Zonder avant-garde wordt Holland Festival anders

Is het programmeren van een Puccini-opera een voorbeeld van een beleid gericht op risico en avontuur? Toen ik het artikel 'Een Holland Festival zonder risico's of avontuur' van Kasper Jansen en Pieter Kottman (NRC Handelsblad 2 april) onder ogen kreeg, vroeg ik mij af in hoeverre dit artikel een vervolg was op het vraaggesprek 'Holland Festival-directeur Van Vlijmen wil meer opera' (NRC Handelsblad 19 maart).

Tijdens dit interview vroeg Kasper Jansen mij namelijk hoopvol of hij nu de programmering van Puccini-opera's kon verwachten; een volstrekt legitieme vraag, maar nauwelijks te begrijpen tegen de achtergrond van het artikel van 2 april, waar volgens beide scribenten “het bestaansrecht van het Festival ligt in het organiseren van bevliegingen en het waarmaken van het onmogelijke”.

Om hun stellingname kracht bij te zetten verwijzen Jansen en Kottman naar het Festival 1981: “een opmerkelijk goed en omvangrijk Festival”. Als voorbeeld noemen zij onder andere De tijd van festivalcomponist Louis Andriessen. Het toeval wil dat dit werk was gecomponeerd in mijn opdracht (toen nog in mijn functie als conservatoriumdirecteur) ter gelegenheid van de opening van het nieuwe conservatoriumgebouw te Den Haag. En daar vond de premiere - weliswaar in het kader van het Holland Festival - ook plaats, door conservatoriumleerlingen onder leiding van Reinbert de Leeuw: het avontuur begon ditmaal toch echt in Den Haag.

Verder worden de door de Nederlandse Operastichting geproduceerde opera's Parsifal (een foeilelijke produktie van Jarvefelt) en Fidelio (overigens al op 30 april 1981, buiten de Holland Festival-periode, in premiere gegaan) gememoreerd, alsmede Euridice van Peri en Blauwbaards burcht van Bartok.

Wat is er nu zo “markant en veelzijdig” aan dit onderdeel van 1981 en waarom geldt dat in de ogen van de schrijvers niet voor hetzelfde onderdeel van 1991? Wat is er zo “opzienbarend en spannend” aan Peri, Beethoven, Wagner en Bartok en waarom wordt Monteverdi, Mozart, Granados, Prokofjev, Beria en Loevendie (componisten van wie in het Holland Festival 1991 opera's worden uitgevoerd) deze predikaten onthouden?

Beide redacteuren waren in 1981 ook onder de indruk van de uitvoering van nieuwe werken van Huber en Van Vlijmen, en van het Te Deum van Berlioz. Zonder iets aan de bijzondere betekenis van deze uitvoeringen te willen afdoen, wijs ik erop dat ook dit jaar de nodige premieres voor Nederland zullen plaatsvinden: Berio's Canticum novissimi en Calmo, een van Nono's laatste werken No hay caminos, hay que caminar, Messiaens fascinerende La Transfiguration de notre Seigneur Jesus Christ, benevens tal van werken van bekende en onbekende Spaanse componisten als Roberto Gerhard, Guerrero, De Pablo enzovoorts, maar ook wereldpremieres: toen De tijd van Andriessen, nu De hemel van Peter Schat, en niet te vergeten - ik vrees dat de betekenis daarvan nog niet tot iedereen is doorgedrongen - Catalunya renaixent uit 1934 van de Nederlander Karel Mengelberg.

Waarom zijn Andriessen, Huber, Van Vlijmen en Berlioz (zeker, onder leiding van Colin Davis) “spannend” en “avontuurlijk” en laten bijvoorbeeld Nono, Berio, Messiaen, Gerhard, Schat en Mengelberg “geen risico's en avontuur toe”? Is een programma met Willaert, Gabrieli, Nono en Strawinsky niet en het Te Deum van Berlioz wel spannend, althans spannend genoeg voor een Holland Festival.

