De kop van een smokkelaar op het lijf van een boerin; Het leven van Picasso in vier delen

In zijn Picassobiografie, waarvan onlangs het eerste deel verscheen, kiest John Richardson niet voortdurend partij voor de schilder. Hij twijfelt aan elk verhaal en laat op een innemende manier zien dat Picasso de neiging tot grootspraak had. Ook laat hij zien waarom Picasso een portret van Gertrude Stein schilderde: niet om haar werk, niet om haar geld, maar om haar volume.

John Richardson A life of Picasso (Volume I 1881-1906) Random House, New York. Prijs (f) 77,50.

In het begin van de jaren vijftig begon de Engelsman John Richardson (geboren 1924) zijn landgenoot Douglas Cooper te helpen bij het samenstellen van zijn particuliere collectie kubistische schilderijen.

Cooper was een kenner en verzamelaar van het werk van Picasso, Braque, Gris en hun geestverwanten. Samen met Richardson bracht hij dat zich steeds uitbreidende bezit onder in het Chateau de Castille, een kasteel in de Provence, niet ver van Arles en Nimes.

De twee Engelsen raakten bevriend met Picasso, die toen in Vallauris, bij Cannes, woonde. De schilder ging regelmatig naar het kasteel om te zien hoe ver de verzameling was gevorderd. Als hij naar een stieregevecht in de arena van Arles of Nimes was geweest nam hij zelfs een heel gezelschap mee. En altijd sprak hij voluit over het verleden, zijn werk en het leven van alle dag.

Richardson begon van die gesprekken in Vallauris en het Chateau de Castille aantekeningen te maken. Picasso had het vaak over zijn vrouweportretten. Een nieuwe liefde betekende voor hem ook een nieuwe stijl, een andere manier van werken. Volgens Richardson merkte de schilder eerder trots dan schuldig op dat het voor een vrouw vast wel eens pijnlijk was te zien hoe hij zijn belangstelling voor haar verloor en haar op een doek in een monster veranderde terwijl een andere liefde in al haar glorie door hem werd geschilderd.

De jonge Engelsman sprak in die dagen ook met Dora Maar met wie Picasso tussen 1936 en 1945 optrok. Zij bevestigde wat hij had gezegd en ging zelfs verder: een nieuwe liefde veranderde alles. Het duurde niet lang of Richardson kon dat met eigen ogen aanschouwen.

Toen hij Picasso voor het eerst ontmoette had Fran(c,)oise Gilot de schilder met hun twee kinderen net verlaten. Zijn nieuwe vriendin was de zevenentwintigjarige Jacqueline Roque. Onmiddellijk zocht Picasso een ander huis, nam een andere hond en andere bedienden en schafte zich zelfs een nieuwe vriendenkring aan. Als hofdichter maakte Jean Cocteau zijn rentree, een rol die hij ook al had vervuld tijdens Picasso's neo-classicistische periode en zijn huwelijk met Olga Kokhlova in de jaren 1918-1925. Toen Cocteau in 1963 stierf, midden in het tijdperk Jacqueline, werd hij opgevolgd door de Spaanse dichter Rafael Alberti.

Eerst kreeg Richardson het idee naar aanleiding van de vrouweportretten een studie te schrijven die het hele leven van de schilder zou beslaan. Toen hij hem beter leerde kennen vond hij die opzet te beperkt. Volgens Picasso was zijn hele werk een dagboek. Zo was het ook gedateerd. Voor wie goed keek bevatten zelfs stillevens en stieregevechten sporen van zijn leven.

Richardson veranderde van voornemen. Hij geloofde dat Picasso de waarheid sprak. Het woord dagboek moest alleen niet te letterlijk worden opgevat. Meestal staat het voor een openlijke bekentenis, maar zo kon een fantast als Picasso het nooit hebben bedoeld. Het was een dagboek in code, een geheimschrift dat misschien enigszins kon worden verduidelijkt als iemand zich grondig in het leven van de schilder verdiepte.

