De geschiedenis van een onsamenhangend volk; Het verdriet van Brazilie

Het Braziliaanse volk bestaat niet, tenminste niet als geheel. Er zijn rijken en corrupten, baronnen en kerkelijke prelaten, zij die blank zijn of doen alsof maar ook onderdrukten, armen en slaven. In zijn roman Brazilie, Brazilie beschrijft Joao Ribeiro de geschiedenis van beide Braziliaanse volken van de zeventiende eeuw tot nu. Brazilie was een puinhoop, is het nu zeker en zal het voorlopig nog blijven, maar de impuls tot verzet kan niet uitgedoofd zijn.

Joao Ubaldo Ribeiro: Brazilie, Brazilie. Vert. Harrie Lemmens, uitg. Anthos, 535 blz. Prijs (f) 59,50

In sommige landen proberen intellectuelen steeds weer te omschrijven wat hun identiteit is, in andere landen doen ze dat niet. Waar ze het niet doen is dat omdat die identiteit voor hen onomstotelijk vaststaat, of omdat de hele vraag hun om wat voor reden ook niet interesseert. Fransen, Engelsen, Spanjaarden, bijvoorbeeld, schrijven heel wat af, maar ik heb de indruk dat ze bij alles wat ze schrijven uitgaan van een zo sterk identiteitsbewustzijn dat aanroeren van het hele onderwerp overbodig is. Wat de Nederlandse identiteit inhoudt zou ik niet kunnen omschrijven, maar het kan me ook niets schelen. Wat dat betreft komt het me voor dat het vooral buitenlanders zijn die zich afvragen wat wij toch voor raar zootje zijn, terwijl we er zelf geen woord aan vuil maken. Anders ligt het met een land als Portugal, dat zich zowel historisch, geografisch als taalkundig sterker en langduriger heeft geprofileerd dan Nederland, maar waar desondanks na de Revolutie van '74 de schrijvers zich wanhopig afvroegen wie of wat nu eigenlijk de Portugezen waren. Echter, de meest gerechtvaardigde grond voor het stellen van de vraag naar de eigen identiteit lijken me die landen te hebben die hun moderne geschiedenis zijn begonnen als kolonie.

Brazilie, bijvoorbeeld. Al heel vroeg stelden mensen de vraag, met betrekking tot zichzelf, tot anderen, tot hun gevoelens en hun cultuuruitingen: wat is Portugees, wat is Braziliaans? Waar het de literatuur betreft zijn verschillende criteria mogelijk, zoals: de geografische bepaaldheid van het thema, de nationaliteit van de schrijver, de nationaliteit van het beoogde publiek, de politieke onafhankelijkheid. Maar ook die geven niet voldoende antwoord: weliswaar kan het thema van een boek ondubbelzinnig zijn en staat de datum van deonafhankelijkheid van een land meestal vast, maar in het geval van Brazilie bestond ook lang na die datum nog maar een heel klein lezerspubliek. Zodat de vraag blijft: wie is Braziliaan? De Indiaan? De in Brazilie geboren nakomeling van Afrikaanse negers? Een gevoel van verbondenheid met het land is al in hun vroege geschriften aan te wijzen, maar pas in de achttiende eeuw, met de opkomst van het Arcadisme, werd dit gevoel manifest. De uitheemse nachtegaal en cypres werden vervangen door de inheemse sabia en mangoboom, de maand mei was niet langer begin van de zomer maar van de tropische 'winter'. In die tijd was er ook een mislukte poging tot onafhankelijkheid van het inmiddels gehate Portugal.

De komst van het Portugese hof naar Rio de Janeiro in 1808, bracht, behalve opnieuw Portugezen, ook Engelsen en Fransen naar Brazilie, en daarmee een begin van Europees cultuurgoed, en vooral, enkele jaren later, politieke onafhankelijkheid (1822). De daaropvolgende romantiek stelde, nu nog klemmender, de vraag naar de Braziliaanse identiteit, een vraag die op verschillende wijzen zou worden gesteld en beantwoord ten tijde van het Realisme, het Modernisme van de decade van 1920, en ja, in feite tot nu toe.

