Bemoeienis van de VN met Koerden is geen 'inmenging'

In 1979 nam de Organisatie van Amerikaanse Staten een van de meest verstrekkende besluiten die ooit door een internationale organisatie werden genomen. In reactie op langdurige en zeer ernstige schendingen van de mensenrechten in Nicaragua eiste de organisatie - met instemming van de Verenigde Staten - “de onmiddellijke en definitieve vervanging van het regime van Somoza” en “de installatie op Nicaraguaans grondgebied van een democratische regering”. Drie weken later trad generaal Somoza af als president en vertrok hij naar Miami.

Kan een internationale organisatie inderdaad het aftreden eisen van het staatshoofd van een van zijn leden? Mag een internationale organisatie tegen de wil van de betrokken staat een enclave inrichten ten behoeve van een verdrukte bevolkingsgroep? Wat is dan nog de betekenis van het volkenrechtelijke verbod van inmenging in binnenlandse aangelegenheden?

Het Internationale Hof in Den Haag heeft reeds in 1923 aangegeven dat het begrip 'interne aangelegenheden' een relatief begrip is. Zijn reikwijdte hangt af van de ontwikkeling van de internationale betrekkingen. Naarmate steeds meer onderwerpen internationaal geregeld worden (bijvoorbeeld door middel van verdragen), verliezen staten op deze gebieden hun handelingsvrijheid en kunnen zij op schendingen aangesproken worden.

Het Handvest van de Verenigde Naties bevat niet alleen een bepaling die inmenging in binnenlandse aangelegenheden verbiedt (het beroemde artikel 2 lid 7) maar ook een bepaling die de organisatie opdraagt om de rechten van de mens te beschermen (artikel 55). De opstellers van het Handvest waren zich zeer wel bewust van de contradictie die hiermee in de organisatie werd ingebouwd. Zij meenden echter dat deze tegenstelling het best van geval tot geval kon worden opgelost, onder meer omdat de inhoud van het begrip 'interne aangelegenheden' niet voor eens en voor altijd gefixeerd kon worden.

De geschiedenis heeft uitgewezen dat de oprichters van de VN dit juist hebben gezien. Naarmate meer inhoud werd gegeven aan het begrip 'rechten van de mens' groeide ook de bemoeienis van de VN. Reeds in de jaren veertig werden Zuid-Afrika, de Sovjet-Unie, Bulgarije en Hongarije aangesproken op schendingen van mensenrechten. In al deze gevallen beriepen de in het beklaagdenbankje geplaatste staten zich op het beginsel van niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden. En in al deze gevallen besloot de Algemene Vergadering dat het beginsel in casu niet van toepassing was.

Deze trend heeft zich sindsdien voortgezet. Tegelijkertijd heeft zich het interessante verschijnsel voorgedaan dat van schendingen beschuldigde staten zich steeds minder zijn gaan beroepen op het verbod van inmenging. Tegenwoordig willen alleen nog enkele politiek geisoleerde staten zoals China, Cuba en Albanie die in een VN-bijeenkomst het beginsel nog wel eens uit de kast halen. Dit wordt dan echter zonder uitzondering door de andere aanwezigen met een schouderophalen afgedaan.

Het onlangs door de Franse minister van buitenlandse zaken opgelaten proefballonnetje om het verbod van inmenging in relatie tot mensenrechtenschendingen ten principale aan de orde te stellen verdient dan ook geen bijval. In de praktijk speelt het beginsel van niet-inmenging een steeds kleinere rol, zoals blijkt uit de zich ontwikkelende jurisprudentie van Algemene Vergadering van de VN en Commissie voor de Rechten van de Mens. En het ter discussie stellen van de tekst van het Handvest brengt bovendien het risico met zich mee dat het kind met het badwater wordt weggegooid.

Het was activisten op het gebied van de mensenrechten reeds lang een doorn in het oog dat de Veiligheidsraad tot nu toe steeds geweigerd had zich met ernstige mensenrechtenschendingen bezig te houden. De Veiligheidsraad biedt immers enkele duidelijke voordelen boven de Algemene Vergadering en de Commissie voor de Rechten van de Mens. De Veiligheidsraad vergadert in het middelpunt van de internationale belangstelling, kan op zeer korte termijn bijeengeroepen worden, en kan voor de lidstaten van de VN bindende besluiten nemen.

Tot nu toe had de Veiligheidsraad eigenlijk alleen in het geval van Zuid-Afrika's apartheidsbeleid uitdrukkelijk vastgesteld dat klassieke mensenrechtenschendingen een bedreiging kunnen vormen voor de internationale vrede en veiligheid. Druk van de publieke opinie, gevoed door de unieke aanwezigheid van een groot aantal journalisten in het gebied waar de Koerdische vluchtelingen zich bevinden, heeft nu de Veiligheidsraad een stap verder doen zetten. Middels resolutie 688 is nu aanvaard dat onderdrukking van de eigen bevolking, zoals uitgeoefend door de Iraakse regering, eveneens de internationale vrede en veiligheid kan bedreigen.

Opvallend is de krachtige taal die in de resolutie gebezigd wordt: de Veiligheidsraad “eist dat Irak ... onmiddellijk een einde maakt aan deze repressie”. De stok achter de deur is hier onmiskenbaar. Immers, indien de Veiligheidsraad een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid heeft vastgesteld kunnen op grond van hoofdstuk VII van het Handvest dwangmaatregelen worden getroffen, ditmaal niet wegens door Irak gepleegde agressie maar wegens de onderdrukking van zijn eigen bevolking. Zo'n dwangmaatregel zou ook kunnen bestaan uit het instellen van een beschermde enclave op Iraaks grondgebied ten behoeve van de Koerdische vluchtelingen.

Opvallend is ook dat de resolutie met zo veel woorden verwijst naar artikel 2 lid 7. De opstellers hebben kennelijk duidelijk willen maken dat zij de resolutie niet in strijd achten met het verbod van inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Dit klopt ook omdat het tweede deel van artikel 2 lid 7 uitdrukkelijk stelt dat het verbod van inmenging niet slaat op dwangmaatregelen in het kader van hoofdstuk VII van het Handvest.

Eventueel door de Veiligheidsraad te nemen dwangmaatregelen ter bescherming van de mensenrechten in Irak moeten wel worden onderscheiden van de hier en daar wel geopperde wenselijkheid dat individuele staten militaire actie zouden moeten nemen ter bescherming van de Koerden. Een beroep op de doctrine van 'humanitaire interventie' werd onder meer gedaan toen Tanzania in 1978 Oeganda binnenviel om het land te bevrijden van de bloedige dictatuur van Idi Amin. De volkenrechtelijke geoorloofdheid van humanitaire interventie is echter uiterst dubieus, gezien het grote gevaar van misbruik. Nu de Veiligheidsraad mensenrechtenschendingen kennelijk eindelijk serieus begint te nemen lijkt dergelijke eenzijdige actie helemaal uit den boze.

Dr. Kamminga is hoofddocent internationaal recht aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.