Attali: hervormen O.-Europa lang proces

DEN HAAG,12 APRIL. De euforie over de snelle omwentelingen in Oost-Europa is al lang voorbij. De perestroika in de Sovjet-Unie is vastgelopen, in voormalig Oost-Duitsland wordt gestaakt voor het behoud van onhoudbare banen, in Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije komt de privatisering moeizaam van de grond, Joegoslavie valt uit elkaar en uit de Balkan wordt niets meer vernomen.

Maar Jacques Attali, de president van de nieuwe bank voor ontwikkeling van Oost-Europa, is vol ideeen. Hij gelooft in een pan-Europese economische cultuur, in een markteconomie van de Atlantische Oceaan tot de Oeral. De demonstraties, de desintegratie in de Sovjet-Unie zijn aanmoedigingen om door te gaan met de hervormingen. Volgende week, als de ministers van financien en circa dertig regeringsleiders in Londen bijeen komen voor de officele start van de Europese bank voor wederopbouw en ontwikkeling, wil Attali “een informele top over de architectuur van Europa” beleggen.

Anderhalf jaar na de val van de Berlijnse Muur opent maandag de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa zijn loketten. De EBRD, zoals de Engelstalige afkorting van bank luidt, kan dan na een lange voorbereiding, waarin kostbare maanden verloren gingen, aan zijn taak beginnen, de financiering van de overgang van de planeconomie naar een markteconomie in Oost-Europa. “We weten dat vijf eeuwen van commando-economie niet van de ene dag op de andere zullen veranderen”

zei Attali gisteren. De hervorming van Oost-Europa zal een “langdurig proces worden.”

In september 1989 deed de toenmalige president van de Deutsche Bank, Alfred Herrhausen, het voorstel een ontwikkelingsbank voor Oost-Europa op te richten. Enkele maanden later, tijdens een diner in het Elysee, wist Frankrijk de overige EG-landen voor het plan te interesseren. In snel tempo werden de statuten van de nieuwe bank goedgekeurd en op 29 mei vorig 1990 werd, tot woede van Nederland, besloten dat de bank in Londen gevestigd zou worden en geleid zou worden door Jacques Attali, de politieke adviseur van president Mitterrand. De Nederlandse dubbelkandidatuur Ruding en Amsterdam maakten in de slotstemming geen schijn van kans.

Minister van buitenlandse Hans van den Broek, die voor journalisten een borrel had gezet op de benoeming van Ruding, kwam pas met een diplomatieke actie nadat Frankrijk en Groot-Brittannie, met toestemming van de VS en Duitsland, op een onder-onsje van de zeven belangrijkste industrielanden de EBRD-zaak hadden beklonken. Slechts acht landen met 7,99 procent van het stemrecht, steunden Ruding; Amsterdam verzamelde 5 landen (7,21 procent van de stemmen). Bij wijze van troostprijs kreeg de Nederlandse bankier dr. Bart Le Blanc, de belangrijke post van secretaris-generaal van het uitvoerend comite van de EBRD - en mag Rudings opvolger, minister Kok, volgende week de plechtige openingsvergadering van de EBRD voorzitten.

De nieuwe bank telt 42 leden: de EG- en EVA-landen uit West-Europa, de zes voormalige Sovjet-satellieten van Midden-Europa, de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten, Canada, Japan alsmede enkele ontwikkelingslanden (Mexico, Egypte, Marokko) die in deze bank als donorlanden optreden.

Bovendien zijn de Europese Commissie en de Europese Investeringsbanken leden van de EBRD. Evenals in de Wereldbank en in andere regionale ontwikkelingslanden is het stemrecht gekoppeld aan het aandeel dat een land in de bank heeft.

De VS zijn de grootste afzonderlijke aandeelhouder met 10 procent van het stemrecht. De twaalf EG-landen en de Europese Commissie hebben samen 51 procent van het stemrecht.

Het startkapitaal van de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa bedraagt 10 miljard Ecu (23,5 miljard gulden). Volgens de statuten mag de bank uitsluitend projecten financieren in landen die de weg zijn ingeslagen van een markteconomie en een democratisch meerpartijenstelsel. Deze expliciete politieke voorwaarden om voor leningen van de EBRD in aanmerking te komen, zijn uniek. Noch de Wereldbank, noch de regionale ontwikkelingsbanken voor de Derde wereld kennen dergelijke voorwaarden.

Een ander verschil met traditionele ontwikkelingsbanken is dat de EBRD verplicht is om 60 procent van zijn leningen te verstrekken aan de particuliere sector. De overige projecten mogen wel in de staatssector zijn, maar ze moeten een directe betekenis hebben voor het bedrijfsleven - bij voorbeeld door verbetering van de infrastructuur of telecommunicatie. Daarom zal de EBRD gedeeltelijk functioneren als 'ontwikkelingsbank' en gedeeltelijk als commerciele investeringsbank.

De steun aan de Sovjet-Unie zal op uitdrukkelijke Amerikaanse wens vooralsnog zeer beperkt zijn. De EBRD mag maximaal 100 miljoen Ecu (235 miljoen gulden) uitlenen aan projecten in de Sovjet-Unie. Deze uitzonderingsclausule kan over drie jaar worden herzien, maar uitbreiding van de steun aan de Sovjet-Unie kan gemakkelijk worden geblokkeerd.

Van het begin af aan is kritiek op de oprichting van een speciale Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa geweest. De taken van de EBRD hadden sneller en effectiever uitgevoerd kunnen worden door de bestaande Europese Investeringsbank van de EG (waartegen de VS en Oost-Europa bezwaar hadden omdat ze daarin niet vertegenwoordigd zijn) of door een aparte afdeling van de Wereldbank (waartegen de EG-landen bezwaar hadden omdat de VS daar een zwaardere stem hebben). Vestiging van de bank in Londen met Attali als creatief genie aan het hoofd heeft nog een ander bezwaar: de bureaukosten van de EBRD zijn extravagant hoog. Het geld dat aan hoge huren in Londen en aan hoge salarissen wordt besteed is niet beschikbaar voor de financiering van projecten in Oost-Europa.

Die projecten vormen de grootste uitdaging voor de EBRD. De bank heeft nu een kantoor, een staf en een feestelijke opening met een concert van Attali's 'vriend' Rostropovitsj maar ontbeert goede projecten in Oost-Europa. Het blijkt zeer veel moeilijker dan anderhalf jaar geleden werd gedacht, om de omschakeling van commando- naar markteconomie te verwezenlijken. Ideeen zijn er genoeg in Attali's bank, maar het wachten is op de veelbelovende, levensvatbare en kredietwaardige projecten in de Oosteuropese particuliere sector.