Het sociale paleis moet worden gesloopt

Hoe moeten we in Nederland in de komende vijfentwintig jaar ons brood verdienen. Zoals gisteren aangegeven, ligt de kracht van Nederland in zijn geografische ligging en op het gebied van de kennis van handel, transport en distributie en aanverwante diensten. Om die ligging uit te buiten zijn aanzienlijke investeringen in de infrastruktuur nodig. Op het eerste gezicht lijkt het daartoe benodigde geld een probleem te zijn. Die uitgaven komen immers traditioneel voor rekening van de staat en niet voor die van individuele bedrijven.

De vele tientallen miljarden die Nederland in zijn toekomst moet investeren, moeten door de staat worden opgebracht in de periode dat hij de miljarden moet gaan terugbetalen die de afgelopen tien jaar op de kapitaalmarkt zijn geleend om het verschil tussen overheidsinkomsten en overheidsuitgaven te overbruggen. Het is alsof de BV Nederland nieuwe machines aan wil schaffen op het moment dat de leningen van de bank noeten worden terugbetaald.

Maar geld voor overheidsinvesteringen is hier gelukkig voldoende voorhanden. Het typisch Nederlandse systeem van collectieve besparingen heeft er voor gezorgd dat de pensioenfondsen en verzekeraars nu 542 miljard belegd vermogen hebben, een bedrag dat het afgelopen jaar nog met 23 miljard groeide. Dat is een nog zeker tien jaar groeiende pot waar het kabinet begerig naar loert ter dekking van korte schulden, maar die voor strategische investeringen vrijwillig open zal gaan. Het maken van een infrastruktuur waarlangs Nederland de komende kwart eeuw zijn geld kan verdienen is immers de beste investering voor instellingen die over 25 jaar de mensen die nu werken hun toegezegde inkomen moeten betalen.

Anders dan de benarde toestand van 's Rijks schatkist doet vermoeden, is geld niet de beslissende factor in het denken over de toekomstige economische positie van Nederland. Het gaat om andere zaken. Wil Nederland de hoogwaardige werkgelegenheid houden die de kennisintensieve distributie met aanverwante diensten vraagt, dan hoort daar een passend sociaal-economisch beleid bij. De verhoudingen tussen werkgevers en werknemers veranderen en dus ook de invloed die de overheid uit kan oefenenen op die verhouding. Een Nederlandse economie die moet concurreren in een omgeving met vrij verkeer van goederen, diensten en personen kan qua druk van de collectieve lasten niet uit de pas lopen met het nabije buitenland. Het zorgvuldig opgebouwde overlegsysteem met zijn aandacht voor koopkrachtplaatjes, koppelingen en verzorging van de zwakkeren op zo'n manier dat het percentage van de beroepsbevolking dat ziek of arbeidsongeschikt wordt bevonden bijna lachwekkend afsteekt bij internationale gemiddelden, kan dan niet langer blijven bestaan. Het Nederlandse arbeidsbestel kan geen barrieres op blijven werpen als reactie op de internationalisering van de concurrentie, zoals de socioloog H.J. van de Braak de praktijk onlangs zo treffend heeft geschetst.

Dat is geen politieke keuze maar een door het concurrentiemechanisme afgedwongen conclusie. Iets wat niet iedereen zich realisteert. Een groep top-ondernemers heeft onlangs met het partijbestuur van de PvdA overlegd en voor deze visie in principe wel gehoor gevonden, maar net als het kabinet zijn de partijbesturen in Nederland volledig geobsedeerd door de zeer korte termijn van tussenbalansen en koppelingen. In dit politieke spel is het vasthouden aan de koppeling van lonen en uitkeringen, waarbij de staat geen geld heeft voor hoge uitkeringen, zodat de lonen gematigd moeten worden (de zogenaamde omgekeerde koppeling) slechts ingegeven door principiele overwegingen.

Wie van Nederland een land met hoogwaardige arbeidsplaatsen wil maken, moet echter niet proberen hier een lage lonenland te creeeren. Iets wat deze regering volgens het Internationale Monetaire Fonds de facto doet.

Concurreren op basis van lage lonen was het beleid van vlak na de oorlog. Toen kon Nederland zijn industriele infrastruktuur weer opbouwen dankzij een loonmatiging, die overigens toen te lang is volgehouden. De voormalige directeur-generaal economische zaken, A.