Tot welke mate van perplexiteit en verwarring deze vraag, bijna een gewetensvraag, kan leiden, wordt treffend geillustreerd door de aanprijzingen van het boek Viva o Povo Brasileiro van Joao Ubaldo Ribeiro, verschenen in 1984, en nu in Nederland uitgegeven, vertaald door Harrie Lemmens, onder de titel Brazilie, Brazilie. Op het voorplat van de Braziliaanse uitgave staat te lezen: 'De sage van een volk op zoek naar zijn zelfbevestiging' - terwijl de flaptekst verklaart: “In tegenstelling tot wat de titel misschien suggereert is dit niet een soort sage van het Braziliaanse volk.” Daarentegen is het “veeleer de geschiedenis van een zoeken naar identiteit, een identiteit die misschien tot op heden, in haar totaliteit, aan het bewustzijn van het Braziliaanse volk ontgaat.” En aan dat van de uitgever, zeg ik dan, te oordelen naar de tegenstrijdigheden en tautologieen waarin deze al meteen verstrikt raakt.

En de schrijver? Die geeft, in 673 bladzijden, aan de hand van de levensgeschiedenissen van talrijke personages, die allen op een of andere manier met elkaar te maken hebben, een lengtedoorsnee van de geschiedenis van Brazilie, en daarmee een portret van de duizend gezichten van 'de Braziliaan'.

Zijn antwoord op de vraag is, aangezien er geen antwoord is, de illustratie van de vraag.

Het boek begint in het jaar van de onafhankelijkheid, 1822, maar flashbacks maken duidelijk dat, ten minste, Hollanders en Engelsen hun zaad op vaak onachterhaalbare wijze hebben vermengd met dat van Indianen, Portugezen en negers, om geboorte te geven aan de vele kleurrijke personages. Wij volgen deze personages door de diverse stadia van de nog steeds aan de gang zijnde wordingsgeschiedenis van Brazilie heen, en zij maken tezamen duidelijk dat degeen die de vaak geciteerde uitspraak 'Geen enkele Braziliaan is 100% blank' wil bestrijden wel erg sterk in zijn witte schoenen moet staan.

We zijn getuige van nu eens komische, dan weer tragische, vaak ironische maar soms ook met tederheid beschreven taferelen uit de tijd van de 'Hollandse oorlogen' (1624-1654), de onafhankelijkheidsstrijd, het keizerrijk (1822-1889), de slavernij, de lange strijd om slavenemancipatie en de uiteindelijke afschaffing van de slavernij (1888), de oorlog met Paraguay (1865-1870), het uitroepen van de republiek (1889), het drama van Canudos (1896-97), met ten slotte enkele vluchtige maar expliciete verwijzingen naar de dictatuur van Getulio Vargas en de militaire coup van 1964.

Iedere vertaling van een goed boek uit een onbekende literatuur is een daad van moed, waarvoor de uitgever lof verdient. Toch is een van de gebreken van de Nederlandse uitgave het feit dat ik veel van het bovenstaande hier heb moeten schrijven, in plaats van dat de lezer het vindt in een voor- of nawoord. Ik ben bang dat de uitgever, zoals wel meer het geval is, het slachtoffer is van de redenering dat een bestseller in Brazilie het hier zonder meer ook wel zal doen. Met onbekende schrijvers uit Frankrijk, de VS of Italie kan men zich dat risico veroorloven, maar niet elke pil uit Latijns Amerika is een Honderd jaar eenzaamheid, dat op eigen benen kon staan. Spaans Amerika heeft wat dat betreft al enig krediet opgebouwd, maar boeken uit een literair terra incognita als Brazilie zullen toch nog steeds met wat informatie en door plaatsing in een herkenbaar kader 'gebracht' moeten worden. Voor de Nederlandse lezer die nooit van Joao Ubaldo Ribeiro heeft gehoord en weinig weet van de Braziliaanse cultuur en geschiedenis (en ik stel me voor dat dat er niet weinigen zijn) komt een boek als Brazilie, Brazilie, vrees ik, volkomen uit de lucht vallen.

En dat is jammer. Geen enkel boek komt zomaar uit de lucht vallen. Bovendien zou het een misvatting zijn, te menen dat dit boek, al is het waarschijnlijk in de eerste plaats interessant voor Brazilianen, niet ook voor ons leuk, leerzaam en lezenswaardig zou zijn. Dat is het namelijk, lijkt mij, in hoge mate.

Plaats van uitgang in de roman is het eiland Itaparica, in de Allerheiligenbaai, ofwel de baai van Bahia, en meer in het algemeen het hele gebied rond de baai. De vele uit deze streek afkomstige, of daar wonende en werkende personages, zijn te verdelen in verschillende genealogieen, waarvan sommige op verschillende momenten in hun geschiedenis raakpunten hebben, andere niet. De oudste genealogie begint in 1647, wanneer twee aan hun lot overgelaten Hollanders in handen vallen van caboco Capiroba.

