De nota voorgezet onderwijs en de cijfers

De bestrijding van de 'omweg' of 'inefficiente leerweg' is een belangrijk oogmerk van de nota 'Profiel van de tweede fase voortgezet onderwijs'. De bewindslieden van het ministerie onderwijs verwachten veel van deze bezuinigingsmaatregel. De maatregel moet samen met bezuinigingen in het hoger onderwijs in 1995 300 miljoen gulden opleveren, zo kondigde minister Ritzen in juni aan.

Er is sprake van een omweg als in het voortgezet onderwijs een hogere opleiding wordt gevolgd dan voor de toegang tot het hoger onderwijs strikt genomen noodzakelijk is. De opleidingsroute MAVO-MBO is efficient, HAVO-MBO niet. Het HAVO-diploma is immers niet nodig om tot het MBO te worden toegelaten. Dat kan met een diploma van LBO en MAVO en na drie jaar succesvol onderwijs op de HAVO.

Zo worden ook de routes MAVO-HAVO en HAVO-VWO inefficient genoemd: de leerling zou ook rechtstreeks naar HAVO en VWO kunnen gaan, wat hem een tot twee jaar middelbare school had gescheeld en de staat zo'n 5.500 gulden per schooljaar (de gemiddelde kosten van een leerling in de tweede fase van het voortgezet onderwijs).

Drie omwegen zijn berucht en zouden moeten worden bestreden, zo valt in de nota te lezen. Het zijn HAVO-MBO-HBO, MAVO-HAVO-MBO en HAVO-VWO-HBO. Staatssecretaris Wallage wil ze ontmoedigen, niet verbieden.

Maar eerder al blijken de leerlingen zelf in de gaten te hebben gekregen dat andere leerroutes sneller tot het diploma leiden dat ze voor ogen hebben. Zo blijkt in de afgelopen tien jaar het percentage leerlingen dat met een MAVO-diploma op zak naar de HAVO overstapt bijna gehalveerd. Zo'n driekwart van de MAVO-scholieren gaat na het eindexamen rechtstreeks naar het middelbaar beroepsonderwijs.

Daar staat tegenover dat leerlingen met een HAVO-diploma vaker voor het MBO als vervolgopleiding kiezen. In 1988 deed bijna een kwart van hen dat, in 1980 nog maar 9 procent. Maar voor het allergrootste deel van deze leerlingen is het MBO eindonderwijs. De 10 procent MBO'ers die doorgaan naar het hoger beroepsonderwijs (en daar bijna een kwart van de instroom vormen) hebben voor het overgrote deel LBO of MAVO als vooropleiding. Maar zo'n 13 procent heeft HAVO.

Bij de derde met name genoemde omweg, HAVO-VWO-HBO, lijkt er sprake van stabilisatie. Na een lichte stijging in het begin van de jaren tachtig daalt het percentage havisten dat vervolgens VWO volgt sinds 1984 weer. Van alle VWO'ers die naar het hoger beroepsonderwijs gaan, heeft maar 15 procent een HAVO-diploma. In het studiejaar 1988-1989 betrof dat nog geen 1.500 eerstejaars van de ruim 50.000 aan de hogescholen.

Onduidelijk is of die 1.500 eerstejaars na hun HAVO voor het VWO hebben gekozen als reactie op het al sinds de jaren zeventig gehoorde geluid dat HAVO-leerlingen het in het hoger beroepsonderwijs in een aantal sectoren veel slechter doen dan VWO'ers. Ze volgen in elk geval relatief vaak een studie in de technische en economische studierichtingen en juist daar doen zij het vaak minder goed.

De stijging van de kosten in de jaren van het voortgezet onderwijs wordt, anders dan Wallage suggereert, vooral veroorzaakt door de stijging van het scholingsniveau. Het aantal jongeren dat dat na het behalen van een diploma LBO, MAVO of HAVO direct de arbeidsmarkt opgaat is aanzienlijk gedaald. Bij het LBO van 57 procent in 1980 tot 45 procent in 1988, bij de MAVO van 19 tot 7 procent en bij de HAVO van 27 tot 11 procent.

Het middelbaar beroepsonderwijs, de veruit sterkst groeiende onderwijssector, is in zijn verschillende verschijningsvormen (korte en lange opleidingen) eindonderwijs geworden. Tussen de 85 en 90 procent van degenen die het met een diploma verlaat, stopt met voltijdsonderwijs en betreedt de arbeidsmarkt.