De geitenkoppen liggen in de blubber

ULUDERE, 10 april - Het smalle stroompje dat tussen de tienduizenden Koerdische vluchtelingen kronkelt bevat bruin schuimend water. Afgezien van sneeuw vormt het de enige watervoorziening. Om schoon water te vinden moet een klim van een uur worden gemaakt, tot het punt waar het riviertje over de rotsen valt. Tien meter stroomafwaarts zaten een paar vrouwen haren en kleren te wassen, en nog verderop waren hele menigten daarmee in de weer.

Water is nu verreweg het grootste stoffelijke probleem van de vluchtelingen op deze plaats, vijftien kilometer ten zuiden van de Oostturkse plaats Uludere. Vrijwel alle kinderen hebben buikloop.

Overal in de blubber liggen restanten van uit Irak meegenomen kleinvee, honderden geitekoppen bij voorbeeld. Sommige mensen hier hebben al dagenlang niet anders dan vlees gegeten. Een kleine vrachtauto met broden werd door een paar honderd man bestormd zodra hij tot stilstand kwam; vanaf de laadbak werd het voedsel vervolgens in een zee van uitgestoken armen gegooid. Ook hebben de Turken inmiddels macaroni en olijfolie uitgedeeld. Maar van de internationale hulp was hier tot gisterochtend helemaal niets te bespeuren.

Beneden in het dal, waar de grote vrachtauto's arriveren, is nu wel een overvloed aan voedsel. Maar daar zijn de vluchtelingen niet.

Vandaar dat velen proberen om naar het dal te gaan, al is het streng verboden. Aan de rand van het gebied waar de Koerden geconcentreerd zijn, hebben voortdurend schermutselingen plaats met Turkse soldaten die daar dag en nacht een kordon vormen. Drie jongens probeerden gisteren rennend door de linie militairen te breken, waarbij een van hen struikelde en in volle vaart tussen de rotsen languit ging.

Hoewel ze aan alles een groot tekort hebben, zijn de vluchtelingen uiterst gastvrij. Overal worden de uitnodigingen je tegemoet geroepen, om hier thee te drinken of daar te komen eten. Toch is vrijwel alles dat hier wordt geconsumeerd onder moeizame omstandigheden uit Irak meegetorst.

De huisvesting is de laatste dagen verbeterd. De Turken hebben vele tientallen tenten uitgedeeld en de meeste families die daar niet van konden profiteren hebben nu een groot stuk transparant plastic waarvan ze tenten hebben gemaakt. Ook worden tenten gemaakt van parachutedoek, van de parachutes waaraan voedsel en andere hulpgoederen worden afgeworpen boven de Koerden die aan de Iraakse kant van de grens zitten. Die Koerden komen er daarmee beter vanaf dan hun verwanten hier, want ze krijgen militaire dagrantsoenen inclusief ingeblikte maaltijden en zelfs jam. Degenen die vervolgens de grens mochten passeren, hadden de valschermen meegenomen.

Maar ondanks deze kleine verbeteringen slapen veel families toch nog onder een dak van aaneengenaaide dekens, die allerminst regenbestendig zijn. Niettemin bood iedere Koerd aan wie ik vertelde de nacht in het kamp te willen doorbrengen, direct een slaapplaats aan. Ik schreef het eerste deel van deze tekst tegen middernacht bij het licht van een zaklantaarn in een tent van vier bij vier meter, waarin ook 22 Koerden lagen - onder wie gelukkig hele kleine.

Tegen het invallen van de duisternis liep ik met mijn gastheer Hashim, een arts uit het ziekenhuis van Zakho, die nog nooit had gekampeerd, naar een uitzichtpunt op enkele tientallen meters van zijn tent. Voor ons ontvouwde zich een prachtig panorama met duizenden vuren op de steile hellingen, omzoomd door de duistere silhouetten van besneeuwde bergkammen. Een uiterst beroerde situatie, maar fantastisch om te zien. Dat is ook het verraderlijke van een wandeling-zonder-vragen door deze mensenzee: op het eerste gezicht lijkt het om een geslaagde massapicknick te gaan. De Koerden zijn niet alleen een van de meest vervolgde volkeren ter wereld, het zijn ook grote overlevers - en daaraan is te danken dat het leven hier toch nog verder gaat.

Niet voor iedereen echter. Op een van de begraafplaatsen hier telden we 28 graven, vooral veel korte - kindergraven. Een graf was juist klaar. Minuten na onze komst arriveerde een kleine stoet met een geimproviseerde baar. Zonder ceremonieel werd het in dekens gewikkelde lichaam van een oude vrouw in de kuil gelaten. Een paar meter verder, in een van de reeds gesloten graven, lag de schoonmoeder van Hashim.

Zwaar ziek hadden ze haar uit Irak de bergen over gesleept en hier had ze het nog vier dagen uitgehouden. Veel tijd om te rouwen is er niet voor Hashims echtgenote, want haar zoontje van acht heeft al een week diarree en lijdt aan ernstige uitdroging. Medisch een zeer simpel probleem, maar de geneesmiddelen ontbreken. Slap ligt hij in zijn moeders armen.

Hashims familie heeft haar tent pas kort terug. Ze hadden hem moeten achterlaten op de berghelling in Irak omdat hij te zwaar werd. Maar zaterdag haalden ze hem op. Tot maandagavond had het niet geregend, dus niemand wist of hij waterdicht was. Maar in de nacht kwamen we er met z'n 23-igen achter: als een zeef. Urenlang hoosde het, alle dekens en lappen eronder waren spoedig doorweekt. Het gekletter van de regen werd urenlang aangevuld door het gehuil van kinderen en baby's: een groot verschil met de betrekkelijke gezelligheid van de avond tevoren, toen het droog en niet te koud was.

De dames hadden een macaronimaaltijd weten te bereiden - men neme een pak macaroni en een emmertje sneeuw - en er werd ook weer druk thee gezet. Net als thuis mochten het familiehoofd en de gast eerst net zoveel eten als ze wilden (ik durfde nauwelijks een hap te nemen), waarna de anderen zich op het afgekoelde restant wierpen. Rondom het grote vuur, met de vuren van de buren rondom, en de sterren helder aan de hemel, was het haast gezellig.

Gelukkig was het vuur zo groot geweest dat er 's ochtends nog een laag gloeiende as gereanimeerd kon worden. Het eerste ochtendlicht werd omstreeks 6.00 uur aangevuld door de vlammen voor Hashims doorweekte boedel. Ook bij alle andere tenten werd druk gestookt. Mannen waren links en rechts bezig de bomen tussen de tenten verder te slopen met botte bijlen of bij gebrek daaraan met messen. Vrouwen bliezen de vuren aan en zetten water op voor thee. Het panorama waar ik twaalf uur eerder met Hashim naar had staan kijken, werd nu weer gedomineerd door een zee van vuurtjes - nu geen oranje lichtpunten maar duizenden rookkolommen.

Ik nam afscheid van mijn gastfamilie voor de thee klaar was. De schoonvader van Hashim, sinds drie dagen weduwnaar, liet me een pasfoto zien. Zo zag hij er tot een paar weken geleden uit: gladgeschoren en schoon gewassen. Nu leeft hij in gescheurde kleren op kapotte schoenen in een uitzichtloze misere. Want hoe lang dit nog gaat duren weet niemand. Met een wijds gebaar duidde hij op de tienduizenden die hier proberen te overleven. “Saddam Hussein!”