Voedseltekort bedreigt kwetsbare lepelaar

TEXEL, 11 april - Bij een met riet omzoomd meertje in het duinreservaat ontvouwen zich voor de oprechte vogelliefhebber feestelijke taferelen waarin krakeend, brilduiker, rotgans en bruine kiekendief een hoofdrol spelen. M. Stoepker, boswachter van Staatsbosbeheer op Texel, leidt een klein gezelschap vogelbeschermers rond door het reservaat De Muy; iemand hoort voor het eerst dit seizoen een fitis fluiten, maar de aandacht gaat vooral uit naar een stel lepelaars. Grote witte vogels met spatelvormige snavels, die aan de overkant door het water lopen en af en toe opvliegen om in naburige bosschages neer te strijken.

Het zijn enkele van de ongeveer vijfhonderd lepelaars die op Nederlandse bodem broeden en kort geleden uit hun overwinteringsgebieden in Senegal en Mauretanie, 4.000 kilometer naar het zuiden, zijn teruggekeerd. Sommige hebben hun eieren al gelegd, andere moeten nog volgen.

De excursie van de Vogelbescherming naar de lepelaarskolonie in het duinreservaat past in een actie om deze zeldzame soort nieuwe overlevingskansen te bieden. De gevaren die de lepelaar bedreigen - watervervuiling, verlies van pleisterplaatsen onderweg door verdroging en inpoldering - worden alleen maar groter.

In de groep bevinden zich twee representanten van de Franse zusterorganisatie, de Ligue Fran(c,)aise pour la Protection des Oiseaux. De nieuwe directeur van de Vogelbescherming, J. Bonjer, heeft hun zojuist een som van 140.000 gulden, verzameld onder de leden, aangeboden om daarmee de foerageermogelijkheden voor pleisterende lepelaars in Zuidwest-Frankrijk te verbeteren. De inspanningen zullen zich richten op een grotendeels uit oude zoutpannen bestaand reservaat bij Rochefort en het Marais Poitevin, een uitgestrekt moerassig weidegebied ten noorden van La Rochelle. Over twee jaar moet daar, deels door aankoop, dertig hectare nieuw territorium voor de lepelaar gewonnen zijn.

In opdracht van de Vogelbescherming heeft E. Poorter onderzoek gedaan naar het belang van de verschillende Europese locaties die de vogels op hun lange tocht benutten om er uit te rusten, voedsel te zoeken en hun verenkleed te ordenen. Uit zijn studie is gebleken dat die pleisterplaatsen bijna overal worden aangetast door onder meer een intensief agrarisch gebruik. Een probleem in Frankrijk is dat de hongerige lepelaars zich buiten de reservaten moeten wagen voor voedsel, waarbij ze groot gevaar lopen door jagers te worden geschoten.

Nederland is het meest noordelijke broedgebied van de lepelaar ter wereld. De voornaamste kolonies zitten in de Oostvaardersplassen (zuidelijk Flevoland) en op Texel, waar de vogels op drie verschillende plaatsen broeden: in De Muy en De Geul, beide duinreservaten van Staatsbosbeheer, en in De Schorren, een buitendijks terrein aan het Wad, dat eigendom is van Natuurmonumenten. Vorig jaar werden hier respectievelijk 28, 44 en 63 paren geteld.

Texel wint aan betekenis voor de lepelaar doordat veel vogels klassieke broedplaatsen als het Naardermeer en het Zwanenwater tegenwoordig mijden. Hun grote angst is de vos die daar rondsluipt op jacht naar eieren en jongen en daarom trekken ze bij voorkeur nog wat verder, naar het eerste Waddeneiland, waar de vos niet voorkomt. Daar op Texel dreigen weer andere risico's, vooral een gebrek aan voedsel.

Hierover heeft R. van den Tempel van de Vogelbescherming een rapport opgesteld, waarin lepelaars staan omschreven als kwetsbare vogels die - wadend en op de tast naar voedsel zoekend - afhankelijk zijn van een hoge dichtheid aan prooidieren in open water dat maximaal dertig centimeter diep is. Die prooidieren vinden ze aan de rand van het Wad, maar ook in Texelse sloten, waar lepelaars een voorkeur aan de dag leggen voor drie- en tienhoornige stekelbaars en voor de brakwatersteurgarnaal. In de loop van april vermindert het voedselaanbod echter sterk doordat veel sloten te diep worden na instelling van het zomerpeil. Andere sloten groeien dicht met riet.

Daarbij komt dat de waterkwaliteit op het eiland achteruit gaat. Door vergiftiging of zuurstofgebrek creperen nogal wat dieren waarop de lepelaar is aangewezen. Bij dit alles is de lepelaar van Texel ook nog een 'late broeder', wat niet bevorderlijk is voor de levenskansen van zijn nageslacht.

Daarom streeft de Vogelbescherming, die zich als onbezoldigd advocaat van de wilde avifauna opwerpt, naar afspraken met terreinbeherende instanties, hier vooral het rijk en Natuurmonumenten, die tot verbetering moeten leiden. Aan een man als Stoepker van Staatsbosbeheer zal het niet liggen, want hij is even gek op vogels als Bonjer en zijn aanhang.

In het bijzonder aan de lepelaar is de Vogelbescherming veel verplicht. Sinds de vereniging in 1899 werd opgericht, dient dit sierlijke dier als haar symbool, dat nog steeds op het briefhoofd prijkt. Dat destijds juist de lepelaar hiervoor werd gekozen, had te maken met de toenmalige bedreigingen waaraan de vogel blootstond. De neerhangende kuifveren van het mannetje waren zeer in trek om vrouwenhoeden mee op te sieren. Die dreiging is nu geweken, maar er zijn - op het lange traject tussen Senegal en Texel - andere gevaren voor in de plaats gekomen.