Consumentenbond eist van BV betere regeling OV Studentenkaart

ROTTERDAM, 11 april - Studenten frauderen niet meer of minder met hun openbaar-vervoerskaart dan andere reizigers. Fraudebestrijding kan dus geen argument zijn om studenten langer op een duplicaat te laten wachten wanneer ze hun kaart kwijt zijn.

De advocaat voor de Consumentenbond, mr. L. Dommering-Van Rongen, betoogde dit gisteren in een kort geding van de bond voor de president van de Haagse rechtbank tegen minister Ritzen (onderwijs) en tegen de OV Studentenkaart BV, die is belast met de uitgifte van de kaarten. De bond wil dat studenten even snel een duplicaat voor hun vervoerskaart krijgen als andere reizigers. 'Gewone' kaarthouders ontvangen binnen vijf dagen een nieuwe kaart, bij de studenten duurt dat tussen de elf dagen en zes weken, sneller dan de in het contract over de studentenkaart vastgelegde acht weken. Dat hangt af van het moment waarop een duplicaat wordt aangevraagd.

Die extra tijd heeft de OV Studentenkaart BV nodig om bij de Informatiseringsbank na te gaan of de betrokken student nog recht heeft op studiefinanciering en dus op een vervoerskaart. Ook krijgt de BV in die periode gelegenheid na te gaan of er sprake is van fraude, zo verklaarde mr. H.Th. Bouma, advocaat van de gedaagden. De Consumentenbond meent dat een betere organisatie van de Informatiseringsbank het mogelijk maakt studenten onder dezelfde voorwaarden als gewone reizigers aan een duplicaat van de kaart te helpen.

De advocaat van de bond betoogde voor de president van de Haagse rechtbank dat het percentage studenten dat zegt de kaart kwijt te zijn, nauwelijks hoger is dan bij andere kaarthouders. Volgens haar heeft prof. dr. W. Fortuyn, directeur van de OV Studentenkaart BV, onzorgvuldig gerekend toen deze verklaarde dat drie a vier procent van de studenten per jaar zijn kaart kwijtraakt. Als rekening wordt gehouden met het wisselend aantal 'klanten' van OV Studentenkaart is dat drie procent, een ongeveer even hoog percentage (2,8) als bij de gewone kaarthouders, aldus Dommering-Van Rongen.

Uitspraak op 24 april.