Steenkoolengels

Met Nederlands kom je niet ver. Ongeveer 350 kilometer in noord-zuidrichting en 150 in oost-west. Zonder kennis van vreemde talen is de Nederlander onthand in de wereld. Wie niet groot en sterk is, moet slim zijn om zijn kleinheid te compenseren. Nederlanders doen dat dan ook plichtsgetrouw en bekwamen zich op de middelbare school in het Engels en, als het vakkenpakket het toelaat, ook nog in een of twee andere vreemde talen. Van chauvinisme over de eigen taal is geen sprake. Buitenlandse cultuuruitingen, zoals film en tv-produkties, worden niet nagesynchroniseerd, maar ondertiteld.

Hier spreekt, naast zuinigheid, toch vooral eerbied voor het origineel uit. Iedere buitenlander die in Nederland de weg vraagt wordt gedienstig in het buitenlands te woord gestaan. Zelfs de enkele buitenlander die de moeite heeft genomen Nederlands te leren moet vechten voor de gelegenheid om zijn kennis in praktijk te brengen. Als er iets is waar Nederlanders van doordrongen zijn, dan is dat hun eigen nietigheid.

Maar blijkbaar nog niet genoeg. Nederlanders zijn hun eigen grootste critici en zijn dan ook altijd bezig hun eigen vreemdetalenkennis af te kammen. Negentig procent van de bevolking mag zich redelijk verstaanbaar kunnen maken in het Engels, naar Der Alte kijken op de Duitse kabel-tv en zich kunnen redden op een Franse camping, eigenlijk stelt het allemaal niets voor en kunnen ze er niks van. Het duidelijkst komt dat collectieve minderwaardigheidsgevoel naar boven wanneer je in een gezelschap naar het journaal kijkt, en ineens verschijnt daar Van den Broek of Lubbers die ergens in het buitenland zijn zegje doet: “Wie in Hollend ar heppie toe kontribjoet auwer smol stoon.” De reactie van zo'n groepje kijkers is onmiddellijk en dodelijk: “Wat een Engels spreekt die man!” “Niet om aan te horen!” “En dat voor een minister!” Ik heb mezelf ook vaak genoeg aan dat soort kritiek overgegeven, want er waren toch uitzonderingen?

Koningin Beatrix bijvoorbeeld spreekt vlekkeloos Engels. Zelf bracht ik er intussen ook niet al te veel van terecht. Ja, het lezen van boeken en kranten gaat moeiteloos. Dat mag je verwachten van iemand die nog van voor de mammoetwet is en zich bijgevolg zes jaar lang heeft beziggehouden met geschreven teksten, woordbeelden en de opdracht 'vertaal in goed Nederlands'. Maar luisteren wordt al wat moeilijker. Nog steeds, hoewel ik nu al meer dan een jaar in Amerika woon, mis ik de ondertiteling op de tv en bij films. Niet dat ik het zonder dat niet kan volgen, maar die ondertitels zijn zo'n prettig steuntje in de rug: in minder dan een seconde lees ik het zinnetje en de bijbehorende stem komt erachteraan sukkelen, aangekleed en wel met franje, waarvoor geen plaats was op de ondertitelruimte, maar die nu in een gespreid bedje terechtkomt.

Spreken is nog moeilijker. Ik hoor mezelf dat Engels uitkramen en voel mijn tenen krommen. Een Nederlander die Nederlands spreekt klinkt gewoon, maar het lijkt wel of elke Nederlander die Engels spreekt zo uit een plaggenhut is weggeplukt. Het heeft iets schobberdebonkigs, iets van stamppot met raapsteeltjes, het is te veel van achteren uit de keel, er zitten te veel doffe klanken en harde ch's in, het is kortom niet om aan te horen.

Amerikanen denken daar anders over. De complimentjes die ik over mijn Engels mocht ontvangen schoof ik op het conto van beleefdheid, totdat iemand mij vertelde dat hij altijd graag met Nederlanders sprak juist vanwege hun accent. Nergens ter wereld zijn zoveel immigranten als in Amerika. Uit alle hoeken van de wereld komen ze hier en leren dus ook Engels, gekleurd door accenten die sterk wisselen in verstaanbaarheid.

Het door Nederlanders gesproken Engels had volgens deze Amerikaan, evenals dat van de Duitsers, een heel geprononceerd en herkenbaar accent, maar hoorde wel tot de meest verstaanbare varianten. Mijn weerzin tegen mijn eigen Engels werd hierdoor aanzienlijk getemperd.

Wat blijft zijn de fouten, de onbeholpenheid, het getast naar het juiste woord, de armetierige zinsconstructies, het gebruik van termen met een brede betekenis, omdat je zo snel niet op het specifieke woord kunt komen (bijvoorbeeld 'bad' in plaats van 'vicious'). Als ik Engels spreek, kost het me meer moeite om precies te zeggen wat ik bedoel, nuances worden verdoezeld, het wringt en trekt als een jurk die niet past en die voor sommige gelegenheden eigenlijk te simpeltjes is.

Er zijn mensen in Nederland (onder anderen Marc Chavannes in deze krant) die voorstander zijn van een tweetalige opvoeding, Nederlands en Engels, om het peil van de bevolking wat op te krikken. Het lijkt me zoiets als het diploma 'redddend zwemmen' verplicht stellen voor kleuters die in een pierebadje rondspartelen. Echte tweetaligheid is een betrekkelijk zeldzaam verschijnsel. Oudere kinderen van immigranten bijvoorbeeld spreken de taal van hun ouders vaak nogal gebrekkig, zeker wanneer die taal niet apart onderwezen wordt. Zodra het onderwijs ophoudt en er geen dagelijkse toepassing is, zakt de franje (woordenschat) langzaam weg en blijft alleen het geraamte nog overeind. Dit is met mijn Duits gebeurd. Na de middelbare school nauwelijks gesproken en te weinig gelezen. Een taal leren is een ding, maar daarna moet je het ook nog een beetje bijhouden. De Vlamingen spreken goed Frans, maar het Nederlands van de meeste Walen is om te huilen. Friezen spreken Nederlands en Basken spreken Spaans, maar in die gevallen gaat het over de voertaal binnen een land.

De inspanning die het zou kosten om het Engels tot een tweede taal in Nederland te maken staat in geen verhouding tot het te verwachten rendement. Nederlanders spreken immers onder elkaar geen Engels maar Nederlands. Waarom zou iemand met een havo-diploma die een verpleegstersopleiding gaat volgen perfect Engels moeten spreken? Wel zijn er een heleboel gebieden met jargon-Engels, zoals in de wetenschap, exportbedrijven of internationale banken, maar dat jargon is de taal niet - dat is een soort waterhoofd erbovenop, dat bovendien binnen een paar weken onder de knie te krijgen is.

Waarom zouden de Nederlanders er trouwens zo goed in moeten zijn? Allerlei andere volken spreken ook een versie van het steenkoolengels en niemand die er aanstoot aan neemt. Een taal is als een eigen huis.

Je kunt er een tweede huis op nahouden of een caravan of een bungalowtent, maar het blijven schamele onderkomens vergeleken met het eigen huis.