Winsemius zei het zo: “Wat Nederland eind van de jaren vijftig en begin van de jaren zestig heeft gedaan is een grote fout geweest. Door de lage lonen werden wij het goedkoopte-eiland van Europa, maar daardoor raakten we wel de prikkel van de concurrentie kwijt. Er werd niet meer geinvesteerd, niet gerationaliseerd en - zo noemen we dat vandaag - geinnoveerd ofwel vernieuwd. De nota ligt voor ons op tafel en de prijs is exorbitant: bijna 1 miljoen mensen die niet werken”.

(Safe, 1982). De fout van toen duurde voort tot de loongolf van 1966 de - economisch gezien -dolle jaren inzette, een feestje waaruit we door de oliecrisis van 1974 ruw werden gewekt. Te ruw voor velen, zodat de door aardgasbaten en leningen gespekte staatskas via sterk groeiende uitkeringen aan individuen en steun behoevende ondernemingen de klap moest verzachten in de jaren die volgden. Dat leidde tot de staatsschuld die nu het overheidsbeleid zo verstikt houdt.

Wie de politieke debatten nu volgt kan de parallel met het lage lonen beleid van toen, niet ontgaan. Wil Nederland zijn boterham hoogwaardig verdienen (een alternatief is er niet, omdat wij geen grondstoffen hebben waaraan met behulp van laaggekwalificeerde goedkope arbeid waarde kan worden toegevoegd) dan moet Nederland het hebben van hooggeschoolde en dus duurbetaalde werknemers, die concurreren op een internationale arbeidsmarkt en hun werk ook vanuit Londen, Frankfurt of Parijs zouden kunnen doen. De overheid kan nooit via een omslagstelsel het inkomen van alle niet-werkenden gekoppeld houden aan deze hoogwaardige arbeidskrachten. Wie kijkt naar waar we naar toe willen in plaats van naar wat we wel graag zouden willen bewaren, begrijpt dat de koppeling niet vol te houden is. Dat vergt een horizon die zich uitstrekt tot voorbij het eerstvolgende partijcongres.

Toch is de koppeling niet het hoofdprobleem. Wat dat betreft zal de wal van de realiteit het schip der ideologie wel keren. Maar het belang dat zo'n mechanisme in de politieke besluitvorming heeft, toont hoe ver het denken in Den Haag verwijderd is van de analyses die grote ondernemingen en wetenschappers maken om de lange termijn te overzien.

De politiek kissebist over tienden van procenten op een niveau dat door mensen die de begroting begrijpen inhoudelijk wordt vergeleken met massa-amusement in plaats van met beleid. Terwijl Den Haag kibbelt, weet het bedrijfsleven: het hele sociaal-economische stelsel van consensusvorming en overleg tussen sociale partners, van zekerheid van wieg tot graf dat is opgebouwd als antwoord op de economische omschakeling na het verlies van Indie, zal opengebroken moeten worden.

Op zo'n manier dat het voor internationaal werkende ondernemingen aantrekkelijk is hun hoofdkantoren in Nederland te houden.

Dat betekent dat het verschil tussen wat de werkgever bruto betaalt en de werknemer netto ontvangt niet te groot mag zijn. De econoom Milton Friedman heeft gesteld dat zodra de collectieve lastendruk zestig procent van het nationaal inkomen bereikt niet meer gesproken kan worden van een markt-georienteerde economie. Nederland zit al gauw boven de 55 procent en is daarmee meer een Oostblokland van vroeger dan een centrum van handel en kennis aan de rand van een continent, zoals Singapore of Hong Kong; die beide qua economisch sterke punten (ligging, handel, diensten en kennis) vergelijkbaar zijn met wat Nederland Europa economisch te bieden heeft.

Willen we hier over vijfentwintig jaar nog een goede boterham kunnen verdienen dan zullen de vele zalen, torenkamertjes en kelders van het sociaal-economische paleis dat in Nederland is gebouwd, moeten worden gesloopt. Snel mensen kunnen aannemen en afstoten is voor bedrijven van belang. En iedereen weet dat de werknemers zelf al lang mobieler zijn geworden dan de brave borst die na veertig dienstjaren bij dezelfde baas een gouden horloge en een volledig pensioen ontvangt.