SPRINGPLANK

Het eerste deel van A life of Picasso is nu verschenen. Richardson heeft zich werkelijk gehouden aan het onmogelijke uitgangspunt waarop hij in de Provence door toedoen van Picasso was gekomen: een beschrijving van zijn hele leven dat steeds tot zijn werk wordt herleid.

Die aanpak steekt scherp af bij de meeste schildersbiografieen, waarin het werk zo'n beetje als bekend wordt verondersteld en hoogstens als springplank dient naar sappige verhaaltjes en nauwelijks verholen achterklap. Bij Richardson is het omgekeerd: de soms uitvoerige anekdotes monden altijd uit in het werk.

Toch heeft de schrijver er voor gewaakt in het andere uiterste te vervallen, mede geholpen door een andere opmerking van de man die hij beschrijft. Picasso zei tegen Richardson dat kunsthistorici en critici een schilderij soms krankzinnig ingewikkeld uitleggen, ofschoon het heel toevallig tot stand is gekomen. De schilder deed gewoon zijn werk en had niet zo veel diepe gedachten. Picasso vergeleek het schilderen met het organiseren van een etentje: “Je nodigt zes mensen uit en er komen er maar twee.” De schilder vermaakt zich met de twee die wel zijn gekomen. De criticus verdiept zich in de beweegredenen van de gasten die zijn weggebleven.

A life of Picasso is de veelzeggende titel van de levensbeschrijving, een leven, Richardson ziet zijn poging slechts als een mogelijkheid.

Het eerste deel beslaat 597 bladzijden met meer dan negenhonderd afbeeldingen, jammer genoeg in zwartwit, kleur was te duur geworden.

Er zullen nog drie delen volgen. Dat eerste deel begint met een indruk van zijn familie in Malaga, waar Picasso op 25 oktober 1881 werd geboren. Het eindigt in zijn atelier in het Bateau Lavoir, Parijs. Het is begin 1907. De vijfentwintigjarige schilder heeft de eerste schetsen gemaakt voor Les Demoiselles d'Avignon, de voorstelling van vijf vrouwen in een bordeel, dat hij in Barcelona dikwijls had bezocht. Op dat ogenblik laat Richardson zijn held in de steek. Het is dan ook een mooi begin van deel twee.

Wat laat de schrijver tussen Malaga en de aanzet tot die eerste vijf kubistische vrouwen gebeuren?

Op het eerste gezicht is Richardson, vergeleken met zijn vele voorgangers in het voordeel. Hij kon putten uit de omvangrijke Picasso-literatuur. Vele getuigenissen van tijdgenoten waren beschikbaar, bij voorbeeld de herinneringen van Fernande Olivier, de vriendin van de schilder vlak voor Les Demoiselles, en van Jaime Sabartes, die het langst zijn secretaris zou blijven.

De meeste van die bronnen, inclusief Picasso, waren voor een groot deel onbetrouwbaar. Fernande Olivier had een rekening met de schilder te vereffenen, Sabartes bewierookte hem tot in het belachelijke en de meester zelf maakte elk verhaal groter dan het hoorde te zijn. Hij kon tekenen voor hij kon praten - wie niet -, op school was hij al een wonderkind, dat in het stof tekende terwijl de andere kinderen aan het spelen waren.

Richardson ontmaskert de meeste van deze beweringen als grootspraak. Hij vangt deze neiging tot fabuleren zelfs in een schitterend beeld.

Picasso vertelde hem trots dat hij een transporteur eens een foto had gestuurd van een werk dat moest worden vervoerd. Er verscheen een chauffeur met een vrachtwagen om het ding op te halen. Dat had alleen de afmeting van een gouache. Bij Picasso is alles groot had de transporteur gedacht.

WONDERKIND

In zijn boek kiest Richardson niet de zijde van de schilder. Hij neemt geen feit of verhaal voetstoots aan. Hij bezocht de Spaanse scholen en academies van het wonderkind en ontdekte dat de jonge Picasso in het begin net zoveel talent had als zijn medestudenten. Hij was wel een keiharde werker die elke vondst probeerde uit te putten en steeds keek hoe ver hij met een nieuwe mogelijkheid kon gaan.