Deze caboco (voor caboclo, Indiaan, later meer algemeen 'inlander'), op zijn beurt gevlucht voor de Portugese paters en hun bespottelijke ideeen over goed en kwaad, had zich met een aantal vrouwen in de wildernis verschanst en leefde van het opeten van Spanjaarden en Portugezen, totdat hij erachter kwam dat het wat wittige vlees van Hollanders veel lekkerder was.

Hier is al meteen een aardige, impliciete, verwijzing te zien naar de Braziliaanse modernist Oswald de Andrade (1890-1954), die het antwoord op de Braziliaanse identiteitsvraag zag in het primitieve kannibalisme, en die voorstelde de Braziliaanse jaartelling te laten beginnen in 1556, het jaar waarin de Portugese bisschop met de, voor die gelegenheid toepasselijke, naam Sardinha werd opgegeten door de Indianen. Wat was, zo redeneerde hij, de juiste Braziliaanse houding ten opzichte van de Europese culturele waarden? Niet afwijzen, geen vijandschap, zoals zo vaak het geval was geweest, maar assimilatie, door opvreten, verteren en uitpoepen.

Dat deed dus caboco Capiroba, en zijn dochter deed nog iets meer. Met een Hollander die in een kraal ter vetmesting werd vastgehouden, speelde zij, voor haar plezier of om de tijd te doden, het spelletje dat haar vader voortdurend met zijn diverse vrouwen speelde - en daar kwam nakomelingschap van. En zo verder. Kleindochter van de caboca en de Hollander is de legendarische Dadinha, wier dood op haar honderdste verjaardag, op 10 juni 1821, in de vorm van een door haarzelf geleid Afrikaans-negroide ritueel wij meemaken in hoofdstuk 3 - en dan zitten we al in de negentiende eeuw, waarin bijna het hele boek zich afspeelt.

Omdat de hoofdstukken en de fragmenten waarin ze zijn verdeeld wel globaal chronologisch aansluiten, maar ten opzichte van elkaar, afhankelijk van de door de personages gestelde noodzaak, soms voor- of achteruit verspringen, hebben we op dit moment al kennisgemaakt met twee hoofdfiguren van het boek, Perilo Ambrosio, een afstammeling van Portugezen, en zijn boekhouder, een mulat, zoon van een Engelse vader en een vrijgelaten slavin.

Perilo is een onuitstaanbaar monster. Hij is in 1826 baron van Pirapuama geworden als beloning voor zijn verdiensten in de onafhankelijkheidsstrijd. Deze verdiensten bestonden eruit dat hij een negerslaaf heeft vermoord, zich met zijn bloed heeft besmeurd om voor gewonde door te kunnen gaan waarna hij een getuige de tong heeft uitgerukt om hem het spreken te beletten. Dit alles, uiteraard, nadat de vijandelijkheden al achter de rug waren. Eenmaal baron, is hij het prototype van de laffe, luie, wrede, racistische, negerinnen verkrachtende senhor de engenho, in dit geval eigenaar van een traankokerij ten tijde van de walvisvangst.

Zijn boekhouder, Amleto Ferreira, ontpopt zich als wat, alweer, Oswald de Andrade zo treffend heeft getypeerd als de mulato sabido, de waanwijze, maar ook wel slimme mulat, die het maximale profijt trekt uit zijn percentage blank bloed, door handigheid, een beetje kennis, lichtschuwe praktijken en 'blankwording'. Daarvoor bestaan trucs als stelselmatig de zon mijden, de neus punten en het haar sluik maken.

Hij klimt op in de maatschappij en verloochent zijn zwarte achtergrond.

Na verloop van tijd wordt de baron ziek, slachtoffer van de zwarte kunst van de neger die hij de tong had laten uitrukken en van enkele andere slaven die alle reden hadden om een dodelijke wrok jegens hem te koesteren. Zijn zaken gaan achteruit en ze worden nu behartigd door de boekhouder Amleto, en wel zodanig dat deze er snel op vooruitgaat.

Nadat de baron, ironisch genoeg op onafhankelijkheidsdag, een afgrijselijke dood is gestorven, tot innige voldoening van zijn slaven, speelt zich een voor het boek essentiele scene af.

In het bakhuis op het erf van de baron vindt een soort samenzwering plaats, geleid door een met geheimzinnigheid omklede vrije neger, die de anderen onthult dat zij in feite de baron hebben vermoord, en dat dit slechts het begin is van de moord op 'een hoop andere baronnen'.

