Commissie: wildgroei aan nieuwe studies in hoger beroepsonderwijs

ROTTERDAM, 10 april - De hogescholen besteden veel aandacht aan vernieuwing van hun onderwijs en aan de aansluiting op de arbeidsmarkt, maar vaak werken ze onvoldoende samen, is er sprake van ondoelmatige overlappingen tussen opleidingen en bieden ze modieuze opleidingen aan waarvan de waarde twijfelachtig is.

Dat stelt een commissie die de HBO-Raad, de vereniging van hogescholen, gisteren adviseerde over de vernieuwing van het hoger beroepsonderwijs. De commissie constateert bovendien dat de hogescholen kennis over de ontwikkeling van de arbeidsmarkt ontberen en beveelt de HBO-Raad daarom aan een databank op te zetten. De hogescholen moeten met behulp van die databank hun positie en ontwikkeling kunnen afmeten. Op korte termijn moeten over een breed terrein gegevens worden verzameld over het HBO, over afgestudeerden van de hogescholen en over de arbeidsmarkt waarvoor zij worden opgeleid.

De hogescholen besteden al veel aandacht aan de verbetering en vernieuwing van hun onderwijs, constateert de commissie, maar dit gebeurt niet erg gecoordineerd en weinig doordacht. Op veel plaatsen wordt hetzelfde werk gedaan, zonder dat de hogescholen daarvan op de hoogte zijn. Hoewel enige overlapping “gezond is en een logische consequentie van de concurrentie in het hoger beroepsonderwijs”, meent de commissie dat deze toch vaak “disfunctioneel” is. Zij bepleit een veel intensievere samenwerking tussen hogescholen.

De commissie wil ook dat er een einde komt aan wat zij noemt “wildgroei en fragmentatie”. Ze wijst erop dat de hogescholen de neiging hebben om inkrimping van het deel van de arbeidsmarkt waar zij voor opleiden te 'bestrijden' met nieuwe opleidingen. “Overcapaciteit leidt niet tot inkrimping maar tot het aanbieden van modieuze, nieuwe differentiaties binnen de studierichting, om toch studenten te blijven trekken.”

De commissie werd in januari door de HBO-Raad ingesteld om aan te geven welke vorm de eerder aangekondigde 'Centra voor ontwikkeling en vernieuwing van het hoger beroepsonderwijs' moeten krijgen. In deze zogeheten expertise-centra of professional-schools werken tweede-fase-studenten en deskundigen aan de ontwikkeling van (nieuwe) beroepen en opleidingen die daarvoor nodig zijn. Tot en met 1995 is 9,5 miljoen gulden per jaar voor de centra beschikbaar. Voor de verdeling van dit geld moet er een onafhankelijke commissie komen.

In haar rapport beveelt de adviescommissie aan uit het stimuleringsfonds voorlopig maar de helft van de kosten van de projecten te vergoeden die de hogescholen opzetten ter invulling van zo'n expertise-centrum. De rest van het bedrag moet van de betreffende hogeschool komen. Dan zal wel blijken of de hogeschool er ook daadwerkelijk belang aan hecht, zo meent de commissie.