Bij 'el soldado' begint hij te snikken

Als op een geheim teken verandert de stille wijk in een bijenkorf. Na zeventien jaar ballingschap keert de Nederlandse priester 'Jaquito' Thijssen terug in La Victoria. Die volkswijk van Santiago is nog steeds een bolwerk van Chileens links. “De mensen schelden me wel vaker uit voor fascist of moordenaar”, zegt de wachtmeester van de carabineros, “maar daartegen ben ik ingeent. Met karakter.” Vierde aflevering in een serie reportages uit Chili in de week voorafgaand aan het bezoek van de Chileense president Aylwin aan Nederland.

SANTIAGO, 12 april - Een toevallige zondagmorgen in La Victoria, een arme buitenwijk, ver van het zaken- en regeringscentrum van Santiago.

Op het stoffige wegdek van deze buurt sloegen de carabineros in 1984 en 1985 genadeloos oproeren van getergde bewoners neer, die door de economische crisis in Chili geen werk en eten hadden.

Het is doodstil. De smog die vijf van de zeven dagen boven de Chileense hoofdstad hangt, is weggetrokken en de zon beschijnt vandaag de lemen huizen van de poblacion. De muren zijn beschilderd met leuzen en tekeningen, tegen Pinochet en voor socialisme en solidariteit.

De Franse pater Andre Jarlan zat te werken voor het raam van zijn slaapkamer, toen hij in de nek werd getroffen door een verdwaalde kogel van de straat. De kleine kamer met houten wanden is nu het Museo Padre Jarlan. Op zijn bed liggen vergeelde kranten uit die augustus-maand in 1984, een kalender en een zelfgetekende kaart van La Victoria. Een foto op het bureau toont de pater met de gapende schotwond. Aan de muur een prent van een ploegende boer en een foto van paus Johannes Paulus bij zijn bezoek aan het museumpje.

De nieuwe pater vertelt sloom de geschiedenis van zijn voorganger, maar wordt langzaam energieker als hij ontdekt dat we uit Nederland komen. “Vanmiddag komt pater 'Santiago' Thijssen terug”, zegt hij.

Over een paar uur zal, na zeventien jaar ballingschap in Mexico, de Nederlandse priester Gerard Thijssen terugkeren in de wijk waar hij zeven jaar heeft gewoond.

Hugo Sotto Hernandez handelt in brood, schoensmeer, zeeppoeder en cola. Hij is vierkant tegen de markteconomie. “Die maakt alleen maar dikke mannen met sigaren.” Hij prijst de Nederlandse samenleving. Als we tegenwerpen dat daar de markt ook vrij is, zegt hij: “Maar jullie hebben zekerheden.” Het politiebureau van de wijk is de avond tevoren getroffen door een brandbom, vertelt hij en, alsof we toch van de geheime politie zouden kunnen zijn: “De overvallers waren geen mensen van ons. Dat is zeker.”

Een agent kijkt door een spleet van zijn wachthok. Alsof de carabineros al jaren omgaan met nieuwsgierige journalisten verwijst hij ons naar de dienstdoende wachtmeester. Deze onderbreekt zijn type-werk en legt geduldig uit dat de bom over de heg werd gegooid, dat het zo snel ging dat de wacht niet kon ingrijpen en dat er geen schade is. Hij toont een pamflet dat is ondertekend door het ultralinkse Lautaro. Sinds de machtswisseling in Chili, een jaar geleden, zijn elf politiemannen gedood bij aanslagen die door deze groep of het Frente Manuel Rodriguez zijn opgeeist.

Hoe worden de carabineros bejegend nu de vrijheid van meningsuiting hersteld is? “Het is niet veel anders dan vroeger”, zegt de wachtmeester. “De mensen schelden me wel vaker uit voor fascist of moordenaar, maar daartegen ben ik ingeent. Met karakter.”

Als op een geheim teken is de stille wijk veranderd in een bijenkorf. De kerk, die meer een houtloods dan een godshuis lijkt, is vol. Mensen drommen op de stoep. In de feestzaal staan zelfgebakken broodjes, goedkope wijn en cola. Er wordt muziek gemaakt. Dan verschijnt 'Jacquito'. Uit een auto stapt een grijsblonde, gebogen man, vergezeld van een vrouw. In Mexico heeft de priester een vrouw gevonden.

“Santiago en Irene zijn er”, klinkt het. Tot de menigte spreekt hij ontroerd: “Ze hebben ons vervolgd, gemarteld, in kerkers gegooid, verbannen, maar ze hebben ons niet overwonnen.” Hij is nog dezelfde militante bevrijdingstheoloog. De ballingschap heeft zijn visie op de wereld niet veranderd: “De dictatuur is weg, maar laten we oppassen voor de imperialisten. In de trieste Golfcrisis hebben we kunnen zien hoe de Amerikaanse regering Saddam Hussein in de val heeft gelokt.”

In de zaal komt een groot feest voor 'Jacquito' op gang. Vrouwen komen hem zoenen en een cadeautje toestoppen, mannen omarmen hem stevig. Een vrouw begint op een gitaar Zuidamerikaanse verzetsliedjes te spelen, een meisje en jongen in gitane-kleren dansen. Meer gitaren verschijnen en ook dansende echtparen.

Gerard Thijssen vertelt ons hoe een klein meisje hem zeventien jaar geleden waarschuwde dat er soldaten in zijn huis wachtten. Met hulp van de Nederlandse ambassade kon hij het land uitkomen. Een hoogbejaarde man schuifelt op de Nederlandse pater af en stamelt: “Padre, ken je me nog?” Thijssen aarzelt geen seconde en roept verrast: “Juan.” De oude man vraagt het woord. Het wordt doodstil.

Moeilijk verstaanbaar, maar zeer plechtig draagt hij uit zijn hoofd een gedicht voor. “Quando desaparescan el fusil y el soldado, lanzare mi poema sobre la tierra libre” (Wanneer het geweer en de soldaat verdwijnen, zal ik mijn gedicht over de bevrijde aarde laten schallen). Bij el soldado begint hij te snikken. Pas langzaam hervindt het feest zijn tempo. Een half uur later is de oude man gekalmeerd.

Hij pakt ons bij de arm en gedrieen lopen we stapje voor stapje met hem naar zijn huis. Op zijn deur hangt een bordje 'Allende presente'.

Binnen zitten zijn drie dochters en hun kinderen. Er wonen 13 mensen in het huisje van niet meer dan vijf bij vijf meter.

Voormalig elektricien Juan de Dios Nabona Gonzalez (79) was in 1957 een van de leiders van de 10.000 mensen die het braakliggende land, waarop La Victoria nu gebouwd is, bezetten. “Ik ben altijd een communistische activist gebleven.”

Zijn zoon zit sinds 22 oktober 1988 in de gevangenis, zegt hij. “Hij was nergens lid van en deed nergens aan mee. Sinds een jaar mogen we hem opzoeken. Iedere woensdag en zaterdag ga ik. Hij heeft me verteld dat de soldaten hem gemarteld hebben.”

Het gedicht dat Juan voordroeg is van de overleden Chileense dichter Oscar Castro. Hij herhaalt het. Om luid te spreken moet de oude man erg zijn best doen. “Quando desaparescan el fusil y el soldado” - opnieuw kan hij zijn snikken niet inhouden.