Met Japan kunnen we op de been blijven

In concurrentie met andere landen moeten de Nederlanders in de komende vijfentwintig jaar hun brood blijven verdienen. Daarbij moeten we onze sterke punten zo goed mogelijk uitbuiten. Daartoe hoorden vanouds de kennis van transport en distributie als ook onze gunstige geografische ligging. Maar de vraag is of die concurrentie-voordelen blijven bestaan; de wereld om ons heen verandert immers heel snel en daarmee ook onze economische positie. In tegenstelling tot vroeger bestaat de wereld nu uit de drie economische machtsblokken: Europa, de Verenigde Staten en Japan. Vooral met dat laatste machtsblok zal het Nederlandse bedrijfsleven in zee moeten gaan.

Over de Europese eenwording is veel geschreven. Maar zelden is opgemerkt dat de Nederlandse positie in Europa is verzwakt sinds de EG is uitgebreid van zes naar twaalf leden. In 'het Europa van de Zes', dat wil zeggen in de jaren '60 en '70, had Nederland in Brussel nog flink wat in de melk te brokkelen. De twee continentale economische grootmachten van toen, Frankrijk en West-Duitsland gunden elkaar beslist niet alles en als grootste van de kleintjes kon Nederland als balancerend element in de noodzakelijke consensusvorming een doorslaggevende rol spelen.

In het personele vlak was het zo dat wanneer Frankrijk en Duitsland elkaar een bepaalde positie niet toestonden, er al gauw een Nederlander voor in aanmerking kwam. Maar ook los van de persoonlijke bezetting kon Nederland toen nog invloed uitoefenen. Het in die tijd onder auspicien van de door Mansholt gevormde landbouwbeleid, dat voor ons land zo gunstig is geweest, is er een mooi voorbeeld van wat Nederland toen binnen de EG kon bereiken.

Nadien hebben we verzuimd die positie te consolideren. Met versterking van de Benelux was dat wel mogelijk geweest. Die had ons de positie van economische grote partij binnen de EG kunnen opleveren. Maar de combinatie van Nederlandse arrogantie en Waalse intriges, maakte van die samenwerkingsvorm een doodgeboren kind. In feite was dat al zo sinds Belgie vlak na de oorlog weigerde om samen met Nederland en Noorwegen het zwaar waterproject ter verkrijging van eigen nucleaire kennis op te zetten.

Nu zijn Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannie en in toenemende mate Spanje de landen die het onderling proberen eens te worden over het te voeren EG beleid. Nederland en de andere kleine lidstaten hebben ze daarbij niet meer nodig. In het personele vlak waren de benoeming van de topman en de aanwijzing van de vestigingsplaats van de Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa een schoolvoorbeeld van de nieuwe machtsverhoudingen. Ook de manier waarop het Europse landbouwbeleid - op grond van Duitse en Franse ideeen - tot stand komt, levert het bewijs hoe zeer de Nederlandse invloed te loor is gegaan.

Politiek gezien hspeelt ons land in Europa niet meer dan een bijrol en dat juist op het moment dat verstrekkende beslissingen op het gebied van een Europese munt en een Europese centrale bank genomen moeten worden. Hoe marginaal onze politieke positie is blijkt ook op het niveau van het bedrijfsleven. Nu de ene Europese markt dichterbij komt, moeten ondernemingen zich herstructureren en door middel van schaalvergroting economische eenheden worden van voldoende formaat om op die grotere markt nog invloed te kunnen uitoefenen. Voor ondernemingen die alleen maar kunnen volgen wat de grote partijen in hun markt aankaarten, bestaan er immers geen beste toekomstperspectieven.

Fusie, samenwerking en strategische allianties zijn de wachtwoorden in dit herstructueringsproces. Nederland staat zwak in dat spel.

Bedrijven uit grote Europese lidstaten hebben de neiging partners te zoeken in andere grote markten. Bilaterale overeenkomsten tussen bijvoorbeeld Franse en Italiaanse ondernemingen of trilaterale tussen Franse, Duitse en Italiaanse ondernemingen zijn nu aan de orde van de dag. Dit proces wordt niet alleen door marktkrachten bepaald, maar ook door overheidsingrepen versterkt. Zo kondigden het Italiaanse Alenia, het Franse Aerospatiale en het Duitse Daimler-Benz onlangs de ontwikkeling aan van een nieuw passagiersvliegtuig met honderddertig plaatsen. British Aerospace maakte publiekelijk bezwaar maakte tegen de daarmee gemoeide overheidssubsidies, maar de meest bedreigde onderneming, Fokker, durfde niets te zeggen.

