STURM UND DRANG

J. E. Nurmi: How Do Adolescents See Their Future? A Review of the Development of Future Orientation and Planning. In: Developmental Review, 11, 1-59, 1991 W. Meeuws: Ouders en leeftijdgenoten in het persoonlijke netwerk van jongeren. In: Pedagogisch Tijdschrift, 1, 25-37, 1990 Scholierenonderzoek, NIBUD, 1991

Het woord 'puberteit' wordt steeds vaker vervangen door 'adolescentie', maar wat is gebleven is de zorgelijke toon waarop over deze levensfase wordt gesproken en geschreven. Adolescenten zetten zich af tegen alles wat volwassenen hen voorhouden, liggen voortdurend met zichzelf overhoop en laten ouders en leerkrachten meelijden in hun ellende.

Dit Sturm und Drang stereotype blijkt onuitroeibaar. Dat regelmatig onderzoeksresultaten worden gepubliceerd - buitenlandse zowel als Nederlanse - waaruit duidelijk wordt dat de innerlijke misere wel meevalt en dat van een generatiekloof nauwelijks sprake is, vermag het traditionele puberteitsbeeld niet te veranderen.

Laatst bijvoorbeeld het Leidse onderzoek onder 15.000 scholieren tussen 13 en 20 jaar. Slechts 20 procent had in het algemeen geen positief zelfbeeld; 80 procent met zichzelf redelijk tevreden pubers is toch een geruststellende gedachte. Bovendien zei 90 procent na schooltijd graag naar huis te gaan en 95 procent hield van de eigen ouders. Weg Sturm und Drang.

Uit Utrechts onderzoek van vorig jaar onder 2837 scholieren tussen 15 en 17 jaar kon de conclusie worden getrokken dat de adolescenten zich in belangrijke mate op hun ouders orienteerden. Bij uitsplitsing van de drie belangrijke levensgebieden - persoonlijke relaties, school, vrije tijd - bleek bij het eerste moeder de belangrijkste referentiepersoon te zijn, gevolgd door vrienden en daarna vader. Wat betreft school was de volgorde vader, moeder, leeftijdgenoten. Bij vrije tijd stonden vrienden bovenaan. In het algemeen bleek dat waar ouderlijke steun ontbrak, leeftijdgenoten op school konden ''functioneren als belangrijke buffer tegen nog slechtere prestaties''. Bij jongeren die zich wel op hun ouders konden orienteren betekende eventuele steun van leeftijdgenoten een extra positieve invloed op schoolprestaties.

Uitsplitsingen geven wel vaker helderheid bij vage noties. De puberteit als turbulente periode is zo'n vage notie. De Groningse psycholoog Bosma, een specialist op het terrein van adolescentieonderzoek, maakt een uitsplitsing naar relaties; waarden, normen en attitudes; stijl, smaak en persoonlijke voorkeur. Analyse van diverse onderzoeksresultaten laat zien dat wat de eerste twee betreft jongeren zich in hoge mate blijven richten (en dus blijven lijken) op hun ouders. Het is ten aanzien van stijl, smaak en voorkeuren dat zij zich als leeftijdgenoten onderling profileren en anders willen zijn dan volwassenen.

Een klein generatiekloofje dus, maar wel een dat zorgt voor hevige herrie in huis en wellicht daardoor van veel fundamentelere betekenis lijkt dan het in feite is. Hoeveel slaande conflicten, soms tot tranens toe, heb ik met mijn kinderen niet gehad over kleren, haren, lawaai en rotzooi. En inderdaad eigenlijk zelden over iets essentieels.

Behalve door deze vertekening door dagelijkse botsingen is de hardnekkigheid van het Sturm und Drang beeld misschien ook te verklaren door de nog maar recente seksuele vrijheid van jongeren. De start van de levensfase is per slot van rekening de lichamelijke, seksuele rijping. De seksuele onthouding die enkele generaties lang aan jongeren werd opgelegd kan dan ook voor veel emotionele labiliteit hebben gezorgd. De dreiging van zwangerschap maakte zo'n onderdrukkende moraal nodig. Freud had er zijn neurosenleer aan te danken. Nu die onthouding door de komst van veilige en overal beschikbare voorbehoedsmiddelen niet meer nodig is, is ook een belangrijke frustratiebron weggevallen. Dat jongeren nog steeds kunnen lijden onder ongelukkige liefdes en verbroken relaties is iets anders en jammergenoeg niet leeftijdsspecifiek.

