Die moeilijke HAVO; Nota Wallage wil alle problemen in het voortgezet onderwijs oplossen, maar vergeet de belangrijkste

De nota over de tweede fase van het voortgezet onderwijs die het kabinet morgen bespreekt, moet problemen oplossen die nauwelijks meer bestaan. En voor de tekortkomingen van het voortgezet onderwijs die wel hardnekkig zijn, biedt de aanpak van Wallage voorlopig weinig soelaas.

Het wordt nog druk in de kamers van schooldekanen. Leerlingen in het voortgezet onderwijs wacht een toekomst vol selectie-procedures.

Eenvoudige keuzes voor schooltype en eindexamenvak zijn straks verleden tijd. Vanaf augustus 1993 zullen de gesprekken tussen leerling en dekaan gaan over 'doorstroomprofielen', 'deelvakken' en 'sectorvakken'. Verveeld de andere kant op kijken is niet aan te raden. Wie verkeerd kiest zit nog lange tijd met de gebakken peren.(EP) In zijn vorige week uitgelekte nota over de tweede fase van het voortgezet onderwijs draait staatssecretaris Wallage veel vrijheden uit de Mammoetwet terug. Volgens de staatssecretaris toetsen scholen niet streng genoeg of de leerlingen die ze in huis hebben daar eigenlijk wel op hun plaats zijn. Een nieuwe selectie-procedure - in eerdere versies van de nota 'schoolkritisch moment' geheten - zal hen die wijsheid moeten verschaffen. Ook de leerlingen gaan erop achteruit. Zij mogen binnenkort niet meer hun eigen vakkenpakket samenstellen, maar hebben alleen nog te kiezen uit vier combinaties van vakken en deelvakken, de inmiddels tot Koot en Bie doorgedrongen 'doorstroomprofielen'.(EP) Wie de nota van zo'n honderd pagina's tot zich neemt, begrijpt meteen waarom het stuk maanden later uitkomt dan was voorzien. Wallage probeert ''een grote samenhangende beleidsvisie'' te bieden. De nota moet antwoord geven op zo'n beetje alle problemen in het voortgezet onderwijs. Dat waren wel wat pagina's en maanden extra waard. (EP) In de eerste plaats is daar het probleem van de verkeerde schoolkeuze.

Na de basisschool kiezen ouders voor hun oogappeltjes vaak een te hoog gegrepen schooltype. Omdat scholen in een tijd van teruglopende leerlingentallen maar al te graag kinderen aannemen, kan dit ongestraft gebeuren. Het resultaat is er naar: veel 'drop outs' en nog meer zittenblijvers. Al jaren maakt men zich in Zoetermeer zorgen over de ongeveer dertig procent leerlingen die zonder papiertje van school gaat. Een groot deel van hen gaat later met een andere opleiding verder, velen echter keren de school definitief de rug toe.(EP) Maar ook wie wel een diploma haalt is nog niet veilig, schrijft Wallage. Wie namelijk verder studeert aan hogeschool of universiteit loopt grote kans daar alsnog af te haken. Zo'n 15 tot 25 procent haalt de propedeuse niet binnen de eerste twee jaar van de studie.(EP) Tenslotte wil Wallage geld verdienen aan de bestrijding van wat hij 'inefficiente leerwegen' noemt: volgens de staatssecretaris zijn er steeds meer leerlingen en studenten die wegen door het onderwijslabyrint volgen die veel korter hadden gekund. De twee 'omwegen' die hierbij in het voortgezet onderwijs steeds opduiken zijn MAVO-HAVO-MBO en HAVO-MBO-HBO.(EP) En dat was in de Mammoetwet niet afgesproken. Die ging er immers van uit dat wie van de MAVO kwam, rechtsstreeks naar het MBO zou kunnen.