De dood van zijn zevenjarige zusje in Corunna, de zelfmoord van zijn vriend Casagemas in Parijs en het gebrek aan talent van zijn vader Don Jose Ruiz Blasco, een tekenleraar die zijn leven lang brave schilderijtjes van duiven maakte, zijn de feiten die volgens Richardson de meeste indruk op Picasso hebben gemaakt.

Hij voelde zich schuldig over de dood van zijn zusje en zijn vriend en probeerde zijn vader te overtreffen. De biograaf toont dat overtuigend aan. Maar die geschiedenissen staan bij hem nooit op zichzelf. Hij verbindt ze met het werk, laat zien hoe ze Picasso beinvloeden en verkiest als hij een bepaalde fase in zijn leven beschrijft altijd een trefzeker beeld boven een simpele mededeling.

Picasso zat al jong op de academie in Barcelona. Als vijftienjarige schilderde hij een mierzoete voorstelling van een zieke vrouw. De dokter zit naast haar bed en neemt haar pols op. Een non heeft een kind op de arm en reikt de zieke een kom soep aan. Wetenschap en liefdadigheid werd het schilderij later genoemd.

In zijn academietijd was Picasso nog verzot op kinderlijke spelletjes. Samen met een vijf jaar oudere vriend gaf hij uitvoering aan deze klassieker: bindt een munt aan een draad en laat die vanaf het balkon op het trottoir zakken. Een man betrapte hen toen ze het geldstuk weer omhoog trokken en liep woedend naar boven. De twee vrienden verstopten zich vlug en Richardson weet ook waar: achter de zieke, de dokter en de hulpvaardige non. Die smartlap in olieverf wordt er bijna grappig door.

Het beeld van de achttienjarige Picasso is net zo mooi. Hij is nog steeds student aan de academie in Barcelona, maar laat geen munten meer naar het trottoir zakken. Een van zijn vrienden heet Angel de Soto. Ze wilden zich naar de laatste mode kleden, maar hadden geen geld. Samen bezaten ze een paar handschoenen. Om nu toch indruk op hun omgeving te maken trokken ze allebei een handschoen aan, stopten de onbedekte hand in hun zak en gesticuleerden als mannen van de wereld met de gehandschoende hand. En natuurlijk schilderde Picasso de Soto in een rokkostuum, alsof zijn vriend zich zo'n extravagantie met gemak kon veroorloven.

Richardson zegt ook nooit 'het huis is te klein' maar geeft altijd een paar sprekende details van een nieuwe behuizing zodat die de lezer meteen voor ogen staat. Als Picasso in Barcelona een beetje succes heeft met tekeneningen van de vaste klanten uit het kunstenaarscafe Els Quatre Gats woont hij samen met zijn vriend Casagemas. Hun kamer die ook dienst doet als studio is veel te klein.

Omdat Picasso sommige werken dan al tekent met 'Yo, el rey' (Ik, de koning) moet hij dit ruimtelijke vraagstuk wel vindingrijk oplossen.

En dat doet hij ook. Hij vergroot de kamer door gebruik te maken van het trompe l'oeil. Op de muur schildert hij een boekkast vol folianten, tafels beladen met fruit en gouden munten en er staat zelfs een bediende. Een andere muur wijkt doordat de ontwerper hem bedekt met fraai meubilair, een groot bed en zelfs met een brandkastje voor de waardepapieren van de twee arme schilders.

Ook andere vertrekken geeft Richardson de goede afmeting. Hij begint over Het bad, een doek uit 1901. Picasso woont dan in Parijs en ook daar is zijn kamer veel te klein. Een vrouw staat languit in een badschaal en wast haar benen. Volgens Richardson bevatte dit bad, als het niet werd gebruikt, de complete bibliotheek van de schilder, met werken van Claudel en Fagus.

