Vervanging van kwekersrecht door octrooirecht maakt de boeren van de Derde wereld afhankelijker en rechtelozer dan ze ooit waren; De horigen van de biotechnologie

De nieuwe recombinant DNA techniek is zo duur, dat fabrikanten de nieuwe planterassen willen beschermen met patenten. De Derde wereld moet machteloos toezien dat de eigen genen onbetaalbaar worden.

Zonder voortdurende plantenveredeling kan de mensheid niet overleven.

De landbouwopbrengsten zouden kelderen en de strijd tegen plagen zou niet volgehouden worden.

Aanvankelijk werden de cultuurgewassen door de boeren zelf gekweekt en aangepast, maar de plantenveredeling is al een eeuw het gespecialiseerde werk van bedrijven en overheidsinstanties.

Tegenwoordig hebben chemieconcerns als Sandoz, Monsanto, Hoechst, Bayer, BP, Upjohn, Union Carbide en Ciba Geigy een stevige greep op plantenveredeling en zaaizaadproduktie. Tientallen bedrijven hebben zij opgekocht. Shell heeft er inmiddels weer enkele afgestoten.

Vroeger konden alleen eigenschappen van verwante soorten worden ingekruist. Zo kon een tarweras kon alleen verbeterd worden met eigenschappen van een ander tarweras. Maar met de moderne biotechnologie kunnen soortsgrenzen overschreden worden. In principe kunnen eigenschappen van ver uit elkaar liggende planten worden overgebracht. Hoewel er veel tegenvallers zijn en de aanvankelijke euforie getemperd is, bieden de nieuwe technieken zoveel perspectief dat de ondernemingen de resultaten van hun - dure - onderzoek goed beschermd willen zien. Het liefst zouden zij hun nieuwe planten patenteren.

KWEKERSRECHT

Sinds particuliere bedrijven zich met plantenveredeling zijn bezighouden, probeerden deze de bescherming van dit intellectuele eigendom wettelijk te regelen. Voor 'normale' industriele uitvindingen geldt sinds de Conventie van Parijs (1883), waarbij honderd landen zijn aangesloten, het octrooi- of patentrecht. Een uitvinder mag zeventien tot twintig jaar lang anderen verbieden het geoctrooieerde produkt of proces na te maken of commercieel te gebruiken. Anderen moeten de uitvinder toestemming vragen en ervoor betalen.

Wel mogen anderen het beschermde produkt of proces gebruiken voor onderzoek, de zogenaamde research exemption. Planten- en dierenrassen plus biologische processen voor de produktie van planten en dieren zijn in Europa uitgesloten uitgesloten van octrooibescherming. De Amerikanen kennen die uitsluiting in principe niet.

Speciaal voor plantenveredelaars werd jaren geleden al een aangepast octrooirecht ontwikkeld, het zogenaamde kwekersrecht. Dit beschermt de eigenaar van een nieuw ras uitsluitend waar het gaat om de verkoop van het zaad. Gedurende minimaal vijftien jaar kan een kweker anderen verbieden het beschermde ras te produceren en te verkopen.

Internationale overeenstemming over dit kwekersrecht werd in 1961 bereikt tussen vijf Europese landen met de International Convention for the Protection of New varieties of Plants, de UPOV-conventie. In 1978 werd deze conventie uitgebreid tot negentien landen, allemaal industrielanden.

Breeders exemption Het kwekersrecht bevat een bepaling, de zogenaamde breeders exemption, die stelt dat een beschermd ras vrij gebruikt mag worden voor het kweken van nieuwe rassen. Andere veredelaars mogen de eigenschappen van dat ras dus inkruisen of inbouwen in een nieuw ras. Zo mag een Indiase veredelaar de hoogproduktieve eigenschappen van een Nederlands tarweras inbouwen in een Indiaas tarweras dat beter tegen hitte en droogte kan.

Ook bepaalt het kwekersrecht in het zogenaamde farmers privilege dat boeren de eigen oogst van een beschermd ras mogen gebruiken als zaaizaad voor het volgende seizoen. Boeren hoeven dan niet elk jaar nieuw zaaizaad te kopen. Voor boeren in ontwikkelingslanden is dat belangrijk, want ze hebben weinig geld. Voor 85 procent produceren ze dan ook hun eigen zaaizaad.

Voor dit laatste hebben de zaadveredelaars een stokje gestoken door hybridisatie van hun gewassen. Hybride gewassen, die ontstaan door kruising van door inteelt verkregen rassen, hebben een hoge opbrengst.