Die (behalve bij staatsbedrijven als Spoorwegen en PTT) niet meer bestaande werknemer waar het systeem van de oudedagsvoorziening gespeend van realiteit nog steeds op is gebaseerd.

De gemiddelde levensduur van een baan is vijf a tien jaar zo had J.M.M. Ritzen, de huidige minister van onderwijs al in 1987 uitgerekend. Zekerheid is fijn, maar een illusie. Meer dan drie kwart van de groei van de werkgelegenheid in Europa bestond de laatste tien jaar uit deeltijdbanen. Uitzendbureaus bloeien, terwijl arbeidsbureaus falen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau voorzag al in 1988 de opkomst van de flexibele onderneming met een kern van vaste werknemers, met daaromheen een schil van losse krachten.

Er zijn in Nederland 4800 ondernemingen waarvan het eigendom in buitenlandse handen is. Die eigenaars zijn niet gewend als sociale partners sectorgewijs of hoe dan ook, met hun werknemers om te gaan.

Wil Nederland meer van die bedrijven hebben, dan kan het niet van de potentiele investeerders eisen dat ze zich aanpassen aan de arbeidsverhoudingen, zoals die op de Nederlandse markt zijn gegroeid voordat vrij verkeer van personen en goederen mogelijk werd.

Toenemende arbeidsmobiliteit - zo van belang in een in essentie dienstverlenende economie - is niet alleen mobiliteit over de landsgrens.

Om hier hoogwaardige arbeid binnen de landsgrenzen te houden moeten we ook de aanwezige kennis op een internationaal concurrerend peil te houden. We hebben in Nederland nog kenniscentra als de laboratoria van Shell, Unilever, Philips en de chemie, als ook Wageningen, het kenniscentrum van de landbouwsector. Maar studenten zoeken op de onderwijsmarkt slechts naar papiertjes die een voorsprong zouden geven in de sollicitatiestrijd.

De gemiddelde tijd die een Nederlander na zijn geboorte op school doorbrengt is de laatste vijftien jaar fors gestegen, maar veel technische en exacte kennis verdwijnt. Op de lerarenopleidingen in Nederland worden op dit moment nog maar drie mensen opgeleid tot wiskundeleraar is het voorbeeld van de verarming. Het is nog maar de vraag of de industriele kennis geconcentreerd rond bedrijven als Fokker, Daf Trucks en Oce van der Grinten in Nederland bewaard kan blijven, nu het steeds duidelijker wordt dat deze ondernemingen niet de omvang hebben om op de Europese markt met de veel grotere concerns uit andere landen te concurreren.

Heel kleine ondernemingen vallen buiten het overheidsbeleid. Er zijn in Nederland echter 5188 ondernemingen met meer dan honderd werknemers, ongeveer evenveel als er buitenlandse ondernemingen in Nederland zijn. Daarvan zijn er maar zo'n vijfhonderd middelgroot. Dat wil zeggen met meer dan tweehonderd mensen. Die vijfhonderd zijn van belang voor het in stand houden van kennis in de industrie. “Die middelgrote ondernemingen bepalen soms volledig het profiel van een bedrijfstak”, aldus het Ministerie van economische zaken. Maar juist die ondernemingen zullen getroffen worden door een hardere Europese concurrentie. Veel van hen zullen als ze dat nog niet zijn, worden overgenomen door grotere collega's van elders. Een proces dat juist in bedrijfstakken waar de concentratiegraad nu nog laag is (waar veel kleinere ondernemingen werken), tot aanzienlijke verschuivingen aanleiding kan geven, waarbij individuele ondernemingen heel anders zullen gaan werken.

Een studie van het adviesbureau Booz, Allen & Hamilton laat zien dat het bruto nationaal produkt per EG-inwoner in 1988 maar 13.400 dollar was, tegen 18.500 in de Verenigde Staten en 20.000 in Japan. Reden voor Amerikaanse en Japanse bedrijven hier te investeren, omdat in Europa de meeste ruimte voor groei lijkt te bestaan. Anderzijds reden om aan te nemen dat de manier waarop hier gewerkt wordt ingrijpend zal veranderen. Waarschijnlijk op zo'n manier dat de Nederlandse sociaal-economische tradities daterend uit de zestiger en zeventiger jaren zullen moeten verdwijnen.