Wie het HAVO-diploma had gehaald zou moeiteloos kunnen overstappen naar het HBO. In 1995 moet het aantal inefficiente leerwegen in het voortgezet onderwijs zo zijn verminderd dat honderd miljoen gulden aan bezuinigingen kan worden geboekt.(EP)

GEEN CIJFERS(EP)

Wie denkt achterin de nota het materiaal te vinden dat deze drie problemen met cijfers ondersteunt, komt bedrogen uit. Integendeel, uit de cijfers die in de diverse bijlagen zijn bijgevoegd blijkt dat de meeste problemen ook zonder beleid zichzelf grotendeels oplossen.(EP) Om met het laatstgenoemde probleem van de omwegen te beginnen: in het voortgezet onderwijs valt daaraan steeds minder geld te verdienen. Uit het bijgaande overzicht blijkt dat steeds meer leerlingen met een MAVO-diploma rechtstreeks naar het MBO gaan: 45,6 procent in 1980 versus 72,8 procent in 1987. Tegelijkertijd halveerde het aantal MAVO-gediplomeerden op de HAVO van 32,9 tot 17,5 procent. De door Wallage gesignaleerde omweg MAVO-HAVO-MBO komt derhalve steeds minder voor.(EP) En ook wat de gewraakte omweg HAVO-MBO-HBO betreft blijken nuanceringen op hun plaats. Weliswaar steeg het aantal leerlingen dat na een geslaagd HAVO-examen richting MBO ging in de jaren tachtig flink, maar slechts tien procent daarvan ging vervolgens ook verder in het HBO. De meesten vonden na het MBO een van de vele banen die deze gediplomeerden op de arbeidsmarkt wachten.(EP) In de tweede plaats is het door Wallage gesignaleerde probleem van de aansluiting tussen het voortgezet en hoger onderwijs lang niet overal even groot. Hoge uitvalpercentages kennen in het hoger beroepsonderwijs vooral de HTS en de HEAO, zo blijkt uit de bijgevoegde cijfers. Met name studenten die afkomstig zijn van de HAVO blijken het daar moeilijk te hebben. Zij lopen vaak in de propaedeuse al een aanzienlijke achterstand op en stoppen in het eerste jaar bijna twee keer zo vaak als studenten met een VWO- of MBO-diploma. (EP) Ook maakt het met name aan de hogescholen nogal wat uit hoe de groepen zijn samengesteld. Havisten doen het bijvoorbeeld ook in het technisch onderwijs vaak beter in groepen waarin ze een ruime meerderheid vormen dan in die waarin mensen met een MBO- of VWO-diploma overheersen. V WO'ers hebben het op de universiteit vooral moeilijk met de technische studierichtingen, terwijl techniek toch vooral studenten trekt met een hoog gemiddeld eindexamencijfer. Overigens is de uitval op universiteiten en hogescholen niet groter dan in de ons omringende landen.(EP) Geldt voor deze twee problemen dat ze minder groot zijn dan in de nota wordt gesuggereerd, voor het eerste probleem, dat van de verkeerde schoolkeuze, ligt beleid klaar dat in de nota tweede fase grotendeels wordt genegeerd. In augustus zal, als het parlement daarmee volgende maand instemt, worden begonnen met de invoering van een gemeenschappelijke onderbouw voor alle leerlingen van lager beroepsonderwijs tot en met gymnasium: de basisvorming. Door iedere leerling twee tot drie jaar lang dezelfde veertien vakken te laten doorlopen, wil de basisvorming de studie- en beroepskeuze uitstellen.