Maar het zaad zelf is door ongeschikt voor een nieuwe oogst. Hybride tarwe- en maissoorten bestaan al lang, aan de hybridisatie van rijst wordt gewerkt. China is er als eerste in geslaagd (opbrengstverhoging tot 25 procent), maar heeft voor verspreiding buiten China licentie-overeenkomsten afgesloten met twee Amerikaanse multinationals.

In de UPOV-conventie is een bepaling opgenomen dat op rassen die beschermd worden door het kwekersrecht, geen octrooi mag worden aangevraagd, het zogenaamde dubbelverbod.

OCTROOIEN

Vorige maand was er in Geneve een conferentie over de herziening van de UPOV-conventie. Het farmers privilege zou beperkt mopeten worden door van boeren een 'redelijke schadeloosstelling' te vragen als zij zaad produceren voor eigen gebruik. Ook wilde men het kwekersrecht uitbreiden tot delen van planten, een inperking van de breeders exemption.

Over inperking van het farmers privilege kon men het niet eens worden, elke lidstaat moet dat dus zelf regelen. ''Maar de kweekbedrijven zullen proberen hun gewassen hybride te maken of via biotechnologie een gen in te bouwen dat ze octooieren. Ze willen gewoon een beloning voor hun kweekwerkzaamheden'', aldus ir. Kamps, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van kwekers en handelaren in Zaaizaad en Pootgoed (NZP) eind maart in De Boerderij.

Wat betreft de breeders exemption is bepaald dat, als iemand een bestaand ras met minimale wijzigingen op de markt brengt, een deel van de opbrengst terugvloeit naar de kweker van het uitgangsras omdat deze het belangrijkste deel van het werk gedaan heeft.

De octrooibaarheid is een stapje dichterbij gekomen omdat het verbod daarop (het dubbelverbod) losgelaten is en besloten is dat de rechten uitgebreid kunnen worden naar delen van planten. De herziening van het kwekersrecht moet nog in nationale wetgevingen doorgevoerd worden zoals de Nederlandse Zaaizaad- en Plantgoedwet en de herziening treedt pas in werking als vijf landen de herziening geratificeerd hebben. Bij het eerste kwekersrechtverdrag duurde dat zeven jaar.

In de World Intellectual Property Organization (WIPO), een VN-organisatie voor intellectuele eigendomsbescherming met 126 lidstaten, is voorgesteld om ook biotechnologische uitvindingen op te nemen in de bestaande patentsystemen. In juni van dit jaar organiseert de WIPO een conferentie waarin zij voorstelt beperkingen op het octrooieren van planten- en dierenrassen en biologische processen op te heffen.

In de Verenigde Staten zijn sinds 1985 al octrooien verleend op genetisch gemanipuleerde planten. Protesten daartegen bij het Hof van Beroep van het Amerikaanse Octrooibureau haalden niets uit. De octrooien gelden zowel voor gehele planten als voor onderdelen van planten zoals geisoleerde genen.

Rampzalig De vervanging van het kwekersrecht door het octrooirecht zou betekenen dat boeren hun eigen oogst niet meer als zaaigoed mogen gebruiken (dat zou een inbreuk op het octrooi zijn) en dat veredelaars niet meer vrij kunnen beschikken over genetisch materiaal (geoctrooieerde rassen en genen). Dat is rampzalig voor boeren en veredelaars in ontwikkelingslanden. Boeren in industrielanden hebben er weinig last van, omdat de meesten allang al hun (hybride) zaad elk jaar opnieuw kopen. Maar de boeren in ontwikkelingslanden hebben daar geen geld voor. Veredelaars in ontwikkelingslanden, hoofdzakelijk overheidsinstellingen, universiteiten en internationale onderzoeksinstellingen, worden ernstig belemmerd in hun pogingen gewassen voor ontwikkelingslanden te verbeteren.

Veel ontwikkelingslanden hebben helemaal niets wettelijk geregeld inzake eigendomsrechten op gewassen. In UPOV en WIPO worden zij onder druk gezet om dat nu wel te doen. Doordat elke lidstaat in de WIPO een stem heeft en de ontwikkelingslanden ver in de meerderheid zijn kunnen zij de onderhandelingen vertragen. Daarom gebruiken de industrielanden de GATT-onderhandelingen als pressiemiddel. Ze dreigen met het opschorten van handelsovereenkomsten of financiele claims als ontwikkelingslanden produkten uitvoeren van geoctrooieerde gewasvarieteiten zoals in het geval van de omvangrijke Colombiaanse bloemenexport naar de Verenigde Staten.

