Albanie: hervormingen zonder 'verzoening' kansloos

ROTTERDAM, 10 april - De eerste kennismaking van de Albanezen met de democratie, tijdens de eerste werkelijk vrije verkiezingen sinds het land aan het begin van deze eeuw onafhankelijk werd, valt ernstig tegen: de democratie heeft geen oplossingen gebracht, integendeel, ze heeft de politieke impasse voorlopig alleen maar vergroot. Albanie lijkt aan het begin te staan van een periode van politieke instabiliteit, en dat belooft weinig goeds voor 's lands noodlijdende economie.

De uitslag van de verkiezingen had eigenlijk nauwelijks rampzaliger kunnen uitvallen: de communistische Partij van de Arbeid van Albanie (PPSh) kreeg iets meer dan tweederde van de zetels in het nieuwe parlement, de oppositionele Democratische Partij kreeg iets minder dan eenderde. Dat zou in principe betekenen dat de communisten gewoon door kunnen gaan met hun beleid van geleidelijke hervormingen in de richting van een vrije markt en politieke democratisering. Alles wat de PPSh op het eerste gezicht zou moeten doen is de jonge radikalinski's in haar midden de vrije hand te geven, mensen als Spiro Dede, secretaris van het Centraal Comite, en Fatos Nano, de nog geen 40-jarige premier, de twee spraakmakers in de partij sinds die de boeg keerde en op een vlucht naar voren aan serieuze hervormingen begon.

Maar zo simpel ligt het niet, want bij de verkiezingen is niet alleen een nieuw parlement samengesteld, maar is het land ook diep verdeeld geraakt. De steden zijn in meerderheid naar de oppositie gegaan. De arbeidersklasse en de intellectuelen en studenten hebben gekozen voor de oppositie. Zeventien van de achttien zetels die in Tirana op het spel stonden zijn naar de Democratische Partij gegaan. In Shkoder en Kavaja weigert de bevolking de verkiezingsuitslag te erkennen en erkent zij zelfs het gezag van de communisten - stedelijk, provinciaal of landelijk - niet langer. In Shkoder hangen de portretten van communistische leiders nog altijd aan de muur, maar er hangt nu wel een tekst onder: “Ter dood veroordeeld”.

Tegenover die steden het platteland: daar heeft men massaal op de communisten gestemd. Dat is, zegt de oppositie, het gevolg van fraude, manipulatie, intimidatie, dreigementen en geweld. Maar met dergelijke onregelmatigheden alleen - en ze zullen er zeker zijn geweest - valt het succes van de communisten in de dorpen maar ten dele te verklaren.

Het Albanese platteland is achterlijk, onderontwikkeld en ongeinformeerd, een speelbal in de handen van een goedgeorganiseerde communistische nomenklatoera. Het Albanese platteland is vooral bang, bang voor de grote veranderingen die de boeren te wachten staat nu er economische hervormingen voor de deur staan. De Albanese stedeling is arm, maar de Albanese boer is straatarm - zijn grootste luxe is een fiets - en hij zit waarlijk niet te wachten op veranderingen die zijn hele wereld omver gooien, zijn bescheiden bestaan bedreigen en hem opzadelen met veranderingen die in geen enkele vorm een garantie bieden dat het hem beter zal gaan. Die angst voor het onbekende - waarop de PPSh in haar verkiezingscampagne ook nog schaamteloos heeft ingespeeld: dat was de werkelijke fraude tijdens de verkiezingen - heeft waarschijnlijk meer bijgedragen tot de afgang van de oppositie dan direct geweld of directe vervalsingen.

De verkiezingen hebben een diepe kloof geschapen, of beter: zichtbaar gemaakt, de kloof tussen oppositie en PPSh, tussen stad en platteland, tussen Albanezen die veranderingen eisen en Albanezen die daar bang voor zijn, tussen enerzijds arbeiders en intellectuelen en anderzijds de boeren. Die kloof lijkt een voortzetting van de politieke impasse te garanderen: de onzekerheid heeft Albanie in haar greep en het is geen wonder dat - verkiezingen of geen verkiezingen - de stroom vluchtelingen aanhoudt. Sinds midden vorig jaar zijn al 50.000 Albanezen gevlucht. Nog elke nacht nemen honderden mensen door de bergen de wijk en de havens van het land worden nog altijd door het leger bewaakt om te verhinderen dat vluchtelingen massaal schepen kapen voor de overtocht naar Italie of Korfoe.