Beleid dat ondernemingen raakt, wordt meer in Brussel dan in Den Haag gemaakt. In het geval van grote investeringsprojecten waarbij overheidsfinanciering onontbeerlijk is, kan Nederland eenvoudigweg niet met andere lidstaten concurreren. Ons streven is het dat dan maar in gezamenlijk EG-verband te doen en dan te proberen er zoveel mogelijk voor het Nederlandse bedrijfsleven uit te slepen.

'Economische diplomatie' wordt bij het Ministerie van economische zaken heel belangrijk gevonden, maar bij Buitenlandse zaken merkt men daar is daar weinig van. Wie onlangs nog las dat de Franse computerproducent Bull twee miljard gulden overheidssteun krijgt en de Belgische luchtvaartmaatschappij Sabena eveneens twee miljard gulden, kan ook moeilijk blijven vertrouwen op economische belangenbehartiging via Brussel.

Economische diplomatie kan niet krachtiger zijn dan de algemene politieke positie. De Nederlandse politieke positie in de EG is tanend. Aanwijzingen dat die verbetert zijn er niet. Zelfs niet als premier Lubbers erin zou slagen Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie op te volgen. Een scenario dat zo mooi leek omdat het eind van deze kabinetsperiode samenvalt met het eind van de ambtsperiode van Delors. Maar die heeft te kennen gegeven nog wel twee jaar bij te willen tekenen.

Personen zijn in deze van minder belang. In het Nederlandse bedrijfsleven valt zorg te beluisteren over de concurrentiepositie van Nederland binnen de EG en wordt van economische diplomatie maar heel weinig heil verwacht. De grote lidstaten zullen immers hun eigen bedrijven blijven voortrekken. Een radicale omwenteling van het Nederlandse buitenlandse beleid is nodig nu de wereld in drie economische machtsblokken verdeeld is geraakt.

Nederland is niet langer de spil tussen de twee economische grootmachten: de Angelsaksische en de continentale. In Europa, naast de VS en Japan, een van de drie grootmachten is het is een kleine partij geworden. Om die reden hebben wij een buitenlands beleid nodig dat niet meer zoals vroeger, direct het Angelsaksische volgt en tevens het continentale probeert gerust te stellen. Nederlandse bedrijven redden het binnen de EG op eigen houtje niet. Dus moeten ze buiten Europa steun zoeken. Van Amerikaanse kant is weinig meer te verwachten aangezien de Amerikaanse economie niet langer de aanjager van de wereldeconomie is. Toch is er geen reden om met anderen niet nog eens te doen wat in de jaren zestig gebeurde toen vele Amerikaanse multinationals zich in Nederland vestigden om van hieruit de Europese markt te bedienen. Dit keer zouden ze zich op de Japanse bedrijven moeten richten die in Nederland hun hoofdkwartier voor hun Europese activiteiten vestigen.

Daarmee komt meteen de vraag op tafel waarom Japanse bedrijven zich behalve om geografische redenen, juist hier zouden vestigen. Voor een overheid die wat verder durft te gaan dan de gebruikelijke pogingen om buitenlandse bedrijven met investeringspremies en golfbanen te lokken, doemt dan de kans op twee vliegen in een klap te slaan. Met Japanse steun zou ook Nederlands bedreigde industriele basis overeind gehouden kunnen worden.

Het is voor de kennisstructuur van Nederland van belang dat Nederlandse ondernemingen als Fokker, Daf Trucks en Oce van der Grinten op de Europese markt een eigen plaats vinden. Technologiesteun van Economische zaken is daarvoor niet genoeg. De miljarden die nodig zijn voor het ontwikkelingen van nieuwe produkten kunnen grote buitenlandse concurrenten van deze Nederlandse bedrijven niet alleen makkelijker bijeen krijgen, maar ze kunnen die kosten ook uitsmeren over meer verkochte produkten. Fusies van Nederlandse ondernemingen die slechts middelgroot zijn met Europese partners, degradeert de Nederlandse filialen tot laagtechnologische assemblage.