De biograaf heeft een scherp oog voor de technische gebreken van de jonge Picasso. Het licht ontbreekt in zijn eerste landschappen niet om het een of andere vergezochte motief, maar omdat de schilder nog niet in staat was het vast te leggen. Als Picasso een vrouw op de rug gezien schildert lijkt het of hij juist dit lichaamsdeel hoogst expressief vond. Het is ook mogelijk dat de andere kant van het model nog te moeilijk voor hem was.

BEJAARDE

Door de omvang van het boek lijkt het soms of het leven van een bejaarde wordt beschreven. De lezer vergeet af en toe dat de held nog geen vijfentwintig is. Zelfs de kleinste verandering in zijn leven wordt besproken. Maar juist door die minutieuze aandacht voor het geringste wordt zichbaar hoe Picasso tastend zijn weg zocht zonder te weten waarop hij zou uitkomen.

Malaga, Corunna, Madrid, Barcelona, Parijs, het dorpje Gosol in de Spaanse Pyreneeen en ook het Nederlandse Schoorl zijn de belangrijkste plaatsen in dit deel van Picasso's leven. Om een nog betere indruk van Richardsons manier van werken te geven dient de wording van een schilderij uit zijn verhaal te worden gelicht. Verscheidene werken komen daarvoor in aanmerking, maar zijn vertolking van het portret van Gertrude Stein uit 1906 is het kenmerkendst.

Picasso begon de Amerikaanse schrijfster in het najaar van 1905 kort nadat ze voor het eerst hadden gedineerd, te schilderen. Wat betekende zij voor hem? Het is niet aannemelijk dat hij toen al iets van haar had gelezen. Jaren later zei hij tegen Douglas Cooper dat hij van haar geschriften nooit iets had begrepen. Toen Cooper een uitspraak van Stein citeerde - “De meeste schilders zijn breed en niet erg groot, er zijn uitzonderingen, maar ruw gezegd moeten ze klein zijn” - haalde Picasso in gespeelde wanhoop zijn schouders op.

Bij hun eerste ontmoeting was Stein ook nog geen verzamelaarster van zijn werk. Sterker nog, haar broer Leo Stein had wel een werk van Picasso gekocht, een meisje met een bloemenmand, dat ze haatte. Later draaide ze bij. Als het Picasso niet om haar werk of haar geld ging, waarom voelde hij zich dan zo tot Stein aangetrokken dat hij besloot haar te schilderen? In de keus van een nieuw model was hij altijd uiterst kieskeurig. Richardson geeft een eenvoudig antwoord op die vraag: omdat ze zo ontzettend dik was. Volgens een tijdgenote was het een gracieuze dikte; Stein hield van haar eigen vet en straalde dat ook uit.

DRANKJES

De zomer daarvoor had Picasso op uitnodiging van Tom Schilperoort in Schoorl doorgebracht. Hij had deze Nederlander leren kennen bij Otto van Rees en Adya Dutilh, die ook een atelier in het Bateau Lavoir hadden. Schilperoort trad als conferencier en muzikant op in Parijse cafes, schreef over kunst en sport voor een Nederlandse krant, joeg er in Parijs een erfenis van tienduizend frank door, betaalde de drankjes van iedereen en maakte zo'n indruk op Picasso dat hij besloot hem naar Noord-Holland te volgen.

Deze gegevens citeer ik uit de tweede hand. Richardson ontleent ze aan een nog niet gepubliceerd artikel van Gerrit Valk dat in het bibliografische register Le sejour de Picasso au Pays-Bas en 1905 heet.

Pikant is dat Schilperoort volgens de neerlandicus Enno Endt model heeft gestaan voor Japi, de held in het verhaal De uitvreter van Nescio (Een model voor de uitvreter; in: Over Nescio, BZZToH, 1982).

Hij wordt daarin tegengesproken door Lieneke Frerichs in haar historisch-kritische uitgave Nescio - De uitvreter (Van Gorcum, 1990).