Hun absolute meerderheid in het parlement helpt de communisten uiteindelijk niets: ze kunnen Albanie niet zonder de oppositie regeren, al was het maar omdat confrontatie en wederzijdse animositeit tot instabiliteit leiden en hervormingen in de weg staan.

PPSh-bestuurders kunnen zich in Shkoder en Kavaja niet eens meer vertonen; als er geen verzoening komt, is het weldra ook in Tirana gebeurd met het gezag van de grote winnaar van de verkiezingen en kan die winnaar zich alleen op het platteland veilig voelen; en ook dat maar zolang het duurt, want de hervormingen zullen hoe dan ook dat leven op het platteland veranderen. Met andere woorden: Albanie wordt onbestuurbaar als de twee kampen niet tot een vorm van verzoening en samenwerking komen.

De PPSh beseft dat maar al te goed. Vandaar haar dringende oproepen aan de oppositie om mee te regeren. Het aanbod is tot nu toe van de hand gewezen, want de oppositie wil eerst het naadje van de kous weten over de beweerde verkiezingsfraude en het geweld in Shkoder (vier doden) en Tirana (een dode). Ze heeft al aangekondigd de opening van het nieuwe parlement te boycotten tot de daders van het geweld in Shkoder zijn opgepakt.

Dat belooft voor de korte termijn weinig goeds, en dat is slecht nieuws voor de economie, want het ontbreken van politieke consensus blokkeert de hervormingen. Er is de afgelopen maanden flink hervormd, maar net als elders in Oost-Europa lijkt ook hier de economie eerst grondig weg te zakken voor het beter gaat. De arbeidsdiscipline is ingezakt, en daarmee zowel de industriele als de landbouwproduktie. In de fabrieken wordt nauwelijks nog gewerkt en de boeren hebben zich in afwachting van de ontmanteling van de collectieve boerderijen alvast op hun eigen kleine lapje grond verschanst, met medeneming van de landbouwmachines van de cooperaties. De buitenlandse schuld - tot voor kort taboe - is in korte tijd opgelopen tot 350 miljoen dollar, een niet onaanzienlijk bedrag gezien het bescheiden niveau van de totale buitenlandse handel (600 miljoen dollar in 1990, 680 miljoen dollar in 1989). Alle levensmiddelen zijn op de bon, met uitzondering van brood, het aanbod is abominabel en de salarissen zijn laag: van 400 tot 1000 lek (40 tot 100 dollar) per maand.

Er is een bescheiden begin gemaakt met de kleine privatisering, maar alle begin is moeilijk en van privatisering is alleen sprake op de nieuwe zwarte markt, waar radiocassettes 7000 tot 10.000 lek doen en waar de weinigen met geld zich een zoveel jaren verboden kruisbeeld, een horloge, een naaimachine, een tv of een fles whisky kunnen aanschaffen, afkomstig uit de onlangs in Tirana geopende eerste valutawinkel; of een elektrische gitaar, en zelfs een echte auto, zelf in elkaar gezet op de carosserie van een Sovjet-wagen uit de jaren veertig. Verder blijft de privatisering vooral beperkt tot de ambulante handel in citroenen, uien en zonnebloempitten - nuttig, maar niet direct de motor voor de economie die het prive-initiatief zou moeten zijn. Premier Nano heeft deze week vergaande plannen voor de privatisering van de economie aangekondigd, maar gebrek aan kennis, geld en economische traditie maken een opleving op afzienbare termijn onwaarschijnlijk. Dat geldt ook voor de legalisering, vorige week, van de joint venture, die alleen in de sector toerisme tot snelle resultaten kan leiden.

Premier Nano riep maandag alle Albanezen op “weer aan het werk te gaan om Albanie te moderniseren en het land te maken wat het al jaren had moeten zijn: een normaal en beschaafd land, volledig geintegreerd in Europa”. Dat zal echter nog wel even een vrome wens blijven; het zal in elk geval een vrome wens blijven zolang geen begin wordt gemaakt met de verzoening tussen de twee elkaar wantrouwende kampen in Albanie.