij de kerkdeur.

Arme jongen, sprak de dame, Moet jij niet nodig naar je bed toe? En wat draag je vreemde kleren, Waarvandaan die rode tabberd En wat heb je op je hoofdje? 't Lijkt waarachtig, ja wat is het? Ja, het is een kleine mijter; En wat moet je met die kromstaf? Zeg eens kereltje, hoe heet jij? Droog je tranen en vertel mij Wat jij nog zo laat op straat doet.

Lieve dame, sprak het ventje, Ja, het klonk natuurlijk anders, Daar 't kind dat in het Spaans zei: Lieve dame, ach vergeef mij! 'k Heb geen huis en ook geen moeder, 'k Denk dat ik die nooit gehad heb. En ik heb geen and're kleren Dan de dingen die ik aanheb; Toen begon hij weer te schreien, Liet de vrije loop zijn tranen, Steeds in zijn scharlaken tabberd.

Kom maar jongen, zei de dame, Kom maar met mij mee naar huis toe, Ik geen kind en jij geen moeder: 't Schijnt mij toe, dat blijkt uit alles, Dat wij voor elkaar bestemd zijn. Jij mag altijd bij mij blijven, Dan krijg jij je eigen bedje, En een kamer vol met speelgoed, Wil jij voortaan dan mijn zoon zijn? Maar vertel eens, lieve jongen, Hoe jij aan die vreemde naam komt.

Mama, zei het Sinterklaasje, 'k Zal een hele goede zoon zijn, En hij zwaaide met zijn kromstaf. Wie het was zou ik niet weten, Die mij Sinterklaas gedoopt heeft, Maar die naam wil ik behouden. Mama, later als ik groot ben, Zal ik uitgaan in de wereld, Rijdend op een paard, een schimmel; En zal al mijn speelgoed delen Met de kind'ren die mij lief zijn.

Dat is best, sprak toen die dame, Maar nu moet je eerst het bad in; 'k Zal je boenen en je schrobben, En je tabberd moet gewassen. Toen dat allemaal gedaan was, Gaf zij Sinterklaas een nachtzoen; Ze heeft hem toen nog voorgelezen, Alles in het Spaans natuurlijk, Tot hij eindelijk in slaap viel.

(Voor Hannah) Op een avond in December, Nu een eeuwigheid geleden, In het verre arme Spanje, Liep een kinderloze moeder Door de straten van Toledo. Door de stille straten liep zij, Tot zij bij de kathedraal kwam En een kindje schreien hoorde.

    • Rudy Kousbroek