'Selectie pleeggezinnen moet strenger'

DEN HAAG, 11 april - De selectie van pleeggezinnen moet volgens de Alkmaarse kinderrechter mr. M.G.W. Otterspoor veel strenger gebeuren. Dat vijf kinderen in de leeftijd van vier tot acht jaar die in 1988 en 1989 door een pleegvader seksueel zijn misbruikt en twee kinderen in het volgende pleeggezin nog eens slachtoffer van ontucht werden, noemt ze “volstrekt ontoelaatbaar”.

Deze zaak werd gisteren bekend gemaakt door de Alkmaarse officier van justitie mr. E.W.M. Stokman, die ook al kritiek had op de wijze waarop pleeggezinnen worden geselecteerd. Hetzelfde geldt voor de Stichting voor Jeugd en Gezin in Alkmaar, die de kinderen op last van de Raad voor de Kinderbescherming in het pleeggezin heeft geplaatst. De vader van het pleeggezin, die de vijf kinderen eerst onder zijn hoede had en de minderjarige zoon in het volgende opvanggezin, die later nog eens twee van deze kinderen seksueel misbruikte, zullen worden vervolgd.

Naar nu blijkt is een van de pleegvaders in zijn jeugd ook seksueel misbruikt. Dat had volgens directeur M. Vernooy van de stichting bij het onderzoek door de plaatsende instantie boven water moeten komen.

“Er had nadrukkelijk gevraagd moeten worden naar het verleden van de man. Immers, steeds meer wordt verband gelegd tussen seksueel misbruikt zijn in de eigen jeugd en het zelf plegen van ontucht op latere leeftijd”, aldus Vernooy.

De Centrale voor Pleegzorg in Amsterdam, die de screening doet voor Noord-Holland en Utrecht heeft het betreffende gezin destijds 'doorgelicht'. De organisatie zegt indertijd “geen aanwijzingen te hebben gevonden dat het pleeggezin niet in orde zou zijn”, zegt woordvoerster A.H van der Vegt. Tegen het gezin werden bij onderzoeken in 1976 in Groningen en 1986 in Amsterdam “geen bezwaren”

aangetekend. Deze testen bestonden uit “ten minste drie gesprekken” tussen het gezin en een vertegenwoordiger van de Centrale. Ook de Raad voor de Kinderbescherming die eventuele 'justitiele documentatie' over het gezin moet achterhalen, vond volgens directeur A. Bijleveld “helaas geen aanwijzingen om het gezin af te wijzen”.

Praktijkbegeleider W. Joosen, van de Stichting voor Jeugd en Gezin (Midden Nederland) die nauw bij het gezin betrokken is geweest, spreekt van een “niet zo goed gezin” voor opvang van pleegkinderen, maar bij huisbezoeken zijn echter “nooit signalen” gevonden die wezen op ontucht. Volgens de Stichting voor Jeugd en Gezin in Alkmaar is de controlerende maatschappelijk werkster 'voldoende oplettend'

geweest. “Dit was niet te voorkomen en het zal wel nooit te voorkomen zijn,” aldus directeur Vernooy.

De zaak kwam aan het licht nadat de pleegmoeder in het eerste gezin de maatschappelijk werkster had ingeschakeld omdat zij vermoedde dat haar man ontucht pleegde met de kinderen. In een gesprek met de maatschappelijk werkster bekende de man. Het gezin heeft in de jaren 1988 en 1989 negen kinderen in huis gehad.

De rol van de instellingen is nadrukkelijk niet betrokken in het onderzoek, zei mr. Stokman gisteren. Maar in kringen van juristen worden vraagtekens gezet bij het op voorhand vrijuit gaan van deze instellingen. Nog vorig jaar werd in het Nederlands Juristenblad een pleidooi gehouden voor dagvaarding van een instelling die kinderen in een kennelijk gevaarlijk gezin plaatst. Aanleiding tot die discussie was 'de zaak Danielle', een driejarig meisje dat in januari vorig jaar zodanig werd mishandeld door de pleegvader dat het overleed. Volgens een van de auteurs zou de instelling vervolgd dienen te worden “omdat het zonneklaar was dat de stichting bij de taxatie van het pleeggezin als 'veilig en liefdevol' onderkomen, de plank finaal heeft misgeslagen. Op grond daarvan is zij medeverantwoordelijk voor het drama en dient zij gedagvaard te worden”.