Le Non Neerlandais

De Franse krant Le Figaro wist het maandagochtend al treffend te omschrijven, voor de Europese regeringsleiders in Luxemburg op hun ingelaste top geconfereerd hadden. De Gemeenschap zou een nieuwe weg inslaan, met een nieuwe slagvaardigheid op het gebied van de buitenlandse politiek. Alleen was er: “La difference neerlandaise”. Les Pays-Bas zouden 's avonds tegensputteren, maar de karavaan zou doortrekken.

Zo ongeveer is het ook gegaan, onder Nederlands protest: een klein, democratisch koninkrijk heeft geen baat bij monarchale presidenten en kanseliers die achter gesloten deuren even de lakens komen uitdelen.

Na afloop was de BBC World Service zo objectief de Nederlandse premier een microfoon voor te houden. Hij kreeg drie zinnen zendtijd, die Lubbers niet zonder politieke lading besloot met: “You can exclude nothing”.

Ik mag van Aad Nuis geen grappen meer maken, dus het komt goed uit dat de minister-president een handje helpt. Het klonk ernstig, verstandig en gemeend wat hij daar in Luxemburg zei, en de collega's zullen het best begrepen hebben. Het was Engels genoeg voor Bush House om het fragment uit te zenden, maar je hoort het Douglas Hurd zo nooit zeggen. Ook John Major niet, die er de laatste tijd prat op gaat dat hij betrekkelijk ongediplomeerd de middenschool heeft verlaten.

Resteert de vraag of het schadelijk is dat wij op het Europese toneel in niet zo best Engels, ongrammaticaal Duits en vrijwel geen Frans onze zaakjes verdedigen. Is het niet juist markant dat wij in kazig Engels op het knackebrod-Engels en de spaghetti-variant reageren, terwijl de Britten zich laven aan het genot van hun eigen uitspraak?

De minimum-realisten hebben gelijk: beroeps-Europeanen weten heus wel wat zij aan de Nederlandse minister-president hebben. De Fransen zullen Den Haag niet opeens meer au serieux gaan nemen als deze zomer blijkt dat alle leden van het Nederlandse kabinet stiekem een intensieve talencursus hebben gevolgd en bij verrassing de Europese ministerraden in vlekkeloos Engels of Frans voorzitten.

Waarom dan pleiten voor tweetaligheid, het van jongs af aan leren van goed Nederlands en goed Engels? Omdat Nederland weinig troeven heeft.

In de politiek, in de handel, in de kunst, in de wetenschap. Omdat het voor een volk dat het beste wil maken van zijn transitocultuur broodnodig is beter dan de andere niet-Angelsaksen te zijn in de meest gebruikte taal ter wereld.

Daarover ging mijn stukje 'The Dutch Dilemma' op 27 maart. Ik pleitte niet voor verdoezeling van het Nederlands, en evenmin voor het definitief achterwege laten van pogingen meer talen dan alleen Engels te leren. Integendeel. We moeten weer inhoud geven aan het tevreden cliche dat we zo aardig talen spreken.

De reacties concentreerden zich op gebruikte voorbeelden en zinswendingen, maar minder op het voordeel van deze fundamentele aanpak. Ik durf te zeggen: op de noodzaak ervan.

De minimum-realisten leggen zich neer bij ons internationale gebroddel omdat zij zich er kennelijk geen zorgen over maken. Ik denk dat overschatting en onderschatting van het belang van onze taal en onze vreemde talenkennis leidt tot provincialisering. We moeten geen genoegen nemen met middelmatigheid. Wie echt Engels wil leren moet er vroeg mee beginnen. Dat betekent: een flink deel van het onderwijs in het Engels. Frans of Duits als echte tweede taal mag natuurlijk ook, het moet alleen wel te organiseren zijn.

Intussen is het schandaal van de afgezegde Nederlandse solo-presentatie op de Frankfurter Buchmesse via de Volkskrant aan het licht gekomen. Het kabinet had meer aan het hoofd, zat centen te tellen en liet wvc en buitenlandze zaken doorkibbelen over wie buitenlands cultuurbeleid doet. Niemand dus. Een land dat zo'n kans laat verpieteren is echt bijzonder.

We hadden best wat kunnen laten zien aan talent, veelzijdigheid, smaak, diepzinnigheid met een onsje zelfspot. Niets daarvan. Het enthousiasme van een enkele ambtenaar en een vertrokken minister werd geblust in overrelativering, onhandigheid, wie zal het zeggen. De (laat geraadpleegde) uitgevers van echte boeken in dit kleine taalgebied kunnen zich in ieder geval geen miljoenen permitteren om op de beurs der beurzen eens in de bus de blazen. Dat had iedereen kunnen bedenken.

Dan de Fransen. In Le Monde van zondag wordt teruggekeken op zeven jaar TV5, de Franstalige satellietzender. Het was een heel gedoe om een Belgische, een Zwitserse, een Canadese en vooral drie Franse omroepen met elkaar te laten samenwerken. Maar dat de regering in Parijs het duurste deel van het project - de transmissie - zou betalen, was geen probleem. En waar het allemaal goed voor was en blijft, ondanks de bescheiden kijkersaantallen, is al helemaal geen onderwerp van reflexie. Gewoon, “voor de francophonie”.

De Nederlandse desinteresse voor de Messe werd door Paul Scheffer maandag op deze pagina toegeschreven aan vette zelfgenoegzaamheid.

H.J.A. Hofland herkende er de hand in van een overheid die het volk met 1992 in zicht op culturele capitulatie wil voorbereiden. Je kan ook zeggen dat het een logische uiting is van een cultuur die zichzelf in internationaal verband niet naar waarde kan schatten.

Zeker nu onze industrie te klein wordt voor de wereld en Belgie de handigheid heeft steeds meer het verkeersplein van Europa te worden, is het geen luxe meer van ons te laten horen. De Hilversumse Wereldomroep doet in stilte veel goeds, al klinkt er nog steeds meer ringsteken in door dan men in eigen land waarneemt. Onze culturele attachees in het buitenland beantwoorden scriptievragen van scholieren en bevorderen tentoonstellingen, of laten een Nederlandse schrijver een lezing houden.

Het blijft internationaal fluisteren. Bovendien is de cultuur even belangrijk als de Cultuur. Ook TV5 ziet dat nu in. Moliere en Mulisch kunnen hun landen niet in hun eentje verkopen. Nederland is een aardig land, dat best wat presteert op allerlei gebieden. Het is alleen ontzettend klein vergeleken bij de belangrijkste landen van Europa. We gooien ons erfdeel echt niet weg als we dat erkennen. Als maximum-realisten, die een verstandige, zelfbewuste indruk maken door zo praktisch zijn te zorgen dat zij zich goed verstaanbaar maken.

De handvol buitenlanders die graag met ons in het Nederlands willen omgaan, moeten we rustig laten uitpraten zonder ons te laten voorstaan op onze eigen cursus buitenlands. Maar voor de overgrote meerderheid van onze contacten met niet-Nederlanders geldt dat we kunnen kiezen tussen goed en minder goed begrepen worden. Slecht Engels-Frans-Duits spreken en de Frankfurter mess zijn een deel van het zelfde verschijnsel. Wie Nee blijft zeggen tegen de wereld, krijgt daar over de grens weinig klachten over.