Raad van de Kunst tegen bezuiniging podiumkunsten; D'Ancona: ook voortbestaan kunstsubsidies ter discussie

ROTTERDAM, 11 april - De strijd om het voortbestaan van subsidies is begonnen en ook in de kunstwereld zal het nooit meer zijn wat het vroeger was.

Die harde boodschap hield gisteren minister d'Ancona (WVC) in de Rotterdamse Doelen voor aan de deelnemers van een driedaags congres over podiumkunsten en publiek. Volgens de minister “is er alle reden om in beleidsmatige zin heel wat nauwkeuriger en zorgvuldiger dan in het recente verleden hebben gedaan, om te gaan met de relatie kunst en samenleving.”

Minister d'Ancona kondigde “een grondige herorientatie op onze verzorgingsstaat” aan, waarmee ook de kunstwereld te maken krijgt.

“Het kunstleven moet waardering en loyaliteiten minder zoeken in het overheidscircuit en meer in de samenleving zelf.” Dat moet volgens ook gebeuren omdat nu aard en omvang van de rol van de overheid zelf ter discussie staan.

De kunstwereld is overigens al ernstig in conflict met het kabinet. De Raad voor de Kunst keert zich sterk tegen de in de Tussenbalans aangekondigde bezuiniging van 5,2 miljoen op incidentele subsidies, waarmee de kunstsector onevenredig zwaar wordt getroffen.

De minister wil 1,45 miljoen gulden, oftewel 15 procent, bezuinigen op het projectenbudget voor de podiumkunsten. Verder wil ze het budget voor de kunstbeoefening en kunstzinnige vorming van amateurs verminderen met zes ton.

De minister had de Raad gevraagd reeds positief beoordeelde projecten in volgorde van prioriteit te zetten, met andere woorden te bepalen wie er nog kunnen afvallen. De Raad heeft de minister woensdag per brief laten weten dat niet te zullen doen.

De vermindering van juist incidentele subsidies tast bovendien de vitaliteit van het kunstleven aan, meent de Raad.

De minister was gisteren wegens werkzaamheden in de Tweede Kamer niet zelf aanwezig in Rotterdam. Haar waarschuwende woorden, kort nadat haar collega Kok van financien verleden week in de 'subsidiebijbel'

rechtvaardiging en omvang van tal van subsidies fundamenteel ter discussie stelde, werd voorgelezen door Jan Riezenkamp, directeur-generaal culturele zaken van WVC. In een 'addendum' ging de hoogste cultuurambtenaar zelf heel wat verder dan de minister op papier deed: hij paste een uitspraak van Oscar Wilde toe de opvattingen van het ministerie van financien over de kunstsubsidies: “Een cynicus is iemand die de prijs weet van alles, maar de waarde van niets.”

Riezenkamp keerde zich fel tegen het idee van ambtenaren van het ministerie van financien om niet langer de producenten van kunst te subsidieren, maar de consument. Dat kan gebeuren door bepaalde bevolkingsgroepen te voorzien van 'kunstcheques', die recht geven op korting, of van vouchers voor gratis toegang. Daarmee zou dan tevens de souvereiniteit van de consument worden hersteld: niet langer bepaalt de “paternalistische overheid” welke gezelschappen al of niet bestaansrecht hebben, maar maken de bezoekers de dienst uit.

Volgens het ministerie van financien bestaan er door het totnutoe gevoerde subsidiebeleid in vergelijking met het buitenland in ons land relatief veel topgezelschappen. Bovendien staat de breedte van het aanbod van podiumkunsten op eenzame internationale hoogte. Maar, zegt het ministerie, het is de vraag of het wel bedoeld en gewenst is zo'n breed en kwalitatief hoogwaardig aanbod te realiseren. De cultuurspreiding buiten de grote steden is onvoldoende en onder het publiek bestaat een oververtegenwoordiging van hogere inkomensklassen en hoger opgeleiden. Ook vindt het ministerie dat de mogelijkheden van kunstsponsoring onvoldoende worden benut.

Volgens Riezenkamp is het idee van kunstcheques en vouchers uit te reiken praktisch onuitvoerbaar, contraproduktief en in strijd met de hoofddoelstelling van het kunstbeleid: het instandhouden van een hoogwaardig kunstaanbod. In de kunst gaat het aanbod immers altijd vooraf aan de vraag, er kan geen vraag zijn naar kunst en kwaliteit die er niet is.

Riezenkamp zei te vrezen voor een negatieve spiraal in de kwaliteit als de consument bepaalt wat er aan kunst moet zijn. Soortgelijke ideeen voor het wetenschappelijk onderwijs zijn ook door minister Ritzen afgewezen. Bovendien is volgens hem niet aangetoond dat het huidige aanbod niet wordt afgenomen. En gezelschappen die het publiek onvoldoende bedienen worden nu ook om de vier jaar bij de vaststelling van een nieuw Kunstenplan opgeheven.

Volgens Riezenkamp zijn ook de mogelijkheden van sponsoring veel kleiner dan het ministerie van financien meent. Dat bleek ook uit de geringe financiele steun van de uitgevers voor de Nederlandse cultuurpresentatie op de Frankfurter Buchmesse. “Een vermindering van het volume is wel mogelijk, maar als men in de hoop op sponsoring de subsidies vermindert, is dat ordinaire bezuiniging.”

De Tweede Kamerleden Beinema (CDA) en Van Nieuwenhoven (PvdA) lieten ook blijken niets te voelen voor de voorstellen van het ministerie van financien. Beinema zei juist blij te zijn met goed gelukte cultuurspreiding onder hoog opgeleiden en vreest kwaliteitsvermindering als in de kunst het marktmechanisme de norm wordt. “Bezuinigen op kunst, in welke vorm dan ook, is een zuinigheid die de wijsheid bedriegt. Dat klinkt als een volkswijsheid, maar het volk heeft die wijsheid helaas nog niet.”

Volgens Beinema is het niet zo dat de politiek geen rekening houdt met de belangen van grote groepen en de spreiding van kunst. “Dat doet de overheid juist wel, maar die let tevens op kwaliteit. Als het niet goed gaat is de reactie vertraagd, maar die is er wel.” Ook Van Nieuwenhoven keerde zich tegen bezuinigingen en pleitte voor een ander inkomensbeleid.

Walter Etty, oud-wethouder van financien in Amsterdam, zei dat de ervaringen met de Stadspas waarmee 175.000 Amsterdammers korting kunnen krijgen goede resultaten heeft: bioscopen kregen 75.000 meer bezoekers. Maar volgens hem staat de kunstwereld daar te negatief tegenover en klaagt alleen over de verminderde opbrengst, terwijl vorig jaar toch 1700 anders onverkochte plaatsen werden bezet.

Verder maakte Etty zich zorgen over het gebrek aan publieke steun voor het huidige kunstbeleid. Volgens hem mogen de belastingbetalers best meer geld voor cultuur mogen over hebben. “De toegangsprijzen zijn nu op het maximum, er is een publiek te winnen door die deels te verlagen.”

De discussie op het congres werd gisteren volledig beheerst door het pleidooi van de Belgische econoom prof. P. de Grauwe voor een vrijwel geheel marktgerichte cultuursector. Hij keerde zich tegen de versmelting van gesubsidieerde en geintellectualiseerde kunst met de overheidsbureaucratie en wil alleen nog subsidies toekennen een kunstonderwijs, jonge kunstenaars en experimenten. Later gaf hij toe vooral tot zijn bevindingen te zijn gekomen “door de corruptie bij de Belgische overheid.”