Een en ander

Een Nederlands schrijver die van de pen wil leven (ik spreek hier niet over de hybriden en misbaksels die schrijven in de vrije uurtjes, hen door een ander beroep toegeworpen) heeft maar een paar mogelijkheden.

Hij moet op droog brood kauwen en zijn sokken net zo lang weten te stoppen tot ze spontaan uiteenvallen. Of hij dient een bestseller op zijn naam te hebben staan. Of hij behoort onverdroten elke keutel te prijzen van collega's die in jury's, subsidiecommissies, letterenfondsen en schrijversvakbonden plegen te zetelen. Of hij kan, ten slotte, eens wat vertalen.

Nu, arm zijn wil ik niet. Bestsellers schrijft men niet op bestelling. De grootmogols van de letterkundige potjes zien mij deftig over het hoofd omdat ik hun keutels over het hoofd zie. Ik vertaal dus af en toe wat. Er rest me niets anders.

Vandaar mijn ergernis, misschien, wanneer iemand me vraagt wat me in een bepaalde schrijver wiens werk ik heb vertaald 'zo aantrekt'.

Een uitgever of een toneelgezelschap geeft je een opdracht, en het dondert dus niet of een schrijver je persoonlijk aantrekt. Men staat er hoogstens, als er niet van acute geldnood sprake is, even bij stil of zo iemand je per se niet aantrekt. Men vertaalt geen lorren van halvegaren, maar voor de rest is het handwerk.

Nederige dienstverlening. Een gebit moet ook erg schimmelen en walmen voordat een tandarts weigert er zijn krachten op te beproeven. Niet dat de gemiddelde tandarts nederig is.

De gemiddelde vertaler hoort dat wel te zijn. Hij dient de auteur, en niet zijn eigen ego. De ego's van vertalers zijn vaak te groot. Dan smokkelen ze er een paar regels van eigen vinding bij of ze bakken het wat bruiner dan de auteur zelf.

Zodra een vertaler een opdracht heeft aanvaard is hij de knecht en voetenwasser van de auteur, en niet een van God gezonden herschepper.

Al geef ik toe dat de verleidingen groot zijn als het om een dooie auteur gaat. Zonder de hete adem van de baas in zijn nek krijgt de beste knecht wel eens kapsones.

Al is men dus de bescheidenheid zelve, bij een tekst uit een oude of dode taal, uit een verre cultuur, moet men noodgedwongen het een of ander zelf doen. De hieroglyfen moeten nu eenmaal naar het hedendaags worden overgezet, voor een publiek met een heel andere denktrant. We weten niet eens hoe de taal en de denktrant toen waren, in hun compleetheid. De vertaler bedrijft dan een soort archeologie: uitgaande van de brokstukken gist hij naar het gebouw. Hij vertaalt als het ware steen voor steen.

Hij kan alleen hopen dat hij het niet al te bont maakt. Wanneer een regisseur Hamlet achter een kinderwagen over het toneel laat lopen, wordt hem dat veel minder zwaar aangerekend dan wanneer een vertaler Hamlet eens Whoops! of Wow! laat zeggen. Terecht.

Want toneel is een vluchtig ding en over tien, misschien vijf jaar zal die kinderwagen ons waarschijnlijk als gruwelijk passe voorkomen. Maar een tekst staat er en men hoopt toch, in het diepst van zijn hart, dat die langer dan een paar jaar meegaat. Vandaar dat een vertaler zal streven naar iets van een evenwicht tussen een levend en een wat tijdlozer taalgebruik.

Zelfs onder tijdgenoten heerst er al geen eensgezindheid over wat een modern en niet al te individueel, modieus taalgebruik is. De ene groep stoot zich nog steeds aan wat bij een andere groep al lang is ingeburgerd.

En dan veranderen, natuurlijk, van generatie tot generatie de opvattingen over 'gewoon' en 'verheven' taalgebruik. Voor 'het mannenzwikkende, tuimelvallende, jammerrouwende, zoedelzaad' waarmee Boutens in 1930 zijn vertaling van Aischylos' Smekelingen opsierde zijn we nu wat huiverig. Het zijn woorden uit een poetisch universum die nu, in het perspectief van de tijd, het patina van de jaren twintig hebben gekregen. Maar destijds klonken ze wellicht acceptabeler.

In het jaar 2050 leeft pas de generatie die precies kan zeggen wat er Boutensachtig aan de vertaler van nu is.

Een reden te meer voor hem om eerlijk toe te geven dat hij voor de centen vertaalt, en niet voor de kunst.

    • Gerrit Komrij