Een van de vijftien GATT-onderhandelingsgroepen houdt zich bezig met eigendomsrechten. Omdat industriele octrooien veel belangrijker zijn en de onderhandelaars economen zijn die weinig kaas gegeten hebben van biotechnologie en kwekersrecht, is er nog niet gepraat over een alternatief voor octrooien. Waarschijnlijk worden ze meegenomen in een package deal waarbij ontwikkelingslanden patentwetgeving accepteren, ook voor levend materiaal, in ruil voor toegang tot westerse markten.

Jeroen van Wijk van de Universiteit van Amsterdam, die werkt aan een proefschrift over de invloed van eigendomsrechten inbiotechnologie en plantenveredeling op ontwikkelingslanden, merkte in gesprekken met onderhandelaars uit de Derde Wereld een volslagen gebrek aan kennis over de gevolgen van patenten op planten of de principes van het kwekersrecht. In tegenstelling tot onderhandelaars uit industrielanden konden zij ook niet terugvallen op experts thuis. De ene GATT-onderhandelaar van Zimbabwe had zitting in vijftien onderhandelingsgroepen!

Het vreemde in deze hele gang van zaken is dat nagenoeg alle cultuurgewassen uiteindelijk afkomstig zijn uit tropische en subtropische gebieden en dat ook het genetisch materiaal waarvan plantenveredelaars volkomen afhankelijk zijn, uit ontwikkelingslanden komt. Daar liggen de genencentra, de oorsprongsgebieden van de cultuurgewassen. De westerse landbouw is gebaseerd op een zeer klein aantal rassen (in de Verenigde Staten zo'n zes tarwerassen, in West-Europa een suikerbietenras). In de Derde Wereld komen van al die gewassen nog duizenden rassen voor, zowel in de vrije natuur als op akkers van boeren, die - om risico's te spreiden - soms wel tientallen rassen op een enkele akker zaaien. Daar zitten soms vrij oude boerenrassen bij, die al eeuwen selectie kennen van lokale boeren.

Zo'n op het eerste gezicht onbelangrijk boerenras kan ineens honderden miljoenen guldens waard zijn als het een gen bevat dat een plant resistent kan maken tegen een plaag. Zo werd meeldauw, die de gerst teisterde, teruggedrongen met een wild ras uit het Midden-Oosten.

De genetische variatie in de Derde Wereld wordt op dit moment ernstig bedreigd door de zogenaamde genetische erosie. Boeren stappen over op moderne rassen en laten hun oude boerenrassen vallen. Ook in natuurgebieden gaan wilde rassen verloren door ontbossing en kolonisatie. Om deze 'erosie' tegen te gaan is veel genetisch materiaal inmiddels legaal of illegaal weggehaald en opgeslagen in de genenbanken van internationale en nationale instellingen of van Westerse bedrijven. Genenbanken kunnen echter maar voor beperkte tijd genetisch materiaal bewaren omdat zaden niet eindeloos hun kiemkracht behouden en dus telkens opnieuw uitgezaaid en geoogst moeten worden.

Behoud van de genetische variatie in de oorsprongsgebieden is dus erg belangrijk. Aan de opbouw en instandhouding van de genetische rijkdommen van de wereld hebben kleine boeren in de Derde Wereld in de loop der eeuwen een grote bijdrage geleverd. Nu dreigen zij stank voor dank te krijgen.

BOERENRECHT

Onder druk van Derde Wereldlanden nam de Wereldvoedsel- en landbouworganisatie FAO in 1983 het principe aan dat genetische bronnen een 'gezamenlijk erfgoed van de mensheid' zijn en vrij beschikbaar moeten zijn. Dit principe is de FAO aan het loslaten want het is achterhaald door de ontwikkelingen richting octrooirecht.

Daarom formuleerde een speciale FAO-commissie, die de belangen van de westerse veredelaars en de leveranciers van genetisch materiaal in de Derde Wereld met elkaar probeert te verzoenen, het uitgangspunt van het boerenrecht. Het werd neergelegd in een International Undertaking, dat de rechten van de veredelaars erkent maar ook vindt dat de leveranciers van genetisch materiaal een tegemoetkoming moeten krijgen.

Volgens commissievoorzitter dr. J. Esquinas-Alcazar is 'in 99 procent van de gevallen echter niet vast te stellen wie dat geld moet krijgen'

als bron van het genetisch materiaal, omdat de genen uit bronnen komen die nationale grenzen overschrijden. Volgens hem 'behoren genen toe aan de mensheid; biotechnologen die deze genen gebruiken zouden geld moeten storten in een internationaal fonds.'

