Bestuurlijke trampoline en amateurs regeren Feyenoord

Na de successen begon in 1975 de neergang van Feyenoord. In de bestuurskamer was de rust van 'Vader' Kieboom verdwenen. Het bestuur-Couwenberg bespreekt het omkopen van de pers. Deel twee van een bestuurlijke geschiedenis.

ROTTERDAM, 10 april - De dalende inkomsten halverwege de jaren zeventig noopten Feyenoord tot een beleid. Op verzoek van het bestuur schreef scheidend manager Guus Brox bij wijze van testament een profetisch rapport, gedateerd 8 juni '77. Het stadion, eigendom van de club, moest meer inkomsten krijgen. “Het zou straks zo kunnen zijn, dat wij een prachtig stadion hebben, waarin geen sterren spelen en waarin geen publiek aanwezig is.” Er was meer sfeer nodig op de tribunes, bij voorbeeld met behulp van een boerenkapel, verlotingen, samenzang, hostesses of een disc-jockey. Voorts moest Feyenoord meer aandacht besteden aan de jeugdopleiding.

Betaald voetbal zonder tekorten of verliezen was volgens Brox niet meer mogelijk. “Het zijn de clubs, gesteund door het bedrijfsleven, overheid of particulieren die zich kunnen handhaven, o.a. AZ'67, PSV en Ajax. De handgelden, salarissen etc. die deze clubs betalen zijn door Feyenoord niet op te brengen, mede omdat veel clubs gebruik maken van netto, respectievelijk zwart geld. Zonder steun gaat Feyenoord het verliezen.”

Maar Feyenoord kon moeilijk tegen de commercie aanschurken zo lang zij nog een amateurclub was. Feyenoord 1 mocht dan in de Kuip spelen, het echte machtscentrum was Varkenoord, het veldencomplex aan de overkant van de Marathonweg. Ook daar bij de amateurs drong het besef door dat het nodig was van de profs te scheiden, al was het maar om financieel niet samen ten onder te gaan. De statutenridders van Varkenoord bogen zich jarenlang over de vraag hoe de scheiding te regelen met behoud van invloed op de profsectie en - vooral - met behoud van het rijke bezit, het stadion. De Kuip was ondergebracht in een aparte naamloze vennootschap waarvan de amateurs 51 procent van de aandelen behielden.

In 1978 werd de splitsing een feit, maar de amateurs hielden zoveel greep op de profclub dat het meer een formeel geregelde schijnsplitsing was. Het betaald voetbal werd ondergebracht in een stichting, die 1,5 miljoen gulden moest betalen voor de spelers. Als eigenaar van het stadion benoemden de amateurs drie van de vijf commissarissen van de Kuip, die tegelijk bestuurslid werden van de profstichting. Dit trio mocht zelf nog twee collega-bestuurders in de profstichting benoemen. De amateurs konden zich zo blijven bemoeien met het professionele voetbalbedrijf in de Kuip.

Toenmalig voorzitter Van Zandvliet: “Natuurlijk was het een schijnsplitsing. Maar meer was niet haalbaar”. De breuk ging niet ver genoeg om heldere bestuurlijke verhoudingen te scheppen, maar wel zo ver dat een psychologische scheuring tussen 'Varkenoord' en 'De Overkant' ontstond. De kiem voor twaalf jaar conflicten was gelegd.

Van Zandvliet was de eerste stadioncommissaris en voorzitter van de profstichting, benoemd door de amateurs. Maar al kort daarna keerden de amateurs zich tegen hem. Hij zou zijn gezicht te weinig op Varkenoord laten zien (“Nogal logisch, ik ging over het betaald voetbal”) en zich niet aan de statuten houden, zo luidde het verwijt.

Hij bespeurde een toenemende oppositie op de algemene ledenvergadering. Wanneer een opposant het woord nam, begonnen twintig leden met hun vuisten op de tafel te roffelen, een grimmige aankondiging van de ondergang van Van Zandvliet. Tot op de dag van vandaag weet Van Zandvliet niet waarom hij weg moest. “Kieboom had eens gezegd: je bent te netjes. Maar ik begrijp het nog steeds niet.”

Wat Van Zandvliet ook niet wist, was dat de formatie van het nieuwe bestuur buiten hem om al enige tijd aan de gang was. Zoals vaker in de historie van Feyenoord ging dat volgens het model van de bestuurlijke trampoline: haal een oud-bestuurder terug uit succesvoller tijden, dan zal hij het succes wel meebrengen.

Bij het inchecken voor een reis naar Australie was Guus Couwenberg op Schiphol door 'iemand van de amateurs' opgebeld: of hij er niet voor voelde terug te keren als voorzitter van de profs. Dat wilde hij wel.

In Australie kreeg hij een telefonische felicitatie. Het was gelukt, Van Zandvliet was weggestemd. Oud-voorzitter Kieboom, die zich hevig had verzet tijdens de vijf uur durende algemene ledenvergadering, was ontsteld. “Dit is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Feyenoord.”

Eenmaal terug op zijn oude post, begin '79, schrok Couwenberg. Van de statuur van de glorietijd was niets meer over. “Er was geen geld meer en er stond geen goed elftal op het veld.” De beleggingsportefeuille was leeg.

Immiddels beschikte Feyenoord na het vertrek van Brox over een nieuwe manager: Peter Stephan, afkomstig van Go Ahead Eagles uit Deventer.

