Speculatie en niet een recessie veroorzaakt malaise op kunstmarkt

AMSTERDAM, 10 APRIL. “Kunst en verzamelobjecten dienen in de eerste plaats te worden gekocht om van te genieten en niet om er rijk van te worden. Als U het beleggingsmotief wilt laten meespelen, doet U er verstandig aan de beste kwaliteit te kopen die U zich kunt permitteren.” Dit was het belangrijkste advies dat Jeremy L. Eckstein, directeur van Art Management Consultancy, gisteren de bezoekers van het symposium 'Kunst als belegging' in Amsterdam meende te moeten meegeven.

Eckstein, ex-researchmanager van het veilinghuis Sotheby's - waar hij de Sotheby's Kunst Index ontwikkelde - was gastspreker op het door zijn vroegere werkgever georganiseerde seminar.

Gedurende de laatste twaalf maanden heeft de kunstmarkt een onverwachte en diepgaande neergang laten zien. Gebaseerd op een extrapolatie van de trend sinds 1986 mochten de twee grote Britse kunstveilinghuizen Sotheby's en Christie's voor 1989 rekenen op een gezamenlijke omzet van 4 miljard dollar, voor 1990 op 4,9 miljard. Het werd voor 1989 ongeveer 5,1 miljard ofwel 28 procent boven, en voor 1990 4,3 miljard, ofwel 12 procent onder de op de trend gebaseerde verwachting.

Volgens Eckstein lijkt het waarschijnlijk dat de jaren negentig vanuit sociaal-economisch oogpunt een reactie zullen laten zien op de excessen van de jaren tachtig. De kunstmarkt weerspiegelt in veel opzichten zowel excessen als reacties.

De snelheid waarmee de marktstemming in het laatste jaar verzwakte, versterkte in eerste instantie de indruk dat de neergang betrekking had op de gehele kunstmarkt. Het werd echter al snel duidelijk dat de malaise zich voornamelijk beperkt tot schilderijen uit de impressionistische, moderne en hedendaagse perioden. De neergang zou het gevolg zijn van speculatieve aankopen in deze sectoren door een kleine maar zeer rijke groep van verzamelaars. De aankopen in de jaren tachtig tegen extreem hoge prijzen hebben volgens Eckstein in genoemde sectoren het lange termijn evenwicht tussen vraag en aanbod ernstig verstoord, en de sterke schommeling in de totaalomzetten op kunstveilingen veroorzaakt. De omzetten in andere deelsectoren van de kunstmarkt, zoals bijvoorbeeld in antiquiteiten, zijn beter geweest dan ooit tevoren. Dit is een indicatie dat de neergang op de kunstmarkt meer het gevolg is van excessieve prijsontwikkelingen in deelsectoren dan van de recessie in de wereldeconomie, aldus de kunstexpert.

Hij wees erop dat net zoals in vorige recessieperioden, de vraag minder dan het aanbod, te lijden heeft gehad. Verzamelaars en handelaars zijn nog steeds actief in de markt maar selectiever geworden in de keuze van hun aankoop. Er bestaat bijvoorbeeld nog steeds veel vraag naar schilderijen van Oude Meesters in welke sector het prijspeil wordt betiteld als 'goed tot zeer goed'.

“De euforie van de jaren tachtig zal niet gauw terugkeren maar we hoeven geen requiem voor de kunstmarkt te zingen: die is verre van dood. Sommige sectoren zullen echter meer tijd nodig hebben om zich te herstellen dan andere, en enkele sectoren zullen wellicht nooit meer de oude worden”, zo besloot Eckstein zijn voordracht.

Andere inleiders tijdens het symposium belichtten nevenaspecten van de kunstmarkt. De aanwezige kunstbeleggers konden vernemen dat de verruimde opvattingen ten aanzien van hetgeen onder 'Kunst' wordt verstaan, de verzekeraars confronteren met nieuwe risico's. En dus wel tot premieverhoging zullen hebben geleid. Zo zouden al te goedwillende en behulpzame suppoosten eens de door verpakkingskunstenaar Christo naar een expositie verstuurde objecten uitgepakt hebben, en zouden werksters ooit een tentoongestelde badkuip met door badwater vervuilde randen ('een kunstenaarsvisie op het visule veranderingsproces dat materiaal en voorwerpen door gebruik ondergaan') een goede beurt gegeven hebben. In beide gevallen werden kunstvoorwerpen gereduceerd tot gewone voorwerpen. De verzekeraars konden weinig anders doen dan de schade vergoeden. Gemeten naar objectieve maatstaven. Dat wel.