Uit dit genenfonds zouden ontwikkelingslanden geld moeten krijgen om hun genetische rijkdommen te beschermen en hun eigen gewassen te veredelen. Westerse zaadveredelingsbedrijven, die deze genen nodig hebben voor hun veredelingsprogramma's en daarvoor geld storten in het genenfonds, profiteren er uiteindelijk ook van omdat het fonds genetische hulpbronnen in ontwikkelingslanden beschermt en hen er - gelegitimeerd - toegang toe verschaft.

De Verenigde Staten vinden het idee van de commissie 'te gepolariseerd' omdat het fonds gevuld moet worden met geld uit bestaande eigendomslijnen (zoals Amerikaanse tarwe, die voor 23% van Mexicaanse oorsprong is).

Zolang de Verenigde Staten, die 's werelds grootste groep veredelaars vertegenwoordigen, geen zitting willen nemen in de FAO-commissie zal het een tandeloze commissie blijven. Wel besloot de jaarvergadering van de FAO in 1989 verder te gaan met het definieren van boerenrecht en het genenfonds. Boerenrecht wordt omschreven als 'rechten die voortkomen uit bijdragen in verleden, heden en toekomst van boeren in het bewaren, verbeteren en beschikbaar stellen van plantgenetische hulpbronnen, vooral in gebieden met een grote genetische diversiteit', de genencentra. De onderhandelingen over dit fonds vlotten echter niet. Ontwikkelingslanden eisen verplichte betalingen van industrielanden, maar die willen niet. De industrielanden maken zich drukker om de vermindering van de genetische diversiteit dan om een faire behandeling van boeren in ontwikkelingslanden.

TEGENSPARTELEN

De Derde Wereldlanden reageren op deze weinig toeschietelijke houding met een afscherming van hun genetische hulpbronnen. Ethiopie, dat met Duitse hulp een goed draaiende genenbank heeft opgezet en oorsprongsgebied is van onder andere koffie, heeft alle uitvoer van genetisch materiaal verboden. Ook naar Duitsland dat een duplicaat verwacht had van de Ethiopische gerstcollectie. De Zimbabweaanse ontwikkelingsorganisatie ENDA, een counterpart van Novib, verzamelt in het kader van haar Seeds Action Network samen met boeren zaden van oude landrassen. Deze zijn verdrongen door moderne (hybride) rassen en vaak alleen nog maar in afgelegen streken te vinden. Landrassen zijn soorten die zich in een selectieproces van eeuwen ontwikkelden in specifieke omstandigheden. De specifieke eigenschappen van de rassen worden nauwkeurig beschreven. Op die manier kan ENDA later eventueel rechten laten gelden van boeren in Zimbabwe als mocht blijken dat westerse veredelaars eigenschappen van deze landrassen gebruikt hebben.

Toen het CIMMYT, het internationale onderzoeksinstituut voor tarwe en mais in Mexico, zestien landrassen mais van ENDA vroeg voor haar genencollectie, hield ENDA de boot af. Men was bang dat multinationals bij het CIMMYT het genetisch materiaal uit Zimbabwe zouden halen, op basis van het nog geldende principe van de vrije beschikbaarheid.

Daarmee zouden nieuwe rassen ontwikkeld kunnen worden die vervolgens weer in Zimbabwe verkocht zouden kunnen worden, terwijl de multinational ook nog het octrooi op de Zimbabweaanse eigenschap zou verwerven.

Maar veel meer dan tegenspartelen is het niet. Een algeheel verbod op de export van genetisch materiaal uit de Derde Wereld is niet te verwachten, en als het er zou komen is het moeilijk te controleren.

Zoals er in het verleden veel genetisch materiaal gesmokkeld is, zo kan dat nog steeds. Iedereen kan ongemerkt wat graantjes meepikken.

Minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking verklaarde deze maand op een conferentie over 'Biotechnologie en boerenrecht', die door de NOVIB en de afdeling Biologie en Samenleving van de Vrije Universiteit georganiseerd werd, dat de Nederlandse regering zich in internationale fora als de WIPO krachtig zal verzetten tegen toepassing van het octrooirecht op plante- en diererassen.

Ingewijden verwachten dat een Marscapsule met nucleaire voortstuwing nog altijd vijf tot tien maanden nodig heeft voor een retourvlucht.