Turks leger drijft Koerden als vee bijeen

ISIKVEREN, 10 april - Als een kudde onwillig vee drijven Turkse soldaten een grote groep Koerdische vluchtelingen de berg op, nadat die tevergeefs hadden geprobeerd beneden wat voedsel bij elkaar te scharrelen. Luid schreeuwend delen de militairen af en toe een flinke klap uit met hun geweerkolf of een stok.

Een paar Koerden vallen languit in de blubber van het smalle weggetje dat naar hun armzalige kamp voert, vlak bij de Iraakse grens. Ze worden door anderen onder de voet gelopen, maar hijsen zich weer overeind en vervolgen hun weg.

Enige tijd laten de Koerden, mannen, vrouwen en kinderen, gehuld in een bonte verzameling bij elkaar geraapte kledingstukken, zich gelaten de berg opdrijven, maar dan gaat plotseling een schok door de menigte.

Als een man keren ze zich om, jong en oud draven zo snel hun uitgeputte lichamen dat nog toestaan weer naar beneden langs het modderige weggetje. Een paar Koerden hebben daar tractoren met nieuwe hulpgoederen ontwaard en dat is een gelegenheid die niemand wil missen. De militairen zijn de controle geheel kwijt. Ook een geweerschot in de lucht vermag de bonte stoet niet te stoppen.

Er ontstaat een woeste vechtpartij rond een tractor met materiaal voor tenten. De aanhangwagen van de tractor is al gauw bedekt met een dichte kluwen van worstelende mensen. Een paar sterke mannen slagen er met een enorme krachtsinspanning in een stuk tentdoek buiten de kar te krijgen en lopen daar meteen zo ver mogelijk mee weg, als vogels die een extra groot stuk brood hebben buitgemaakt en dat op veilige afstand gaan opeten. Dat de mannen geen tentstokken en andere benodigdheden hebben, deert hen niet. Even verderop loopt een jongen triomfantelijk met een enkele tentstok. Ook hij behoort nog tot de gelukkigen die althans iets in de wacht hebben kunnen slepen. De meesten krijgen voor de zoveelste keer niets.

“Deze mensen zijn geen beesten”, zegt een man met een grijze baard. Hij is een hoofdonderwijzer uit de plaats Dohuk in het noorden van Irak. Twee weken geleden trok hij met zijn familie door de bergen naar Turkije, waar hij belandde op deze helling, dicht onder de sneeuwgrens, die de Turkse regering voor de vluchtelingen ter beschikking heeft gesteld. “Ik wilde niet doodgaan in Saddams Irak”, zegt hij.

Pag. 4:

Turkse leger drijft de Koerden bijeen

“Er is hier geen water, haast geen eten en 's nachts is het ijskoud.

Elke dag sterven er mensen, vooral veel kleine kinderen''. De hoofdonderwijzer is op de terugweg van een voedseltocht. Hij opent zijn zak en laat me zijn magere oogst zien: een paar kleine broden en daar bovenop een paar zanderige rubberschoenen die hij onderweg heeft gevonden.

Voortklimmend over het modderige weggetje komen we tenslotte in het kamp. Kamp is een groot woord. Het onderkomen van de meeste mensen bestaat in het beste geval uit wat lappen en plastic die over in de grond geprikte stokken zijn gespannen. In totaal bevinden zich duizenden van deze tentjs op de berghelling. Hoeveel mensen hier precies zitten is moeilijk vast te stellen. Het kunnen er 50.000 zijn, het kunnen er ook 80.000 zijn.

Het 'kamp' maakt een chaotische indruk. De tentjes staan dicht op elkaar. Daartussen krioelt het van de kleine kinderen, sommigen op blote voeten. Hier en daar staat nog een meegebracht schaap of een geit, die vermoedelijk snel geslacht zullen worden. Het stinkt op sommige plaatsen al flink naar de onlasting van de vluchtelingen, die dikwijls geen energie meer hebben om daarvoor tot buiten het kamp te lopen. Aan alle kanten zijn mannen koortsachtig bezig om hout te hakken om de vuurtjes voor de tentjes aan de gang te houden. Vooral 's nachts zijn die onmisbaar. Maar het zal niet lang meer duren of de voorraad hout op de berghelling is op. Geen van de vluchtelingen denkt daar echter nu aan: hun eerste opgave is om het er vandaag weer levend af te brengen.

Niet iedereen slaagt daarin. Een man met een flinke stoppelbaard wenkt me nadrukkelijk. Hij kijkt ernstig en heeft kennelijk iets belangrijks te laten zien. Ik word binnengeleid in zijn halfdonkere tentje. Daar zit een vrouw te snikken naast een hoop oude lappen. De man licht de lappen een beetje op en daar ligt een baby die net is overleden. Zijn mondje staat nog open en zijn tongetje steekt er half uit. In de tent zit ook een andere vrouw met een klein kind op schoot. Zij kijkt me smartelijk aan en roept: “Please, help me, please.”

