Verschoningsrecht schraagt onafhankelijkheid media

Telkenmale wordt bij het ter sprake komen van de vraag of invoering van een journalistiek verschoningsrecht wenselijk is, allereerst en uitsluitend gekeken naar de voordelen of de nadelen die de betrokken beroepsgroep daarvan zou hebben.

We kunnen ook bekijken of onze democratische samenleving er beter of slechter van wordt; als journalisten er dan ook nog profijt van hebben in hun beroepsuitoefening is dat meegenomen. Het voorontwerp van wet dat het Tweede-Kamerlid Jurgens heeft opgesteld, biedt daartoe een goede mogelijkheid.

Op basis van het in onze Grondwet stevig verankerde recht op vrije meningsuiting hebben zich in onze samenleving een aantal breed gedragen opvattingen ontwikkeld over de functie van de media.

Journalisten moeten in vrijheid nieuws kunen garen, ook wanneer dat de betrokkenen onwelgevallig is. De media hebben in onze democratie een controlerende functie. Zij dienen zo ruim en onbelemmerd mogelijk toegang te hebben tot bronnen. Wanneer het algemeen belang daarmee is gediend, moeten zij zelfs gebruik kunnen maken van geheime bronnen.

Redactionele onafhankelijkheid is een graadmeter voor betrouwbaarheid. Uiteraard dienen journalisten in onze rechtsstaat binnen de wet te opereren. Minder vanzelfsprekend is het ontbreken van enige wettelijke ondersteuning van de hiervoor genoemde basis van werken. De wet kent geen enkele vermelding van de journalist; in geen enkel wetsartikel wordt de rechter gesteld voor een afweging op basis van de vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring.

Dat heeft in het verleden meer dan eens geleid tot het uitoefenen van druk op journalisten om hun geheime bron(nen) te noemen, ook wanneer niet werd bestreden dat hun publikatie het algemeen belang had gediend. Gelukkig putten verscheidenen uit hun beroepsethiek de kracht om zelfs rechterlijke dwang te trotseren, tot gijzeling aan toe.

Bereidheid tot verzet toonden eveneens diverse journalisten die werden geconfronteerd met pogingen van politie en justitie om ter wille van opsporingsdoelen journalistiek materiaal te confisceren. Voor wat het laatste betreft heeft zich bij de opsporingsinstanties niettemin helaas zelfs een routineuze handelwijze ontwikkeld.

De vraag lijkt gewettigd of onze democratische samenleving, die gebaat is bij vrije, onafhankelijke media en journalisten, bij het laten voortbestaan van die situatie niet nodeloos een zwakke plek in stand houdt. Journalisten zouden immers op voorhand al kunnen terugschrikken voor de consequenties van het putten uit geheime bron(nen). Of ze zouden zich verleid kunnen voelen tot een leugentje om bestwil: de onthullingen werden hun niet verteld, maar lagen opeens op de deurmat.

Anderen zouden zich zelfcensuur kunnen opleggen bij het verslaan van bepaalde gebeurtenissen, omdat ze niet voor een verlengstuk van de justitie willen worden aangezien. Of omdat ze zich als filmer of fotograaf niet blootgesteld willen zien aan de agressie van demonstranten of voetbalsupporters.

Tot twee jaar terug nog huldigde het bestuur van de intern over het onderwerp sterk verdeelde Nederlandse Vereniging van Journalisten de opvatting dat een wettelijk verschoningsrecht onhaalbaar was en eigenlijk ook ongewenst, omdat invoering allerlei ongewenste zaken met zich zou meebrengen als registratie van de beroepsbeoefenaren en onderwerping aan tuchtrecht.

De NVJ koos pragmatisch voor een aantal in een brochure vastgelegde tips over het geheim houden van bronnen en het beschermen van journalistiek materiaal. Voorts werd erop vertrouwd dat de rechter in zijn afweging gaandeweg wel meer begrip zou gaan tonen voor journalistieke belangen. Helaas concludeert de NVJ met Jurgens'

mede-opsteller Korthals Altes (Opiniepagina NRC-Handelsblad van 13 maart j.l.): “Journalisten hebben weinig reden tot vertrouwen in de rechter.”

Gebleken is dat de rechtspraak tot nog toe slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de bijzondere positie van de media honoreert door beroep op verschoning toe te staan en dat met verwijzing naar de nationale en internationale rechtsorde inbeslagnemingen worden gesanctioneerd. De gewenste afweging op basis van de vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring blijft achterwege.

Het initiatief van Jurgens verdient steun, omdat het in essentie erkenning biedt aan de functie van de media in onze democratie en het de rechterlijke macht de impuls geeft daaraan gestalte te geven. Het omzeilt op inventieve wijze de lang gekoesterde bezwaren tegen regulering van de beroepsgroep. Het komt tevens tegemoet aan de NVJ-opvatting dat een journalist in beginsel zelf moet afwegen of hij zijn bron geheim wenst te houden en of hij journalistiek materiaal wil afstaan voor de opsporing van strafbare feiten. Het recht van vrijheid van nieuwsgaring prevaleert, al laat dat onverlet dat ook de journalist bij ernsige delicten zijn burgerplicht moet meewegen. Het geeft aan dat slechts in uitzonderlijke situaties een inbeslagneming te verdedigen zou zijn.

Anders dan Jurgens echter meent de NVJ dat het opnemen van het begrip 'journalist' in de wet de voorkeur geniet boven Jurgens' wel zeer ruime omschrijving van 'een ieder die bij een publikatie is betrokken'. De rechter kan heel wel per geval vaststellen of hij met een journalist te maken heeft of niet.

Het NVJ-bestuur is ook van mening dat het aanbeveling verdient af te zien van een beschrijving van de grenzen die aan het (beperkte) verschoningsrecht zijn gesteld. Elke limitatieve opsomming van gevallen waarin het verschoningsrecht niet geldt, draagt het risico in zich dat zij in plaats van als minimale uitzondering als maximale grens gaan gelden. De onafhankelijke Nederlandse rechter moet in staat worden geacht het als algemeen uitgangspunt vast te leggen verschoningsrecht ad hoc af te wegen tegen welk ander aangevoerd belang ook.