Want, zo houdt hij hun voor: “Iedere dode rijke betekent tien levende armen, en van iedere tien armen zijn er negen zwart en heeft de tiende zwart bloed of is zwart door het leven dat hij leidt.”

Wij zouden zeggen: hij preekt de revolutie - en zo is het ook. De neger haalt een kist te voorschijn vol geheimen, die onderdeel zijn van 'een kennis die nog niet compleet is', en waaraan ieder die erover beschikt een geheim toevoegt om ze compleet te maken. In een steeds sprookjesachtiger, magische sfeer wordt de kist het symbool van een clandestiene Broederschap van het Braziliaanse Volk die, voor sommigen, daar en op dat moment is opgericht, 'terwijl anderen beweren dat er nooit iets is gebeurd'.

Het is duidelijk dat 'volk', in dit verband, staat voor het 'gewone volk', de onderdrukten, armen, negers, hetzij slaaf of vrij in naam, de stamboom van Capiroba. Dit in tegenstelling tot de van hun wortels vervreemden, zoals de zich Europees voordoende Amleto's, de baronnen, de rijken, de kerkelijke prelaten. Dat onderscheid is heden ten dage nog net zo actueel als toen, en naar wie de sympathie van de schrijver uitgaat is duidelijk. In die engere zin zou ook de originele titel van het boek, Leve het Braziliaanse Volk (in het Nederlands inderdaad te jolig of te oubollig) kunnen worden opgevat - als dat niet iets te pamflettistisch klonk. Die titel echter is ook enigszins ironisch, want of de schrijver het wil of niet, hij is wijs genoeg om te beseffen dat ook de 'vervreemden', de 'europeaniserenden', tot datzelfde volk, in ruimere zin, behoren.

De boekhouder, bijvoorbeeld. Die zien we, enkele jaren later, getooid met de gekochte naam Amleto Henrique Nobre Ferreira-Dutton, als bankier van aanzien en vader van vier kinderen. Hij heeft zich, door diefstal, malversaties en juridische kunstgrepen alle gelden en erfgoederen van de baron toegeeigend, behandelt de barones, die hij van een fooi laat leven, als zijn feitelijke moeder, houdt zijn echte, zwarte moeder voor de buitenwereld en voor zijn eigen kinderen verborgen, en gaat gebukt onder het grote verdriet dat de jongste van hen, niet wil deugen: die wil niet wit worden.

Het boek eindigt met een korte, ontluisterende schets van het leven van de nouveau riche tijdens de dictatoriale jaren 1970, een al even deprimerend portret van enkele nakomelingen van de boekhouder Amleto in diezelfde tijd, en ten slotte met de honderdste verjaardag, tevens sterfdag (net als Dadinha) van Amleto's jongste zoon, op 10 maart 1939.

Met die dood verdwijnt de laatste fatsoenlijke persoon uit het boek, en blijven nog slechts de slechtsten over, zoals de chicanerende, intrigerende, geldbeluste achterkleinkinderen van Amleto. De meer naieve, eerlijke, 'gewone' mensen worden stukgemarteld of juridisch gemangeld.

Een somber eind van dit boek, van een schrijver die in het huidige Brazilie (en daarin is Ribeiro niet de enige) alleen de slechtste krachten aan de macht ziet. En niet alleen ziet hij een somber heden, hij ziet ook een sombere toekomst. Want de dood aan het slot van het boek is niet het allerlaatste in het boek. De kist met geheimen blijkt namelijk, op dezelfde dag, door een open raam in een achterkamer door drie diefjes ontvreemd. Met het uit andere huizen gestolen goed en de kist vinden deze drie een vluchtplaats in de ruine van het voormalige bakhuis, een van hen slaagt erin de kist op een kier te openen en hij doet verslag van wat hij ziet.

Hij ziet de toekomst: dieven, leugenaars, allen keurig in de kleren, 'dieven in burger', maar ook dieven in uniform, en ze stelen geen geld, geld heet fonds, toeslag, vergoeding enz., hij ziet doden, bomaanslagen, dode kinderen, honger, honger in een rijk land, waar alles wordt bepaald door geld. Hij ziet de mensen moorden, stelen, roven, liegen - tot zijn ogen te veel pijn deden om te kunnen blijven kijken en de muren en de grond van het bakhuis bloed begonnen te zweten. En in dit apocalyptische visioen delen hemel en aarde. In het begin van het boek heeft de schrijver zijn theorie der ontlichaamde zielen ontvouwd, een soort particuliere reincarnatieleer die een treffende, zelfs bijna overbodige parallel vormt met de reincarnatie tijdens diverse uitvoerig beschreven rituelen. De theorie komt hierop neer: ontlichaamde zieltjes vluchten eerst naar het Grote Zielennest.