Hij was in '77 op een dieptepunt binnengekomen. Feyenoord boekte een laagterecord van 8000 toeschouwers, speelde geen Europees voetbal, kampte met een exploitatietekort en had inmiddels 1,2 miljoen gulden bij het stadion moeten lenen om spelers te kopen. Stephan kreeg de opdracht te reorganiseren en de salarissen van verzadigde topspelers terug te brengen. Dat kwam hem op telefoontjes van schreeuwende spelersvrouwen te staan: “Je komt aan m'n geld”! Door het paniekbeleid zat Feyenoord goed in haar rechtsbuitens: Budding, Ernst, Van der Lem, Melis, Verheyen en Vreysen. Na het vroegtijdig vertrek van de trainers Coerver, Brzezanczyk en Boskov was nu de Tsjech Jezek aan het bewind.

Stephan zag meteen dat de constructie met het stadion nadelig was. De Kuip kreeg een kwart van alle entreegelden en streek de inkomsten uit reclame, televisie, bier en worst geheel op. Het scheelde in zijn ogen Feyenoord zo'n drie miljoen gulden per jaar. Ook hij bepleitte een intensiever gebruik van het stadion, met meer opbrengsten voor de profclub, om de concurrentie met Wastora (AZ'67) en Philips (PSV) aan te kunnen. Maar de structuur hield de professionalisering tegen. “De leiding van een miljoenenbedrijf was een derde-klasvergadering van amateurs waar spelers uit het zesde en het tiende elftal konden meestemmen.”

Met de wervende leuze Het Nieuwe Feyenoord, die zijn opvolgers nog vele keren zouden kopieren, ging Stephan de boer op. Hij richtte de Vrienden van Feyenoord op, 49 sponsors van middelgrote bedrijven, veelal uit de scheepsbouw en de haven, die ieder maximaal 4125 gulden per jaar inlegden voor twee entreekaarten (inclusief relatie- of dameskaart). Tot vandaag zijn de Vrienden een vaste inkomstenbron. In hoogtijdagen had men 109 leden, nu zijn het er 70, die maximaal 5250 gulden per bedrijf bijdragen.

Van afstand tussen bestuurskamer en veld was geen sprake meer. Het bestuur-Couwenberg, bestaande uit enkele gepensioneerden die van koffie- tot borreltijd op het stadion vertoefden en zich graag onder de spelers begaven om over de tactiek van zondag te praten, liep de manager vaak voor de voeten. Uit de bestuursnotulen van die dagen blijkt men maar moeizaam te kunnen wennen aan de intrede van sponsors in de Kuip. “Het bestuur is van mening dat deze club (De Vrienden van Feyenoord) te hard van stapel loopt. Deze supporters dienen zich niet in beleidszaken te mengen”, luidt de waarschuwing op 9 augustus 1979.

Secretaris Kok Dijk weet rond die tijd de Vriendenkring met een weinig wervend toespraakje uit te dunnen. De voorzitter van de amateurs, die meevergadert met de profs, klaagt in het bestuur over 'duistere figuren op het ereterras'. De toewijzing van kaarten voor dit terras aan oud-voetballers, hun familieleden en kennissen is een vast agendapunt.

Ook op voetbaltechnisch gebied denken de bestuurders enthousiast mee. Op 28 januari 1981, na een nederlaag tegen Haarlem, moet trainer Jezek uitleg komen geven. Voorzitter Couwenberg wil weten waarom verdediger Troost op links stond, aanvaller Peters uberhaupt in het elftal was opgesteld en de Deen Jacobsen op de bank zat. In Jezeks verdediging klinkt moedeloosheid door. “Feyenoord heeft maar drie tot vier voetballers. De rest heeft geen karakter.” Dat is het moment voor een vermanend woord van secretaris Dijk. “Ondanks dure trainingskampen en hoge salarissen leven onze full-profs niet voor hun vak. De heer Dijk wil de spelers harder aanpakken, opdat zij zich van hun verantwoordelijkheid bewust worden. Zij dienen thuis rustiger te gaan leven.”

Ook maakt het bestuur zich zorgen over de lekkages naar de Rotterdamse pers. De pr-functionaris suggereert tot ontsteltenis van de leden dat er 'geheime contacten' zijn tussen pers en bestuursleden. Ze ontkennen een voor een. “De heer Dijk praat met journalisten, maar klapt nooit uit vergaderingen.” Uit de amateurgelederen komt de suggestie journalisten van Rotterdamse kranten te betalen voor positieve stukken. Het advies wordt niet opgevolgd. “De heren Couwenberg en Dijk zijn van mening dat, al leg je de pers zo veel mogelijk in de watten, ze toch negatieve dingen over Feyenoord weten te schrijven.”

De vergaderingen verlopen soms in een broeierige sfeer. De voorzitter en de manager kunnen niet met elkaar overweg. Couwenberg verdenkt Stephan ervan te verdienen aan transfers, wat hij nooit heeft kunnen bewijzen. Hij zoekt naar een aanleiding om Stephan 'eruit te kieperen'. Op een zondag, na een verloren wedstrijd, zijn andere bestuursleden getuige van een uitbarsting in de bestuurskamer. Als 'twee tijgers' staan Couwenberg en Stephan tegenover elkaar. Mevrouw Stephan wordt onbedoeld in de ruzie betrokken. “U beweert dus dat mijn man een leugenaar is?”, bijt ze de voorzitter toe.

Toen Aad van der Laan, het nieuwe bestuurslid, die zondagavond thuis op de bank neerplofte, zei hij tegen zijn vrouw: “Wat er bij Feyenoord allemaal gebeurt, je houdt het niet voor mogelijk”.