In zijn eenmanstijdschrift Vlagtwedder Grensbode (jrg. 1, nr.5; 26-1-91) valt Hans van Straten Endt in diens vermoedens bij, zoals hij dat al eerder deed in een nummer van Het oog in 't zeil. Misschien dat het nog te verschijnen artikel van Valk over Picasso in Nederland ook de rol van Schilperoort nader belicht. Het zou al te mooi zijn, Picasso en de uitvreter samen op stap in de Noordhollandse dreven.

Maar de foto van Schilperoort in Richardsons boek vertoont wel net zo'n 'beenige kop' als Nescio voor de uitvreter reserveert.

Schilperoort had met zijn vriendin Nelly een huisje aan de rand van de duinen. Eerst genoot Picasso daar gastvrijheid, later vertrok hij naar een pension. Zijn verblijf werd waarschijnlijk door Schilperoort betaald. De excentrieke Nederlander had aan de deurknop van zijn huis een ratel van beenderen vastgemaakt. Als de postbode daarmee rammelde sprong Schilperoort, onder het slaken van afschuwelijke kreten, uit een raam op de eerste verdieping boven op hem.

Die zomer werkte Picasso hard. Volgens Marian McCully, die voor Richardson veel onderzoek heeft gedaan, was hij zo onder de indruk van het kale duinlandschap dat hij, terug in Parijs, zijn meesterwerk Les Saltimbanques, een voorstelling van een groep reizende circus-artiesten, een woestijnachtige lokatie gaf. A life of Picasso wemelt van dit soort kleine bijzonderheden.

In Schoorl vond Picasso, geholpen door Schilperoort, een meisje bereid naakt voor hem te poseren. Hij noemde het werk La belle Hollandaise, een gouache op karton. Volgens Richardson is het Picasso's eerste portret van een dikke vrouw. Hij suggereert dat het lichaam van deze boerenmeid vooruitloopt op de keuze van Gertrude Stein als model. Dat ligt meer voor de hand dan dat hij in haar een zuster in de kunst zag.

Na haar zouden nog vele dikke vrouwen volgen. Richardson zoekt altijd naar de betekenis van Picasso's omzwervingen voor zijn werk. Een tekening op die Hollandse reis stelt een scene in een bordeel in Alkmaar of Hoorn voor, misschien wel het laatste dat hij bezocht voor hij aan Les Demoiselles begon. Voor het ontstaan van het portret van Gertrude Stein is een andere reis nog belangrijker geweest.

In het voorjaar van 1906, nadat Gertrude Stein meer dan drie maanden bijna dagelijks voor hem had geposeerd, gaf Picasso het op. Misschien wilde hij in haar gezicht iets uitdrukken dat zijn techniek te boven ging. Het kan ook zijn dat de competitie met Matisse hem al te dwars zat. De Franse colorist had het afgelopen jaar in de Salon d'Automne een succes de scandale geboekt. Daar moest Picasso bovenuit zien te komen.

In de voorzomer van 1906 vertrok hij samen met Fernande Olivier naar Barcelona. Ze bezochten familie en vrienden om daarna door te reizen naar Gosol, een smokkelaarsdorpje in de Spaanse Pyreneeen. Zij namen hun intrek in een klein hotel, het enige van het dorp. Het werd gedreven door de negentigjarige Josep Fontdevila, een voormalige smokkelaar. Picasso begon hem te tekenen, keer op keer, steeds eenvoudiger. Zoveel had hij nog nooit uit een gezicht weggelaten, waar was hij op uit?

Gertrude Stein heeft altijd beweerd dat Picasso na zijn terugkeer uit Gosol haar kop onmiddellijk voltooide, zonder dat hij haar nog hoefde te zien. Richardson zegt dat Picasso die legende misschien zelf wel in de wereld heeft gebracht. Onderzoek wijst uit dat hij in het opnieuw schilderen van het gezicht heel zorgvuldig te werk is gegaan. En nu laat Richardson zien hoe Picasso het masker van de oude Fontdevila over het gelaat van Stein schuift. Het portret van de schrijfster was af. Het had het lijf van een Hollands boerenmeid en de kop van een Spaanse smokkelaar.

Toch leek het sprekend op Gertrude Stein.