Na afloop zullen, zo is de verwachting, meer leerlingen de schoolsoort kiezen die bij hen past. Langzame leerlingen krijgen na drie jaar advies over het vervolg, snelle leerlingen kunnen al na twee jaar te horen krijgen of HAVO dan wel VWO de beste optie is.(EP) Maar staatssecretaris Wallage is er kennelijk niet zeker van dat deze door hemzelf verdedigde opzet gaat slagen. Na het advies aan het eind van het tweede jaar zit de snelle leerling van zijn nota een jaar later weer bij de schooldekaan, nu voor het eerder genoemde schoolkritisch moment. Dan moet worden uitgemaakt of hij of zij kans heeft om het HAVO- of VWO-diploma te halen en dus geschikt is voor hogeschool dan wel universiteit, of maar beter naar het middelbaar beroepsonderwijs kan gaan.(EP) Het lijkt erop dat Wallage nog voordat hij volgende maand in het parlement in het strijdperk treedt om zijn wetsvoorstel basisvorming te verdedigen, zijn geloof in zijn pogingen om het aantal verkeerde schoolkeuzen in de eerste fase terug te dringen heeft verloren. Zijn nota voegt namelijk niet alleen een nieuwe selectie toe, Wallage gaat er tevens van uit dat na invoering van de basisvorming nog een ander schooladvies, dat aan het eind van de basisschool, blijft bestaan.

Maar als elke school dezelfde basisvorming zou aanbieden en er in de praktijk geen LBO, MAVO, HAVO- of VWO-basisvorming komt, zou dit advies overbodig worden. Kennelijk wordt de basisvorming niet zo gemeenschappelijk als Wallage zegt dat ze wordt.(EP) Zorgenkind(EP) De alomvattende visie van de nota heeft het probleem waar het allemaal om is begonnen een beetje naar de achtergrond verdrongen. Dat probleem is de HAVO. Daar concentreren zich veel van de genoemde problemen, zoals het zittenblijven en de voortijdige uitval. (EP) Dit geldt al sinds de eerste evaluaties van de Mammoetwet als ''het grote zorgenkind''. Leerlingen van de vijfjarige HAVO doen gemiddeld 6,2 jaar over de opleiding. Bovendien hebben, zoals eerder gezegd, veel leerlingen met een HAVO-diploma grote moeite om zich binnen technische en economische sectoren aan hogescholen te handhaven.(EP) De problemen zijn regelmatig uitgebreid geanalyseerd. Reden voor de grote belangstelling is dat de HAVO een belangrijke doorvoerroute vormt voor leerlingen uit de lagere regionen van het voortgezet onderwijs naar boven. De schoolbevolking van de HAVO biedt het breedste spectrum aan sociale achtergronden.(EP) In de meeste analyses worden de problemen met de HAVO geweten aan onduidelijkheid: het is zowel onderwijs voor wie daarna wil gaan werken, als voorbereiding op het hoger beroepsonderwijs. Bovendien heeft het schooltype, dat vaak onder een dak zit met het VWO, een negatief imago als 'tweede keus'. De motivatie van leraren om er les te geven lijdt daaronder. Ook kent de HAVO een relatief grote groep leerlingen die pas laat weet wat ze wil. Een verkeerde keuze van vakken is vaak het gevolg. Veel van de problemen die leerlingen van de HAVO in het HBO ondervinden tenslotte, zouden terug te voeren zijn op een gebrek aan kennis en studievaardigheden.(EP)

EXTRA JAAR

Veel onderwijsorganisaties hebben inmiddels een extra, zesde leerjaar uitgeroepen tot oplossing van deze problemen. Op verschillende plaatsen in het land wordt daar uitgebreid mee geexperimenteerd. Het extra jaar geeft leerlingen die eigenlijk nog niet weten wat ze willen, meer tijd om na te denken. Bovendien schept het de ruimte om de studievaardigheden en kennis op te doen die nodig zijn voor het vervolgonderwijs. Ook op dat gebied zijn er hier en daar experimenten.