Voor het theaterprogramma is dit jaar is, afgezien van een produktie van het Kaaitheater met een stuk van Eric Rohmer, welbewust gekozen voor twaalf voorstellingen van het Theatre du Soleil (een produktie die overigens eenderde van het programmabudget opslokt) en niet voor diverse toneelstukken gespeeld door verschillende groepen, zoals in 1981. En weer vraag ik: is Mnouchkine met Les Atrides in 1991 naar verwachting minder spannend en avontuurlijk dan Claus Peymann en Alfred Kirchner (overigens beiden ook toen al door de internationale kunstkritiek toegejuichte theatermakers) in 1981?

In het artikel wordt geklaagd over geringe omvang en versmalling en over de Festivalleiding die bij haar programmering “trouwhartig de (internationale) kunstrecensies volgt” en “daarmee eigenhandige ontdekkingen en verrassingen systematisch uitsluit”.

Zelfs al zou het waar zijn dat kwaliteit mede wordt bepaald door omvang, dan nog is het de vraag of de omvang nu wel zo gering en versmald is als het artikel suggereert. Er komen twintig operavoorstellingen, twintig concerten, 26 dansvoorstellingen, drie flamencovoorstellingen, negen jeugdvoorstellingen, 62 filmvoorstellingen, twaalf niet-westerse voorstellingen - in totaal dus ongeveer 150 manifestaties gedurende een maand, dat wil zeggen een gemiddelde van vijf evenementen per dag. Een programma dat zorgvuldig is geselecteerd op basis van eigen onderzoek en waarnemingen ter plaatse (ook als het repertoire en-of produkties uit het buitenland betrof), kortom, een programma dat tot stand is gekomen dank zij “eigenhandige ontdekkingen”, waarmee ik overigens niet pretendeer dat elke 'ontdekking' ook automatisch een 'verrassing' in petto heeft.

Zelfs het besluit om het Theatre du Soleil uit te nodigen is pas genomen nadat was komen vast te staan dat het om een uitzonderlijke produktie ging, met vele bijzondere kwaliteiten. Ook in de toekomst zal niet anders worden gehandeld: alles zal worden gezien en gehoord of bestudeerd alvorens te besluiten het in het programma op te nemen.

Vanwaar de uitspraak dat “het Holland Festival een goed gesubsidieerd impresariaat is geworden” terwijl ik met nadruk heb aangekondigd dat het Holland Festival zelf als producent van produkties zal optreden, een actief opdrachtenbeleid zal voeren en zal streven naar een programmering gericht op belangrijke nieuwe ontwikkelingen van bijzondere kwaliteit in binnen- en buitenland, en ten slotte op zoek zal gaan naar 'het uitzonderlijke', dat wil zeggen voorstellingen die zonder het Holland Festival onze neus voorbij zouden gaan.

Ik heb vervolgens gewezen op het belang van een samenhangende programmering met als voornaamste uitgangspunten stijlperioden, stromingen, bijzondere repertoire-stukken, genres en saillante figuren. Ik heb de samenwerking met derden, zowel Nederlandse als buitenlandse producenten, sterk aanbevolen, te meer omdat het Holland Festival, anders dan in het artikel wordt beweerd, bepaald niet “ruim genoeg in zijn middelen zit om overal in de wereld onbekende wonderen te ontdekken en ze in eigen land te veroorzaken”.

In dit verband kan het geen kwaad er nog eens bij stil te staan dat de tijden en het artistieke klimaat inmiddels wel even anders zijn dan tien tot twintig jaar geleden. De 'avant-garde' van toen is in feite nog steeds de 'avant-garde' van nu. Men restaureert en consolideert in vrijwel alle takken van de kunst, en in veel gevallen is er zowel nationaal als internationaal eerder sprake van regressie dan van progressie. Het kan niet anders of deze feitelijke gegevens hebben hun weerslag op de programmering van festivals. Overal is sprake van omkijken en terugzien, de retrospectieven zijn niet van de lucht en de enfants terribles van vijf a tien jaar geleden lijken hun tijd alweer te hebben gehad, zoals nog onlangs bleek bij de enscenering van John Adams opera The Death of Klinghoffer door Peter Sellars in de Brusselse Munt.