Hartstochtelijk geknutsel bij Dogtroep

Expositie: Dogtroep. Nederlands Theater Instituut, Amsterdam, t- m 9-6.

Het zondagochtendprogramma Ophef en vertier van de VARA-radio heeft een treiterig aanstekelijke herkenningsmelodie, een ietwat ongelijk en schraal geblazen deun die voornamelijk bestaat uit de schier eindeloze herhaling van een loopje op de toonladder. Het is muziek, die overal en nergens vandaan komt - en daardoor kenmerkend voor de Dogtroep aan wier repertoire ze werd ontleend. In de voorstellingen (manifestaties is misschien een beter woord) van de Dogtroep is soms iets herkenbaar van een middeleeuwse processie, soms ook iets van een initiatie-ritueel van een pas door de antropologie ontdekte nomadenstam, maar helemaal tot een inspiratiebron te herleiden, is het nooit. Van oud en nieuw, van alles wat, zoiets.

Nu het gezelschap vijftien jaar bestaat, is in de gangen, het trappenhuis, de tuin en twee van de zaaltjes van het Nederlands Theater Instituut een bonte expositie ingericht van attributen, rekwisieten en andere overblijfselen van de Dogtroep. Raar vervormde fietsen, heftig beschilderde kijkdozen, groteske maskers en vooral veel buitenmodel-gebruiksvoorwerpen, want als al die produkties iets gemeen hadden, was het de voorliefde voor het idioot grote formaat.

Plus trouwens het vaak vindingrijke spel met de oerelementen vuur en water.

Van de eerste zaal is een duister laboratorium van dokter Frankenstein gemaakt, met een loopplank over rulle aarde, bordkartonnen draken die ieder moment tot leven kunnen komen, het luidruchtige gedrup van water en een vaag getrommel op de achtergrond. Er valt veel op knoppen te drukken, maar een beetje gammel is het wel - de knop die ik beroerde, bracht een knappend geluid teweeg en bleef daarna spontaan steken.

Bij de Dogtroep wordt in de allereerste plaats hartstochtelijk geknutseld. Hun theater is spektakel voor voorbijgangers, in de letterlijke betekenis van het woord. Men kan blijven kijken, maar het is niet noodzakelijk om begin, midden en eind ononderbroken in die volgorde te zien. Van een sterk dramatisch verloop heb ik nooit iets kunnen ontdekken; het gaat om de effecten die als associatieve invallen de kop opsteken en zonder dwingend verband weer verdwijnen.

Personages en attributen zijn zelden van elkaar te onderscheiden; beide vormen bewegende beeldhouwwerken, veelal beschilderd in een stijl die aan de Nieuwe Wilden doet denken.

Het is de sterkte en tegelijk de zwakte van de Dogtroep - door het opgeblazen formaat, de respect afdwingende logistiek en de statige presentatie ontstaan obsederende momenten, maar wat blijft er inhoudelijk van over? Weinig.

He, zo gaat het ongeveer bij de Dogtroep: als we die kar nu kantelen, ontstaat er weer een ander vreemdsoortig vervoermiddel. Typerend is de tekst op een van de panelen in deze aanschouwelijke expositie: “We maken een hoed van dertig centimeter hoog en anderhalve meter lang; de vorm doet denken aan een krokodil. We maken er een aantal exemplaren bij: de jonkies. We beschilderen ze met een koeiepatroon, hetzelfde patroon als de kostuums van degenen die ermee spelen. De koeielarven zijn zwemmende beestjes als je ze in het water gooit, met een handvat eraan zijn het boodschappentassen, en dwars op het hoofd zijn het oerhollandse versies van de Napoleon-steek.” Enfin, enzovoort.