Daarna kunnen ze in principe in van alles incarneren, maar zieltjes die ooit in een Braziliaan geincarneerd geweest zijn hunkeren ernaar eeuwig een Braziliaanse ziel te blijven. Met sublieme ironie voegt de schrijver hier aan toe: “... iets dat men beter kan begrijpen wanneer men bedenkt dat zielen niets leren, maar wel wild en verward dromen.”

Wanneer het bakhuis en de aarde eronder beginnen te trillen en te beven, stort het Grote Zielennest bijna neer, doordat alle zieltjes, klein, Braziliaans en meelijwekkend, naar beneden willen om te vechten. In de stortbui waarmee dit gepaard gaat ziet niemand hoe “de Geest van de Mens, dwalend maar vol hoop, boven de donkere wateren van de grote baai zweefde”.

Voor mij is deze reincarnatieleer het zwakste deel van het boek. Ook zonder het wat erg kinderlijke getheoretiseer over ontlichaamde zieltjes en hun Grote Zielennest is wel duidelijk wat de auteur bedoelt: Brazilie was een puinhoop, is het nu zeker en zal het voorlopig nog blijven, maar de impuls tot verzet die, vanaf het begin, door de geschiedenis heen zich altijd in sommige mensen heeft gemanifesteerd, kan niet uitgedoofd zijn en wettigt de hoop die de Geest van de Mens mag koesteren.

Met deze idee, met zijn ruwweg drie eeuwen beslaande doorsnee van een Braziliaanse geschiedenis die niet 'de' geschiedenis is maar meer een anti-geschiedenis, met zijn portrettengalerij van die vele Brazilianen die te zamen misschien 'de Braziliaan' vormen, heeft Ribeiro een hoogst pretentieus boek geschreven. Wat hem echter een groot schrijver maakt en deze roman tot een werkelijk schitterend boek, is dat van die pretentie niets te merken valt. Het hele boek, al is het hier en daar naar mijn smaak wat topzwaar aan details, leest in de bewonderenswaardig vindingrijke vertaling van Harrie Lemmens licht, luchtig, als de spannende roman die het ook is.

Dit komt door de toon, de ironie, de soms machadiaanse onnadrukkelijkheid waarmee de vanzelfsprekende smerigheid, het dagelijkse gesjoemel en vuile handel van de betere standen als terloops worden beschrijven. Dit alles, hoe sardonisch ook gedaan, vormt echter slechts een onderdeel, het sluitstuk van een gedachte die als grondtoon van begin tot eind het boek doortrekt: de verschrikkelijke onverzoenlijkheid van de machthebbers en de rechtelozen. De redeneringen van eerstgenoemden om het kromme recht te praten, waarmee ze er nog in slagen ook hun privileges te behouden, zijn om uit je vel te springen, maar ze zijn in wezen niet anders dan de voor caboco Capiroba en de zijnen onbegrijpelijke verhalen van de Portugese paters die al in de zestiende eeuw hun wil kwamen opleggen, met het tonen van bloedende harten, doornenkronen, van pijn verkronkelde gekruisigde kadavers, helse folteringen en verminkte lijken, die de grenzeloze liefde moesten bewijzen van een of andere God.

Nog steeds zijn de oorlog met Paraguay en het drama van Canudos, de twee meest traumatiserende gebeurtenissen uit de Braziliaanse geschiedenis, hoezeer ook omgeven met leugens, in staat de publieke mening in opschudding te brengen. Want nog steeds zijn onnoemelijk veel Brazilianen uit de grote stad en de kuststreek vreemdeling in eigen land. Terecht benadrukt Ribeiro dat met de afschaffing van de slavernij en het instellen van de republiek niets is veranderd. De armen zijn nog steeds slaaf, en wie voor 1889 op een warme stoel zat, bleef daar (uitgezonderd de keizer) ook daarna rustig zitten.

'Regering', voor de gewone Braziliaan, is nooit iets geweest van of voor, maar altijd tegen het volk.

Blijft een ding, en dat is, volgens Ribeiro, dat de ziel, gelukkig, niets leert en dat de 'wild en verward dromende' Braziliaan bij tijden zijn land en zijn landgenoten kan vervloeken en de hele rotzooi wil ontvluchten, maar, zoals de schrijver Affonso Romano de Sant'Anna, die dat gevoel maar al te goed kende, eens zei: 'Zodra ik een vliegtuigtrap zie, krijg ik alweer heimwee naar Brazilie.'