Uit de culturele antropologie was deze samenhang tussen seksuele onthouding en puberteitsproblematiek al langer bekend: in culturen waar na de seksuele rijping ook seksuele aktiviteit is toegestaan, ontbreekt iets wat op de westerse Sturm und Drang lijkt. Daar komt bij dat in zulke culturen de seksuele rijping meestal ook integratie in de volwassen cultuur betekent, gemarkeerd door inwijdingsrituelen.

De puberteit is dan ook geen door de natuur, maar door de cultuur bepaalde levensfase. Naarmate het volwassen bestaan gecompliceerder is, is een langere voorbereidingstijd nodig en bij voldoende welvaart kan men de jeugd die tijd ook geven. Maar het betekent ook dat zij langer onzelfstandig wordt gehouden dan wellicht passend is bij de genetische bagage van een mens, die niet alleen maakt dat men zich rond het vijftiende jaar kan voortplanten, maar ook dat men fysiek sterk genoeg is om voor zichzelf te zorgen. Het is niet ondenkbaar dat parallel daaraan of gebaseerd daarop een jong mens dan ook de behoefte heeft aan een zelfstandig bestaan. Als dat zo is, is het een teken van menselijk aanpasssingsvermogen dat zo veel jongeren zich schikken in de afhankelijkheid waarin zij moeten leven. Het is echter slecht als de onzelfstandigheid langer duurt dan nodig is, vooral als de afhankelijkheid van ouders - die altijd nog op tastbare affectie is gebaseerd - overgaat in de anonieme afhankelijkheid van de overheid.

Daarom is het zo slecht als jongeren werkloos zijn. Juist op de leeftijd dat de greep op eigen bestaan zich definitief zou moeten vestigen, wordt hun de meest concrete mogelijkheid daartoe ontnomen.

Ontwikkelingspsychologisch gezien is er alles voor te zeggen om werkloze jongeren die een uitkering krijgen, de vrijheid te geven daarnaast op eigen initiatief bij te verdienen zonder gekort te worden. En zeker als zulke jongeren werkloze ouders hebben en van die kant geen ambities aangereikt kunnen krijgen, is dit de enige manier om een fnuikende passiviteit te doorbreken.

Een vrij moderne kijk op de adolescentieperiode is afkomstig uit de cognitieve-ontwikkelingspsychologie en houdt rekening met de verandering in de manier van denken die zich in ongeveer dezelfde periode voltrekt als de seksuele rijping. De Zwitserse psycholoog Piaget beschreef dit als de fase van de formele operaties. Het denken van schoolkinderen in de voorafgaande fase van de concrete operaties verloopt langs innerlijke voorstellingsbeelden die sterk aan de reele werkelijkheid zijn gebonden. In het begin van de adolescentie wordt het voor de meesten mogelijk in abstracties te gaan denken over een fictieve werkelijkheid. Het denken over de eigen toekomst in een afweging van de (on)mogelijkheden en (on)waarschijnlijkheden kan dan pas goed op gang komen. Wat in dramatische bewoordingen wel wordt omschreven als 'identiteitscrisis' zou men in nuchterheid kunnen zien als het loslaten van die nieuw verworven verstandelijke mogelijkheid op het zelfbeeld. Een in gedachten in allerlei varianten experimenteren met wat zou kunnen gaan gebeuren als consequentie van eigen kenmerken en acties.

Nuchterheid gebiedt echter ook te erkennen dat niet alle jongeren aan zulk lange-termijndenken toekomen. Hier spelen sociale klasse, scholing en in intelligentie een rol. De Fin Nurmi schreef een mooi overzicht van de resultaten van enige tientallen adolescentie-onderzoeken uit een groot aantal westerse landen, die hij analyseerde op de mate van toekomstgerichte motivatie, planning en inschatting van mogelijkheden. Hij schrijft dat ''on the level of planning for the future (most studies) show that adolescents with an high socioeconomic status tend to plan their future more than youths with a relatively low socioeconomic position.''

Maar ook hier blijken ouders een belangrijk tegenwicht te kunnen vormen, want dwars door alle sociale klassen waren jongeren die zich door ouders gesteund voelden in gedachten meer met hun toekomst bezig en bovendien optimistischer daarover. Jongeren zelf lijken dus in het algemeen niet uit te zijn op een generatiekloof. Ze kijken wel uit.