Zo werken de hogescholen in Enschede en Haarlem samen met HAVO-scholen in de buurt om in speciale lessen de havisten vertrouwd te maken met wat in het hoger onderwijs van ze wordt gevraagd.(EP) In de nota wordt de optie van een zesjarig HAVO afgewezen. Die zou volgens Wallage een tijdrovende wetswijziging vergen en de staatssecretaris wil graag meteen aan de slag. Hij hoopt met de eerder genoemde doorstroomprofielen, die 'slechts' een algemene maatregel van bestuur vergen, al veel aan de HAVO te kunnen verbeteren.(EP) Door de inhoud van de HAVO beter af te stemmen op de opleidingseisen van het HBO moet het profiel van de HAVO als vooropleiding van datzelfde HBO duidelijker worden. De vier profielen voor hogeschool en universiteit - natuur en techniek, natuur en gezondheidszorg, economie en maatschappij en cultuur en maatschappij - sluiten aan op het hoger onderwijs. Wie straks naar de HTS wil, zal ten minste natuur en techniek achter de kiezen moeten hebben. Behalve de 'oude' vakken wiskunde, scheikunde en natuurkunde komen ook nieuwe, zogeheten deelvakken als 'organisatie en beheer' in het profiel natuur en techniek voor.(EP) Om te voorkomen dat de profielen als fuik gaan werken, komen sommige vakken ook in de andere profielen terug. Wie zich bijvoorbeeld in cultuur en maatschappij wil profileren, ontkomt niet aan wiskunde en organisatie en beheer. Daarnaast kan hij zich in muziek of een ander beeldend vak bekwamen. Het pakket krijgt door de deelvakken meer variatie en biedt daarmee meer mogelijkheden om aan de eisen in het hoger onderwijs tegemoet te komen.(EP) De leerling die op zijn vijftiende nog niet weet welke richting hij of zij op wil - een groep die zoals gezegd juist op de HAVO veel voorkomt - is met al deze zaken echter niet geholpen. En het imago van de HAVO als tweede keus is er evenmin mee verdwenen: de profielen voor de HAVO hebben een lichtere inhoud dan die voor het VWO.(EP) Bovendien weet het hoger onderwijs zelf nauwelijks wat nodig is om de eindstreep te halen. Onderzoek bij hogescholen wijst uit dat daarweinig bekend is over wat essentieel is in het onderwijsprogramma van de eerste studiejaren. Aan de universiteiten is dat niet veel anders. Het maken van de doorstroomprofielen zou daarom wel eens aanzienlijk meer tijd gaan kosten dan Wallage zichzelf gunt.(EP) Meer in het algemeen gaat de nota niet in op maatregelen die universiteiten en hogescholen zouden moeten nemen om de overgang van voortgezet naar hoger onderwijs te verbeteren. Het heeft de vereniging van schooldekanen al tot het commentaar gebracht dat de nota te zwaar leunt op het voortgezet onderwijs om de problemen van de aansluiting met het hoger onderwijs op te lossen. De nota volstaat met een verwijziging naar de afspraak dat het hoger onderwijs aan dit probleem aandacht zal besteden.(EP) Ten slotte besteedt Wallage's grote beleidsplan slechts kort aandacht aan het tekort aan studievaardigheden van de HAVO-scholier, volgens een rapport van de HBO-raad een van de grootste tekortkomingen van de HAVO. Een stuurgroep die de inhoud van de profielen verder moet uitwerken, mag gaan uitzoeken hoe vaardigheden als zelfstandig werken, verbanden leggen en logisch redeneren kunnen worden vergroot. Van haar arbeid zal afhangen of de aanpak van Wallage de HAVO-scholier werkelijk kan helpen, of dat zijn nota slechts nieuwe termen aan het toch al zo rijke onderwijsjargon heeft toegevoegd.

Een van de vijftien GATT-onderhandelingsgroepen houdt zich bezig met eigendomsrechten. Omdat industriele octrooien veel belangrijker zijn en de onderhandelaars economen zijn die weinig kaas gegeten hebben van biotechnologie en kwekersrecht, is er nog niet gepraat over een alternatief voor octrooien. Waarschijnlijk worden ze meegenomen in een package deal waarbij ontwikkelingslanden patentwetgeving accepteren, ook voor levend materiaal, in ruil voor toegang tot westerse markten.