Maar zouden deze en soortgelijke ondernemingen fuseren met, c.q. overgenomen worden door Japanse multinationals, dan houden zij als Europees kenniscentrum van de Japanse moeder een heel eigen positie op de Europese markt. Aansluiting bij Japanse ondernemingen lijkt de beste, zo niet de enige manier om de industriele basis van Nederland een eigen concurrentiepositie binnen Europa te verschaffen.

Pijnlijk is alleen dat Nederlands grootste industriele onderneming Philips onder Dekker en van der Klugt Europa aanvoerde in anti-Japanse propaganda. Van het nieuwe Philips-management worden deze geluiden echter niet meer gehoord. En de vrees voor een defit Japonnais zal getemperd worden doordat de Amerikaanse uitdaging na de jaren zestig ook wel mee bleek te vallen.

Het Nederlandse bedrijfsleven onderkent in de praktijk de mogelijkheden van de Japanse allianties. Rond het komende bezoek in oktober 1991 van het koninklijke paar aan het Land van de Rijzende Zon zijn tal van zakelijke delegaties geformeerd die tot de nok toe zijn volgeboekt. Het Nederlandse bedrijfsleven staat te dringen. Ook het Japanse bedrijfsleven haakt in. Wie over de grote weg langs Schiphol rijdt staat versteld van het aantal Japanse bedrijven dat daar gevestigd is. Een voorbeeld daarvan is Fuji in Tilburg, de trots van Dries van Agt. Recent bleek ook hoe veel Yamanouchi wilde betalen voor de overname van de geneesmiddelenpoot van Gist-Brocades. Gist zelf kon de investeringen in deze sector niet opbrengen. Yamanouchi wilde een entree op de Europese markt. De samenwerkingen van chemiebedrijf DSM met Japanse colega's als Tosoh, Mitsui en Idemitsu inspireren in verschillende mate, maar zijn significant voor wie bedenkt dat de grote Europese chemie-reuzen hun hoofdkwartier niet al te ver van Heerlen hebben.

Van oudsher zijn er de contacten tussen handelshuizen als Hagemeijer met Matsushita en Borsumij-Wehry met Sharp, Akai. Olympus en Fuji. In het klein gebeuren dingen als de joint-venture tussen Blijdenstein-Willink met Nichibei en de verkoop van verffabriek Talens door Akzo aan Sakura.

Hoewel het bedrijfsleven zich sneller aanpast aan een veranderde wereld dan de politiek, kan de herpositionering van de Nederlands economie alleen slagen in een juiste politieke bedding. Het bedrijfsleven ziet Nederland als een Singapore of Hong Kong, dat wil zeggen als een klein, dichtbevolkt distributiepunt waar hoogwaardige diensten toegevoegd worden aan de passerende goederenstroom. Maar de politiek ziet Nederland nog als een volwaardige partner in de EG.

De historische parallel is hier dat de vroegere directeur-generaal van Economische Zaken drs A. Winsemius, die de Nederlandse economie na de oorlog en het verlies van Indonesie, een nieuwe positie bezorgde naar Singapore werd uitgenodigd om dat daar nog eens met succes over te doen. Maar anno 1991 is er hier nog niemand opgestaan om - wanneer we onze positie op de Europese markt rond 1993 verliezen - Nederland politiek en economisch op de volgende omwenteling voor te bereiden.

Het elan dat de commissie- Wagner in 1980 bracht is gesmoord doordat de politieke aandacht in de sindsdien opgaande conjunctuurgolf weer is gericht op herverdeling van de bestaande koek. Het resultaat van de herindustrialisatie die toen werd aanbevolen, oogt te kleinschalig nu de meeste Nederlandse ondernemingen het formaat missen om op Europese schaal leidende marktposities te verwerven.

Het is dringend noodzakelijk dat Nederland zowel qua buitenlands beleid als op binnenlands politiek gebied wordt geherstructureerd op de terreinen van sociale zaken, onderwijs, economische zaken en verkeer- en waterstaat. Om daardoor tot een spil in het verkeer tussen de drie grote machtsblokken in de wereld tw worden. Gebeurt dat niet, dan wordt het een pittoresk eindpunt van de Hogesnelheidslijn uit Parijs die al in Brussel begint te remmen.