Even verderop word ik aangeklampt door een man die er een vrouw bij haalt die er ondanks het middagzonnetje kouwelijk uitziet. Zij is gekleed in een dunne zomerjurk. In zeer gebrekkig Engels maakt de man duideljk dat de vrouw al twee van haar vijf kinderen heeft verloren in het kamp. De vrouw glimlacht hulpeloos als de man zijn verhaal doet.

Vooral de kleine kinderen hebben een grote kans dat zij het verblijf op de barre helling niet overleven. Een Italiaanse arts, die door de regering in Rome is gestuurd om vast te stellen hoe er het beste kan worden geholpen, constateert dat veel kinderen al tekenen vertonen van ondervoeding. Dikwijls verstrijken er dagen dat zij niet of nauwelijks eten. Hun weerstand neemt daardoor snel af en in die verzwakte toestand zijn zij een prooi voor ziektes.

Weinig hulp Van georganiseerde hulpverlening is nog nauwelijks sprake. Een Duitse journaliste die vorige week ook al in het kamp op bezoek was, zegt dat de toestand daar eerder slechter dan beter is geworden. De voornaamste hulp komt, anderhalve week na de komst van de vluchtelingen, nog steeds van de plaatselijke Turks-Koerdische bevolking, die met lede ogen aanzien hoe hun broeders uit Irak hebben te lijden. In het naburige dorpje Cizre is een klein centrum opgericht waar de Turkse Koerden oude kleren, wiegjes voor baby's, voedsel, dekens en andere zaken naar toe brengen. Burgemeester Hasim Hasimi realiseert zich echter dat dit maar een druppel op een gloeiende plaat is. Veel meer is nodig, vooral uit het Westen. “Kregen wij maar net zoveel aandacht als die walvissen in Amerika laatst”, mijmert hij in zijn kantoortje.

Zelfs de hulpgoederen die er zijn, kunnen de vluchtelingen amper bereiken. De enige route naar de helling hoog in de bergen is het modderige weggetje, dat na elke regenbui wordt herschapen in een dikke modderbrij, waar de meeste vrachtauto's hopeloos in vast raken.

Pogingen om het weggetje te egaliseren met grijpers hebben tot nu toe nauwelijks succes gehad. Nu vormt zich beneden in het dal regelmatig een bescheiden file van vrachtauto's die niet omhoog kunnen.

Een oplossing voor dit probleem is zeer wel denkbaar. De Turkse autoriteiten, eergisteren nog uitbundig geprezen door de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken James Baker wegens de “edelmoedige en menslievende” wijze waarop ze de vluchtelingen hadden ontvangen, zouden de Koerden moeten toestaan om naar het dal af te dalen. Daar is water en meer beschutting. Bovendien is het makkelijk te bereiken voor hulpgoederen. Voor de Turkse militairen zou het bovendien een koud kunstje zijn om het betrekkelijk smalle dal af te sluiten en zo de zaak onder controle te houden.

LANGZAME DOOD

Door de Koerden op de berghelling te houden, wekken de Turken de indruk de vluchtelingen bewust een langzame dood te willen laten sterven. Een alternatief hebben de Koerden immers voorlopig niet. Als ze terug zouden gaan naar Irak, lopen ze een goede kans te worden gedood door de wraaklustige troepen van Saddam Hussein. Bovendien zouden op de tocht terug door de bergen nog veel meer doden vallen dan op de heenreis, omdat de vluchtelingen nu zeer zijn verzwakt.

De meeste Koerden piekeren er dan ook niet over om terug te keren naar Irak. In Turkije willen zij evenmin blijven. Ze hebben hun hoop vooral gevestigd op het Westen. Ingenieur Mohammed Ali, die uit de plaats Zakho afkomstig is, vraagt of er in het Westen veel vraag is naar zijn specialisme: digitale instrumenten. Voorlopig verkeert hij in een toestand die wel heel ver afstaat van een goed betaalde baan in het Westen. Met veel inspanning heeft hij net een klein doosje met wat eten weten te bemachtigen. Voor de 25 monden die daarvan moeten worden gevoed betekent dat maar een klein hapje elk. Zijn kinderen, zijn vrouw en zijn zuster zijn allen ziek en de toekomst van de familie ziet er somber uit.

Aan het eind van de middag, wanneer de behaaglijke zonneschijn is verdwenen, en de schaduw van de majesteitelijke bergen weer over het kamp valt, schuiven de vluchtelingen dichter om het vuur. Ze maken zich op voor een nieuwe ijskoude nacht. Tien van hen zullen de volgende dag niet halen.